Achteraf Bezien

Dinsdag, 8 november, 2022

Geschreven door: Bernard Bot
Artikel door: Marianne Janssen

Het welbestede leven van Ben Bot

[Recensie] Bernard (Ben) Rudolf Bot (1937) werd geboren in Batavia, waar zijn vader ambtenaar bij het Binnenlands Bestuur was. Tijdens de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië verbleef hij met zijn moeder en twee zusjes een het interneringskamp. Na de oorlog keerde zijn vader terug, die in Birma en Siam tientallen kampen en honderden bombardementen had overleefd. Het herenigde gezin keerde terug naar Nederland, waar vader Theo zijn carrière voorzette op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Bot sr. werd daarna onder meer Tweede Kamerlid, staatssecretaris en minister, waarna hij als diplomaat zijn loopbaan afsloot.

Leven en loopbaan
Bot doorliep het Aloysius College in Den Haag, studeerde rechten in Leiden en aan de Harvard Law School in Cambridge, Massachusetts en nam daarna deel aan een ‘klasje’ voor aankomende diplomaten. In 1964 trad hij toe tot de Buitenlandse Dienst en werd toegevoegd aan de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging (PV) bij de toenmalige drie Europese Gemeenschappen in Brussel. In 1970 werd bij verbonden aan de Nederlandse Ambassade in Buenos Aires en in 1973 chargé d’affaires in Oost-Berlijn. In 1976 keerde Bot als terug naar het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag om daar als directeur-generaal te worden. In 1982 werd hij door persoonlijk ingrijpen van minister Max van der Stoel plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger bij de NAVO in Brussel en in 1986 ambassadeur in Ankara. Op 1 januari 1989 keerde hij terug naar Den Haag en Buitenlandse Zaken, waar hij secretaris-generaal werd. Die hoge post ruilde hij in voor een andere, zijn allerlaatste diplomatieke benoeming als Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Unie in Brussel. Eind 2002 ging Bot na een indrukwekkende diplomatieke loopbaan met pensioen. Dat weerhield hem echter niet om toe te treden tot een Nederlandse consultancyfirma in Brussel, maar dat zou van korte duur zijn omdat hij in september 2003 werd gepolst voor het ministerschap. In december volgde hij inderdaad Jaap de Hoop Scheffer op als minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet-Balkenende II en zou dit ministerschap continueren in het kabinet-Balkenende III. Daarna was zijn ministerschap en einde, keerde hij terug in de consultancy en schreef hij deze memoires over zijn boeiende carrière.

In chronologische volgorde doorlopen we Bots leven en carrière en komen daarmee niet alleen veel over de hoofdpersoon, maar ook over de omstandigheden waarin hij verkeerde, hoe hij tegen die omstandigheden aan keek en in die omstandigheden functioneerde.

Bot kwam gedurende zijn lange loopbaan met veel interessante personen in aanraking en schetst zijn ontmoetingen met hen. Dat begon met Ambassadeur Dirk Pieter Spierenburg in Brussel: “Als u nog een keer het woord excellentie gebruikt, gaat u alsnog per kerende post naar Den Haag”. Spieringburg leerde hem onderhandelen en dat je dat je als-vragen nooit moest beantwoorden. “Van tijd tot tijd moet je durven pokeren.”

Heaven

Argentinië en de DDR
Minister Joseph Luns zorgde ervoor dat hij niet naar Uruguay, waar niet veel te doen was, werd overgeplaatst, maar naar Argentinië. Luns overlegde vaak op kousenvoeten (“vaak waren zijn kousen knalgeel of dieprood”) met zijn Franse collega Couve de Murville, met wie hij een haat-liefde verhouding had.

In Argentinië reisde Bot regelmatig door het land om de Nederlandse handel te bevorderen en werd daar met het ‘endemische probleem’ van de corruptie geconfronteerd. In Oost-Berlijn was zijn belangrijkste taak een Nederlandse Ambassade te openen, want ons land had kort ervoor de DDR (Deutsche Demokratische Republik) officieel erkend. Hij werd ondergebracht in Hotel Unter den Linden, “een wat aftands gebouw met kleine kamers, waarin uiteindelijk alle westerse diplomaten zouden worden ondergebracht. Op die manier kon het regime deze diplomatenkolonie beter in de gaten houden en hun gesprekken afluisteren.” Later werd een eigen kantoor betrokken. ‘Bot doet verslag van zijn ontmoeting met Walter Ulbricht, zijn bezoeken aan West-Berlijn en de activiteiten van de Stasi. Hij kreeg te verstaan dat de Donald Duck ‘ondermijnende literatuur’ was die propaganda maakte voor de materialistische westerse samenleving.

Den Haag, Brussel en Turkije
Als directeur generaal in Den Haag was Bot medeverantwoordelijk voor het welslagen van twee Nederlandse voorzitterschappen van de Europese Politieke Samenwerking. Tijdens zijn NAVO-jaren kreeg hij wederom te maken met Joseph Luns, die daar toen secretaris-generaal was en met diens opvolger Lord Carrington. Toen Luns zich na zijn aftreden nog regelmatig het hoofdkwartier bezocht vroeg Carrington aan Bot om hem duidelijk te maken dat hij daar niet van gediend was. De kruisrakettenkwestie komt uitvoerig aan de orde,

Bot schrijft vol enthousiasme over zijn tijd als Ambassadeur in Turkije. ‘Met spijt in het hart verlieten mijn vrouw en ik dit land vol tegenstellingen. We hadden het uitvoerig bereisd, waren de taal enigszins machtig en lieten veel vrienden achter. We waren ook geboeid geraakt door de geschiedenis van het land.’

Secretaris-generaal
Als secretaris-generaal, de voornaamste ambtenaar op Buitenlandse zaken, kreeg Bot onder meer te maken met de Golfoorlog 1990-1991, de coup van Bouterse in Suriname, het conflict tussen premier Ruud Lubbers en minister Hans van den Broek over hun rolverdeling, de querulant Willem Oltmans en de relatie met Indonesië.

Terug in Brussel maakte hij onder meer de komst van de Euro mee. Uitvoerig gaat hij in op de mislukte kandidatuur van Lubbers voor voorzitter van de Europese Commissie en de rol die de Duitse Bondskanselier Helmut Kohl daarbij speelde. Ook heel interessant is te lezen hoe de benoeming van Wim Duisenberg tot president van de Europese Centrale Bank tot stand kwam. Ragfijn diplomatiek spel. Ook de uitbreiding van de Europese Unie en het verdrag van Amsterdam komen uitgebreid aan de orde.

Minister
Het ministerschap was voor Bot het hoogtepunt van zijn toch al indrukwekkende carrière. Hij staat er terecht uitvoerig bij stil en beschrijft onder meer de minsterraad, omgang met de media, partijpolitieke contacten, Nederlandse handelsbelangen, regeringscrises, het mislukte referendum over het grondwettelijke EU-verdrag, de Schipholbrand. Aan het Nederlandse voorzitterschap van de EU (2004) is een apart hoofdstuk gewijd, evenals aan de contacten met collega’s, Turkije en de Europese Raad van 2004, Indonesië, Irak, Afghanistan, Azië, Het Midden-Oosten en Afrika, de Balkan, Latijns-Amerika en Consulaire zaken.

In de Epiloog concludeert de auteur dat Nederland zoveel mogelijk moet opereren in multilateraal verband en dat we onszelf niet te veel moeten wegcijferen: “Voor Nederland is nationale bekendheid in het buitenland een kwestie van overleven”. Tenslotte vat hij zijn successen (onder andere het EU-voorzitterschap van 2004, de vrijlating van Arjan Erkel, de terugkeer van twee ontvoerde Syrische kinderen en de gratieverlening van enkele Nederlandse gevangenen in Thailand) en teleurstellingen (het referendum en het gesprek met de moeders van Srebrenica in Sarajevo).

Het is moeilijk een dergelijk uitgebreid boek te recenseren. Zelfs in een forse recensie kom je vaak niet verder dan een opsomming van feiten en daarmee doe je de auteur tekort. Bot heeft met vaardige pen (nou ja, tekstverwerker) die feiten dermate interessant gepresenteerd dat ik mijn aanvankelijke voornemen om gedeeltes te ‘skimmen’ heb laten varen. Het was allemaal veel te interessant en daarom heb ik dit boek van kaft tot kaft uitgelezen, wat gezien mag worden als een groot compliment voor de auteur,

Een ‘rijk’ boek, bijzonder interessant.

Eerder verschenen op LeesKost