Uit de hoek 79: Het overvolle hart

zondag, 11 september 2022

Marc Schoorls brutale vrijplaats

[Column] De mens wordt wel ‘de naakte aap’ genoemd en dat vanwege het grotendeels ontberen van een vacht. Maar wat is een mens zonder zijn taal? Je zou met enig recht kunnen zeggen dat het de gearticuleerde taal is die ons anders doet zijn dan het dier. Toen ik in een vorig leven Nederlands studeerde stuitte ik eens (ik weet niet meer in welke publicatie) op de aanduiding animal loquax, het sprekende dier, en dat beviel me, dat eh… sprak me aan. Dieren zijn we, en lullen kunnen we. Ja, we ouwehoeren er wat op los. Het meeste wat we uitbrengen is onzin, de banaliteiten zijn zogezegd het wisselgeld van de informatieoverdracht, want daar komt taal teruggebracht tot de kern op neer, al klinkt dat wat saai en vormelijk. Maar er is meer. Want woorden zijn, afgezien van de schreeuw, toch de meest elementaire vorm expressie.

Muziek, dat echoënde klankbord van de ziel dat door velen als hoogste vorm van kunst wordt gezien, moet je máken. Met iets van een instrument. Terwijl de vertelling rechtstreeks uit het binnenste kan komen. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over, nietwaar? Zo is onze orale cultuur, onze taal, het vurige water van ons innerlijk leven, het magma van onze emotie.

En ja, dan raken we aan het domein van de kunsten. Als je de kunsten tenminste beschouwt als het rijk van de emoties, dat waar we uiting aan móéten geven zonder precies het recept te weten – vandaar dat elke kunstenaar onzeker is. (Dat recept bestáát natuurlijk helemaal niet.) Ik heb me lezend in een van de vele Privé-domein delen, heerlijke lectuur, dienaangaand vaak verwonderd over de soms wanhopige uitlatingen en zelftwijfel, zelfs bij een genie als, zeg, Flaubert. Wat dan ook weer tot heel fraaie ontboezemingen leiden kan.

Archeologie Magazine

De taal vermag zeker niet alles, er zijn andere kunstdisciplines met specifieke kwaliteiten, maar de taal vermag wel heel veel. Het is het voorrecht van een schrijver er mee te mogen of, juister, te kunnen werken (er even van uitgegaan dat hij zijn taal min of meer beheerst en er dus, als een kunstenaar, een eigen draai aan kan geven). Zelf zou ik me geen raad weten als ik de pen niet zou kunnen hanteren. Ik ben geneigd te denken dat die menselijke seismische naald als bliksemafleider werkt, om met een welhaast surrealistische geografische vergelijking te spreken. (A meeting of the twain.)

Ik zou gek worden, daar ben ik serieus van overtuigd, in een inrichting belanden, als ik niet kon schrijven. Zoals een ander gaat brullen in een voetbalstadion, kankert in een kroeg of tettert op Twitter. We moeten ons nu eenmaal uiten, anders imploderen we, wat zoveel betekent als dat we gek worden. Zo dunkt mij althans. Ik heb sinds ik de taal – een wild dier, een oerkracht – min of meer beheers aantekeningen gemaakt. Niet bij wijze van dagboek, maar als logboek van mijn wat er in mijn hoofd omgaat. Van wat ik voel – eerder nog dan van wat ik denk. Soms is dat, vrees ik, weinig of weinig opzienbarends, maar er zijn ook perioden dat ik me wezenloos schreef. O gelukzalige tijden! En dat wezenloze kan het, zo heb ik dat vaker mogen ervaren, interessant maken. Als de sluis open staat komt het binnenste naar buiten. En juist dan kom je tot opmerkelijke notities. En misschien zelfs tot zoiets als zelfinzicht. Ik geloof dat iedere schrijver de merkwaardige sensatie kent van iets dat schijnbaar uit zichzelf uit zijn pen kwam voortgevloeid, dat de notitie of het verhaal zichzelf schreef, dat hij – laat ik het zo zeggen – er ‘geen actieve herinnering’ aan heeft.

En verder zoek ik net als iedereen al doende een excuus, een excuus voor mijn leven. Ik verdedig me dus ook met taal. Zoals iedereen zich verdedigt in zijn uitingen en uitlatingen – en dat meestal vergeefs, maar goed. Onze taal is evenzeer een afweer als een uitingsvorm. Zo is liegen de feiten verdraaien door de taal in de tang te nemen. Ja, in de benauwenis van ons bestaan is onze taal onze alles. Denken is redeneren met jezelf. En door in jezelf te praten hef je schijnbaar de eenzaamheid op. De taal is een asiel. (Wat trouwens ook niet altijd even heilzaam is, zoals we weten.)   

Marc Schoorl (Wassenaar 1962) is de auteur van onder meer de romancyclus Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verscheen. Het werd deels als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com. Deel 2, Zo Vader, zo zoon, is sinds vorig jaar juli verkrijgbaar en deel 3, O moeder, zei de zoon (en hij liep de zee in) verschijnt binnenkort. Hij publiceerde het eerste & enige Nederlandstalige boek over Joy Division, een kritische hagiografie over Willem Frederik Hermans en een monografie over aforismen (Veelzeggende zinnen). Schoorl schreef voor De Groene AmsterdammerVrij Nederland en andere bladen over literatuur en aanverwante zaken. In zijn zondagse column op Bazarow doet hij verslag van zijn schrijversleven en volgt hij kritisch het literaire wel en wee in Nederland. 


David Grossman neemt vanavond Erasmusprijs is ontvangst

dinsdag, 29 november 2022

Marc Schoorls brutale vrijplaats [Column] De mens wordt wel ‘de naakte aap’ genoemd en dat v...


De top 100 boeken van Time

maandag, 28 november 2022

Marc Schoorls brutale vrijplaats [Column] De mens wordt wel ‘de naakte aap’ genoemd en dat v...


Hans Magnus Enzensberger overleden

zondag, 27 november 2022

Marc Schoorls brutale vrijplaats [Column] De mens wordt wel ‘de naakte aap’ genoemd en dat v...


Uit de hoek 89: Generaties

zondag, 27 november 2022

Marc Schoorls brutale vrijplaats [Column] De mens wordt wel ‘de naakte aap’ genoemd en dat v...