Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Nieuws

Succesvolle crowdfunding voor de J.M.A Biesheuvelprijs 2021

Succesvolle crowdfunding voor de J.M.A Biesheuvelprijs 2021


De J.M.A. Biesheuvelprijs is de eerste en enige prijs voor de beste Nederlandstalige korte verhalenbundel. Het is bovendien de enige literaire prijs die geheel wordt gecrowdfund. Voordekunst doneert het totale bedrag en dit gaat vervolgens naar de winnende schrijver. De prijs is vernoemd naar J.M.A. Biesheuvel, een van de grootmeesters van het korte verhaal.

De uitreiking van de J.M.A Biesheuvelprijs 2021 aan de schrijver van de beste verhalenbundel van het afgelopen jaar, is op 14 februari 2021. Via crowdfunding is al ruim 4000 euro binnen, maar je kunt nog steeds doneren .

Afgelopen jaar kon de jury geen winnaar aanwijzen. Dit jaar bestaat de jury uit Bo va Houweling, Christine Otten, Dirk-Jan Arensman, Icona Smeets en Ronald Soetaert. Jurylid Icona Smeets Belooft dat er dit jaar wel een winnaar gekozen zal worden. Eerdere prijswinnaars zijn Marente de Moor, Maarten ‘t Hart, Rob van Essen, Maria Vlaar en Annelies Verbeke.

Dit jaar komen de volgende schrijvers in aanmerking voor de J.M.A Biesheuvelprijs 2021:
L.H. Wiener – De zoete inval (Pluim)
Marijke Teeuw – Muur van glas (Elikser)
Joost de Vries – Rustig aan, tijger (Das Mag)
Rob van Essen – Een man met goede schoenen (Atlas Contact)
Mensje van Keulen – Ik moet u echt iets zeggen (Atlas Contact)
Bertram Koeleman – Het dreigbed (Atlas Contact)
Marije Langelaar – In het jaar vande rode os (De Arbeiderspers)
Ineke Riem – Onderwaterverhalen (De Arbeiderspers)
A.L. Snijders – Doelloos kijken ZKV’s 2017-2018 (AFDH Uitgevers)
Lammert Voos – Canisius (AFDH Uitgevers)
Mohammed Benzakour – De ogen van Fadil (Ambo|Anthos)
Esther Verhoef – Labyrint (Ambo|Anthos)
Jaap Krol – De hond die overstak (Uitgeverij kleine Uil)
Lieven Tavernier – Tlieverdje (Borgerhoff & Lamberigts)
Alfred Birney – Drie rivieren (De Geus)
Herman Clerinx – Het oudste geheugen op aarde (De Geus)

--
Sabine Bunschoten

Longlist Socratesbeker bekend, recensenten gezocht

Longlist Socratesbeker bekend, recensenten gezocht


De Socratesbeker wordt ieder jaar uitgereikt aan de auteur van het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek. De jury selecteerde twintig boeken die kans maken op de prijs voor het beste filosofieboek van 2020.

De jury, bestaande uit Bastiaan Rijpkema (Universiteit Leiden), Paul Cobben (emeritus-hoogleraar Universiteit van Tilburg), Mariska Jansen (journalist), Marnix Verplancke (journalist De Morgen, Knack en De Leesclub van Alles) en Rosan Hollak (journalist NRC Handelsblad) selecteerde 20 filosofieboeken die in aanmerking komen voor de Socratesbeker.

Oproep: recensenten gezocht

Bij Nader Inzien, een blog over filosofie, is op zoek naar filosofen die hun academische expertise willen inzetten om bovenstaande boeken te recenseren. Wil je een recensie voor Bij Nader Inzien schrijven, neem dan contact met op via bijnaderinzienblog@gmail.com.

--

Uit de hoek, deel 1

Uit de hoek, deel 1


Marc Schoorls brute vrijplaats. "Zonder taal is er niets"

Column. Het feuilleton! Afgelopen! Nog voordat het boek waar het deel van uitmaakte goed en wel op gang was gekomen. Best jammer hoor. Want het was een mooie traditie. Vroeger dan. Het feuilleton: van oorsprong een vervolgverhaal in een krant of tijdschrift. Het woord verwijst naar het Franse woord feuille, dat blad of blaadje betekent. De oorspronkelijke feuilletons waren dan ook losse velletjes die samen met een krant of periodiek werden verkocht. De bedoeling was de lezer te binden en aldus de verkoop te stimuleren.

Maar aan alles komt een eind. In de 21e eeuw betekent feuilleton in geboorteland Frankrijk weinig meer dan wat wij een soapserie noemen, omdat de Amerikaanse zeepfabrikanten er als eerste mee zijn begonnen.

Een zeperd werd dat niet, nee, en een soepzootje is het ook niet: het zijn vaak uiterst professioneel gemaakte dagelijkse vervolgtv-programma’s over het leven van alledag. In  Frankrijk is Plus Belle la Vie al zo’n dertig jaar draaiende als dagelijks programma over de beproevingen van een groep gewone mensen in het zonovergoten Marseille. Zulke series worden er ook wel ‘téléromans’ genoemd, wat heel veel, zo niet alles zegt. Maar over het fenomeen feuilleton is heel veel te vertellen, genoeg voor… een heel feuilleton.

Maar dat gaat hier dus níét gebeuren, nee.

Dit is iets nieuws.

Dit is een brutale vrijplaats, een terzijde als schot voor de boeg voor van allerlei. Dit is een schotschrift van hagel.

Uit de hoek, zo heet deze nieuwe rubriek dus. En op deze bescheiden plaats zal ondergetekende elke zondag tot u spreken. Maar niet op zalvende toon, nee. Ik ben geen predikant, ha! En ik wil dat ook helemaal niet zijn. Alsjeblieft zeg. De toon zal vrolijk zijn, ondeugend, ietsje gemeens soms, laten we zeggen: amusant prikkelend. Saai en naar nieuws is er al genoeg.

Maar we moeten ook weer niet onze ogen sluiten voor alle ellende. Want ellende kan ook mooi zijn, fascinerend. In ons hart zijn we stiekem allemaal ramptoeristen. Om het dan toch voor één keer op zijn Zondags te zeggen: aan de ellende kun je de oneindige scheppingskracht van God aflezen. Dus ik hoop en probeer een kijkersfile van zondagsrijders te veroorzaken.

Nou ja, goed. Dat dus. Elke zondag zal ik uw rust verstoren met opmerkelijke anekdoten, schunnige waarheden, decadente overpeinzingen en wat dies meer zij. Lieve berichten bijvoorbeeld. Ja hoor, die ook. Dus deze rubriek had ook Velerlei kunnen heten.

De voorwaarde van de opdrachtverlener was wel dat het op de een of andere manier met boeken te maken moest hebben. Maar ja, dat is natuurlijk te breed gedacht: ik kan het niet terugvinden, maar wie schreef ook alweer dat alles gebeurt om in een boek terecht te komen? Er zijn ook maar zat boeken die te maken hebben met esoterie of management, dan wel met wortelkanaalbehandelingen. Dus boeken: dat overdekt de lading met een veel te groot spanzeil.   

Nee, het moest gaan om Literatuur, woord dat ik voor deze zondagse gelegenheid ook maar even met een hoofdletter schrijf.

En héél onterecht is dat niet. Want literatuur is de koningin van de kunsten. Al was het maar omdat het de enige kunstvorm is die iets fatsoenlijks kan zeggen over andere kunstvormen. En óók over het eigen genre. Literaire kritiek die zelf geen literatuur is, zou zo niet genoemd mogen worden. Want dat is journalistieke boekenkritiek, ook heel nuttig, maar niet hetzelfde en ook van lager allooi. Al zal het qua loon misschien wel wat beter betaald worden, daar wil ik vanaf zijn.

De koningin van de kunsten. De literatuur overziet het hele spectrum aan menselijke, en vaak al te menselijke pogingen om tenminste nog iets van dat leven van ons te maken. Pogingen die tot de cultuur horen en er het summa van uitmaken. De schone kunsten.

Zo is er prachtige literatuur geschreven óver schilders en hun kunst. Neem Vasari’s boek of de Nederlandse evenknie daarvan, Het Schilder-boeck van Karel van Mander uit 1604.  Maar wis en waarachtig, dat wat Nescio schreef over de schilder Bavink is me al net zo lief. "Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep." Maar Bavink wilde vooral die ondergaande zon schilderen en als dat hem niet lukt wordt hij gek. Mooi is dat. Poésie pure.

Omgedraaid hebben sommige schilders een mooi boek geschreven. En de brieven van schilder Vincent van Gogh zijn uitzonderlijk goed. Of neem de dichter-schilder Lucebert. Of Jan Cremer. Of Wolkers, die zichzelf trouwens in eerste instantie als beeldend kunstenaar beschouwde. En dat gaat ook op voor musici. André Hazes was volgens bijna onze hele volksstam een voorbeeldig dichter, ha! Songwriter Nick Cave schreef met And the Ass Saw the Angel wat mij betreft een overrompelend fraai boek. Ik vermeld de Engelse titel niet uit interesantdoenerigheid, maar omdat die net wat mooier allitereert dan de Nederlandse titel En de ezelin zag de engel. O, oeps, nou rolt die er alsnog uit… Somber is deze roman, en hardvochtig, grotesk bijna, en oudtestamentisch van stijl. De Bijbel als crystal meth mythe. The hell on Ice Show.

En de grapjas Mozart schreef erg vermakelijke brieven vol pies- en poepgrapjes. C’est vrai, c’est joli, c’est drôle!

Wat dat betreft is de muze een heilige hoer. Ze laat zich voor werkelijk alles lenen.

En dan zijn de boven vermelde kunstenaars ontrouwe hoerenlopers, voeg ik daar dan haastig en politiek correct aan toe. Want voorwaar, man en vrouw zijn op alle gebieden aan elkaar gewaagd. Het zijn net mensen.

Maar jaha, zelfs politiek kan bij hoge uitzondering samengaan met literatuur. Je mag ervan vinden wat je wil, maar Winston Churchill won wel mooi de Nobelprijs voor Literatuur.

Hij is wel de uitzondering die de regel bevestigt dat politici niks met literatuur of iets van Bildung hebben, en dat lijkt eerst en vooral voor Nederlandse politici te gelden.

Wim Kok was een grijze gehaktbal en zijn zaak ontrouw, Jan-Pieter Balkenende was een braaf christenman die een zo mogelijk nòg groter gebrek aan verbeelding had en alleen iemand als God voor zich zag. Cultuur bestond voor hem uit die goeie ouwe VOC-mentaliteit.

En tja, onze eigen antiaanbakpremier Mark Rutte, die zei met een stalen gezicht: "Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert." Zelf bleek hij leiding te geven aan een paar kabinetten die omgingen met kunst en cultuur zoals zo’n vriendelijke dikhuid kan huishouden in een porseleinkast. Er bleef weinig van over. En toen moest moedermammoet Corona nog komen…

Nee, Mark gaat het om de winsten van ondernemingen en verder ehh… weet hij het niet. Mark is geen Winston.

Hij is nu eenmaal van de VVD. De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Goeie naam! Een die getuigt van goeie marketing. Helemaal Mark zijn ding. Want hoe kun je daar nou in godsnaam tegen zijn? Tegen Vrijheid en Democratie. Nee, dat gaat niet. Want daarin, en alleen daarin,  zijn alle volkeren ter wereld wel verenigd, daar zijn ze het allemaal wel me eens. Er bestaat op de hele wereld dan ook geen Partij voor Censuur en Dictatuur. Of nou ja, die bestaan er genoeg, maar zo noemen ze zich niet. Ze noemen zich gewoon De Partij. Het enige wat de VVD met zulke partijen gemeen heeft is dat ze er niet voor het volk zijn. Wat altijd nog beter is dan menige linkse partij die niet eens meer weten wat het volk is. En ook niet meer weten wat ze zelf nou eigenlijk willen.

Maar ho, wacht even, dit wordt geen politieke rubriek hoor. De hoek in met al dat geouwehoer! De hoek van de Tweede Kamer desnoods. Best een goed idee trouwens: wie te veel kletst moet daar net als een schooljongen de hoek in.

‘Thierry stil! En blijf van het haar van Wilders af, rotjongens!’

Enfin.

De politiek heeft geen stijl, dat is ’t hem. Dàt ontbreekt eraan. Zoals Geen Stijl totaal stijlloos is.

En ik? Ik ben alleen, en tegen alles en iedereen. Ook en vooral tegen mezelf. En dat omdat ik het heel vaak niet eens ben met mezelf. Bijvoorbeeld over het feit dat ik het al dan niet te vaak over mezelf heb, begrijpt u wel, o ironie?

De onderwerpen voor deze rubriek komen dus uit alle hoeken en gaten. En misschien laat ik wel eens een keer een gat vallen. Maar àls het om literatuur moet gaan en ook daadwerkelijk gaat, dan staat de taal voorop. Laat dat gezegd zijn.

Leve de taal! Het is prachtmateriaal. Echt. Het is bruikbaarder dan klei, het kan harder zijn dan het mooiste Carrara-marmer, het is zo veel zachter dan babybillen, soepeler nog dan water, lekkerder dan het knapperigste brood, warm nog, zo uit de oven…

Ach, de taal. De schrijver moet haar woorden bij elkaar zoeken, hij moet ze mengen, kneden, ze desnoods ophakken, ze laten rusten enzovoort, enzovoort. Het is zijn middel èn zijn doel. Eigenlijk, heel eigenlijk doet het verhaal, de inhoud er niet eens toe. Voor hem dan.

Voor de lezer natuurlijk wel. O zeker! Die krijgt het verhaal, of welke vorm van literatuur dan ook, opgediend in de schrijver zo eigen, karkteristieke magische pilvorm. Misschien wel daarom spreekt de volksmond van een dikke pil van een boek. En ja, een pil kan bitter zijn. Voor zoete koek moet je immers bij journalisten zijn. En voor taaie kost bij politici. Want ja, die beroepsgroepen bedienen zich ook van taal. Helaas. Of althans: van iets wat op taal lijkt. Of moet lijken. Of over lijken moet gaan.

Maar de schrijver, die wil graag toveren met het wonder dat taal heet. Zonder taal is hij helemaal niets. Het is het enige wat hij heeft. Een schrijver handelt niet in hoop: daar zijn andere bedriegers voor. Politici weer bijvoorbeeld. Maar voor de schrijver als goochelaar is taal zijn allerlaatste illusie.

Voor mij als sinds kort zelfbenoemd schrijver betekent deze vrijplaats dan ook vooral een stijloefening. Ja, ik probeer dingen op u uit. Dat u het weet. Ik voorzie u net zo stiekem als Bill gates dat volgens de wappies doet van een vaccin met iets erin. En als u echt een pil wil, kan ik u mijn boeken uit de reeks ‘Autobiografie van een romanpersonage’ aanraden. Deel 1 daarvan, Zes broers en een zus, is nog maar net uit en nog helemaal onontdekt.

Volgend week meer & weer heel anders.

Graag tot dan!

 

Marc Schoorl
--

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verscheen. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

 

 

Bazarow Magazine

Ontvang ons magazine in je mailbox.


Je aanmelding kon niet opgeslagen worden, probeer het opnieuw.
Je aanmelding was succesvol.
Lancering van nieuw programma  'De Grote Vriendelijke Update'

Lancering van nieuw programma 'De Grote Vriendelijke Update'


Jaap Friso en Bas Maliepaard, de makers van De Grote Vriendelijke Podcast lanceren een nieuw programma, genaamd De Grote Vriendelijke Update. In dit programma zetten zij de laatste ontwikkelingen en het nieuws rond jeugdliteratuur op een rij. De Grote Vriendelijke Podcast bestaat sinds oktober 2018 en won vorig jaar een Dutch Podcast Award in de categorie Cultuur & Muziek. 

Het nieuwe programma gaat over nieuws, trends en opvallende ontwikkelingen uit de kinderboekenwereld. Het programma is een aanvulling op de podcast en zal maandelijks verschijnen. Friso en Maliepaard vinden dat de reguliere media te weinig aandacht besteden aan kinderboekennieuws.”In De Grote Vriendelijke Update laten we zien dat er veel gebeurt in de kinderboekenwereld dat het vermelden waard is. Of het nu gaat om bijzondere initiatieven, het overlijden van schrijvers of de verschijning van opvallende boeken, wij vermelden het allemaal,” aldus Jaap Friso. 

Bert Kranenbarg (NPO Radio 5) is de nieuwslezer van het nieuwe programma en leest de journaals. Friso en Maliepaard bespreken daarna samen het nieuws, ook met eventuele telefonische gasten. In de eerste aflevering spreekt het duo met illustratrice Loes Riphagen over De Nationale Voorleesdagen. Daarnaast staan ze stil bij de dood van kinderboekenschrijfster Yvonne Brill, bekend van de populaire Bianca-paarden boekenreeks. 

De Grote Vriendelijke Update is te beluisteren in de feed van De Grote Vriendelijke Podcast op Spotify, in alle podcast-apps of op www.degrotevriendelijkepodcast.nl. De Grote Vriendelijke Podcast en De Grote Vriendelijke Update worden in 2021 mede mogelijk gemaakt door Stichting Lezen, De Versterking, de JC Ruigrok Stichting en het Prins Bernhard Cultuurfonds.

--

Door Sabine Bunschoten

Schrijver Abdelkader Benali houdt op 4 mei de voordracht tijdens de Nationale Herdenking

Schrijver Abdelkader Benali houdt op 4 mei de voordracht tijdens de Nationale Herdenking


De Marokkaans-Nederlandse schrijver en tv-presentator Abdelkader Benali houdt op 4 mei de literaire voordracht tijdens de herdenkingsdienst in de Nieuwe Kerk voorafgaand aan de herdenkingsplechtigheid op de Dam in Amsterdam, zo maakte het Nationaal Comité deze week bekend.

Benali werd geboren in Marokko, en kwam op vierjarige leeftijd naar Rotterdam. Later verhuisde Benali naar Amsterdam. Hij schrijft behalve romans en toneel ook artikelen en recensies voor onder meer Algemeen Dagblad, De Groene Amsterdammer, Esquire, de Volkskrant, Passionate Magazine en Vrij Nederland. Benali is ook columnist voor Trouw. Voor zijn romandebuut Bruiloft aan zee werd hij in 1997 genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, die hij in 2003 kreeg voor zijn tweede roman, De langverwachte. Afgelopen jaar ontving Benali de Gouden Ganzenveer vanwege zijn grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in de Nederlandse taal.

In samenwerking met CPNB wordt sinds 1992 op 4 mei de voordracht gehouden. De komende 4 mei-voordracht van Benali heeft de titel: De Stilte van de ander en verschijnt in een dubbeluitgave met een bloemlezing van tien gedichten over vrijheid. De voordracht is vanaf begin april verkrijgbaar in de boekhandel.

--

Sabine Bunschoten

Geef de Nederlanders hun boekhandel terug, juist nu

Geef de Nederlanders hun boekhandel terug, juist nu


Vorige week stuurde Anne Schroën Anne Schroën, Directeur Coöperatieve Koninklijke Boekverkopersbond, een brief aan alle lezers in het Kabinet, in de Tweede Kamer, in heel Nederland. Omdat het belangrijk is dat de boekhandels weer open mogen, publiceren we integraal de hele tekst:

Geachte lezers in het Kabinet, in de Tweede Kamer, in heel Nederland,

Lezen biedt ontsnapping, troost en – vooral nu – hoop. Dat we door een ongekende crisis gaan, daarvan zijn we ons allemaal bewust. En dat het langer gaat duren dan we allemaal hoopten, is nu ook duidelijk. Daarom doe ik een dringend beroep op u.

Schrijvers, uitgevers en boekverkopers willen allen helpen om Nederlanders perspectief te bieden. Want we komen door deze crisis heen, maar we moeten elkaar wel bijstaan. En een boek geeft kennis en inzicht, maakt toleranter en voedt onze geest. Verhalen zijn belangrijker dan ooit.

Maar de boekhandels zijn dicht. De sluiting leidt tot scheefgroei: online retailers maken een ongekende groei door. De verwachting is dat deze ontwikkeling het einde kan inluiden van ons rijke netwerk van boekhandels, uniek in de wereld. Wellicht denkt u: maar je kunt toch online boeken kopen? Vraag u dan af: is dat hetzelfde als boekverkopers die individueel advies geven en bijdragen aan de bestrijding van leesachterstanden, de aantrekkelijkheid van winkelstraten, de kenniseconomie en de leescultuur? Helpt het debutanten aan publiek? Wat voor land willen we zijn na de lockdown?

Mijn organisatie vertegenwoordigt bijna 1.500 winkels die boeken, kranten en tijdschriften beschikbaar maken in dorpen en steden. Zo essentieel als de kaasboer is voor de boterham, zo essentieel is de boekhandel voor onze geest. Mijn oproep aan u allen is: geef de Nederlanders hun boekhandel terug, juist nu. Onze buurlanden kiezen ervoor hun boekhandels open te houden. Natuurlijk willen ook wij het allerliefste open, op zijn minst met een afhaalloket.

Maar als dat nu niet kan, dan zullen de boekhandels, zodra er weer enige bewegingsvrijheid is, doen wat zij het liefste doen: verhalen onder de mensen brengen. Verhalen van schrijvers uit Nederland en daarbuiten, romans en spannende boeken, kinderboeken voor alle leeftijden, kookboeken, biografieën en boeken over hoe-overleef-ik-deze-crisis.

Deze crisis overleven, dat is nu ons kernprobleem. In april 2020 waarschuwde ik voor sluiting van 1 op de 3 boekwinkels bij aanhoudende crisis. Het zorgde voor een schokgolf in het land. Dit gevaar is niet geweken, het is zelfs reëler dan ooit, al blijf ik vurig hopen dat ik ongelijk had. Boekverkopers leven niet van subsidie, zij zijn retailers, met doorlopende vaste kosten, bancaire verplichtingen en het uitblijven van huurcompensatie. Dit alles bezorgt veel boekverkopers slapeloze nachten, juist omdat het perspectief ontbreekt.

Daarom is mijn oproep: laat zien dat u geeft om een geletterd land. Neem een voorbeeld aan de landen om ons heen. Verhalen, informatie en ontsnapping zijn nu voor velen hoognodig. Dat gaat op voor alle culturele sectoren. Die worden echter al geholpen met leningen en steunmaatregelen waarvoor boekhandels niet in aanmerking komen. U kunt hier het verschil maken, uw geloof in het geschreven woord kan de boekhandel in leven houden. Mits u een daad stelt.

Mijn oproep aan alle lezers: vind uw boekverkopers en bel, app, mail of bestel via hun website: ze staan voor u klaar. Zij helpen u aan nieuwe en verrassende schrijvers, adviseren u en geven verstrooiing. U allen kunt zorgen dat ons prachtige landschap van boekhandels, voor iedereen dichtbij en liefst op loopafstand, ook na de lockdown nog bestaat.

Met vriendelijke groet,

Anne Schroën
Directeur Coöperatieve Koninklijke Boekverkopersbond U.A.

 

Nog een laatste keer Zes broers en een zus

Nog een laatste keer Zes broers en een zus


Woensdag jl. verscheen bij Bazarow de laatste aflevering van het feuilleton Zes broers en een zus. Maar de schrijver gaat hier wel gewoon door en komt wekelijks ‘Uit de hoek’ met een bijdrage uit zijn literair angehauchte notities. Leuk, origineel, anders, satirisch en erudiet. Onthouden dus! En in de gaten houden: ‘Uit de hoek’…

‘En nou is het afgelopen uit!’ zou de moeder in het boek Zes broers en een zus uitroepen. Ik roep het haar na. Want het is mooi geweest. Met dat feuilleton. Mocht u er plezier in hebben gehad, dan verzoek ik u het boek aan te schaffen. Want deze schrijver moet verder. En er moet brood op de plank. Zo ordinair is het. Zo banaal kan het leven zijn. Zeker in coronatijd. Want het werk waar ik eigenlijk mijn brood mee verdien ligt helemaal stil en een uitkering geniet ik niet.

Maar ik geniet wel van schrijven. En als het goed is heeft u dat gemerkt, want ik heb van alle kanten gehoord dat het boek zelf ook zeker zijn vermakelijke kanten heeft. En de meesten zijn ook nieuwsgierig hoe het de personages verder afgaat in het leven.

Ik zal een tipje van de sluier oplichten.

In deel 2, Zo vader, zo zoon getiteld, wordt Cor snel groot en (bijna) volwassen. En datzelfde geldt voor zijn broers en zus. Jong-volwassenen zijn het.

En de vader gaat onverstoorbaar verder als… gestoorde stoorzender. Want beter maakt hij er het in de volgende delen zeker niet op. Onder veel meer speelt zijn geheel eigen godsdienstwaanzin daar een rol in.

De bloei van de popmuziek komt wat nadrukkelijker aan bod. Inclusief de oude platenzaken, het tv-programma Toppop (‘Yeah!’) en een nieuw fenomeen als Jesus Christ Superstar. Maar het zijn vooral de hormonen die de jonge gebroeders Van Hargen en hun vriendenkliek een eh… worst voorhouden. En op de achtergrond speelt nog steeds de oorlog – en daar weer achter iets nòg wereldomvattenders: de dood. Maar een somber boek is het niet. Wel levendig.

Om de moed erin te houden krijgt u gratis en voor niks een fragment uit deel 2.

Zie hieronder.

--

Een hoogoplopend gesprek tussen jongens over brommers, muziek, film & nog zo wat. Vader voert natuurlijk het allerhoogste woord. Maar is God nu een open vraag of multiple choice? ‛Want je hebt Jahweh, God, Allah, Boeddha... en noem maar op.’

Ramon zei dat Zundapp wél een heel goed merk was. Maar daar waren de meningen over verdeeld. En toen ging het een tijd lang over de kwaliteiten en voor- en nadelen van de Puch, Zündapp, Kreidler en de Tomos.

Een voor een dropen mijn vrienden af. Ze hadden nog wat anders te doen.

En daarna ging het over Honda, Suzuki en Kawasaki.

Toen ging Daan er ook vandoor. Ook met een smoes: hij moest zijn vader’s auto nog wassen. Want dat was ie vergeten. Zogenaamd.

Vader was intussen beneden gekomen en merkte bijna en passant op dat al die merken afkomstig waren van Japan en Duitsland. ‛De grote agressors van de Tweede Wereldoorlog. Hoe kan dat?’

‛Agressie is kracht,’ zei ik voordat ik het wist.

‛Hoe bedoel je?’

Ja, nou, dat wist ik niet precies. ‛Voor een motor heb je kracht nodig. En dus agressie.’

‛Interessant,’ zei vader. Hij was in een goeie bui. Een zeldzaam goeie bui.

‛Dat ben ik niet met u eens,’ zei Mirjam. ‛Liefde is kracht. Maar een zachte kracht. Henriëtte Roland Holst heeft daar een prachtig gedicht over geschreven.’ Ze declameerde een beetje plechtig, ouderwets bijna: ‛De zachte krachten zullen zeker winnen.’

‛Ach jij,’ merkte Pim op, ‛jij bent gewoon verliefd.’

‛Nou, en wat is daar mis mee?’

‛Daar is niks mis mee,’ antwoordde moeder streng.

Mirjam, op diezelfde wat plechtstatige toon: ‛Liefde is de zin van ’t leven der planeten... Uit datzelfde gedicht,’ knikte ze vol overtuiging.

‛Onzin kost honderd scheten,’ zei Geerie opeens.

Geniaal! Iedereen lag dubbel. Hij schrok ervan en werd helemaal rood, wat aanleiding was voor een nieuwe lachsalvo.

‛Henriëtte Roland Holst, die Mina maakt het werkelijk het dolst,’ zei vader.

En daar gingen we weer. Mijn vrienden waren te vroeg weggegaan!

En toen kwam het gesprek alsnog op muziek. Verdorie!

De vraag was wat het toppunt van pompeusheid was in de muziek. Want Pim vond Genesis, Yes, Focus allemaal overdreven gedoe. ‛Bowie ook trouwens. Geef mij maar de Raw Power van Iggy Pop en The Stooges. Als je het nou over echte pop wil hebben.’ 

‛Wagner!’ zei vader. ‛Wat dacht je daarvan? Totaal overspannen werk.’

‛Dat vind ik juist wel wat voor u,’ antwoordde Pim.

‛Voor mij? Hoezo?’

‛Nee, Deodato,’ oordeelde Henry van Tricht. ‛Van die Silan-wasverzachter-reclame. Dat is wel het toppunt.’

‛O, dat vind ik juist wel mooi,’ bekende vader.

‛Zie je wel!’ reageerde Pim meteen. ‛Pure bombast. Een nepbom vol ballast.’

‛Heb je last van je ballen?’ gekscheerde Wim.

Helaas was zijn broertje Ben al weg, want anders had hij ook zoveel plezier kunnen hebben over die opmerking.

‛Maar dan moet je niet vergeten,’ zei Ramon serieus, ‛tot het een bewerking is van klassieke muziek...’

‛Klopt,’ zei vader, ‛van Richard Strauss. Kom, hoe heet dat stuk ook alweer?...’

‛Dat weet ik niet, meneer Van Schagen, maar wat ik wel weet is dat Deep Purple het ook gebruikt in het nummer River Deep en dan is het helemaal niet zo pombastisch... uuhhh...’ In zijn enthousiasme struikelde hij over zijn eigen woorden. ‛En het is ook de openingsmuziek van A Space Odyssey, de film van Kubrick.’

‛Van een koekblik?’ probeerde Geerie leuk te doen, dit keer zonder succes. Niemand lachte of ging eropin. De angst spatte van zijn ogen, maar niemand die erop lette. Behalve ik.

Ramon ging verder: ‛Met dat begin, als die apen ruzie krijgen. De opkomst van de mensheid heet dat.’

‛Geef mij maar Planet of the Apes.’ Sylvain. ‛Veel leuker en niet van dat moeilijke gedoe, maar wel spannend en sensationeel.’

‛Precies: Kubrick is ook bombast,’ viel Pim hem bij. 

‛Zó, jij durft. Maar dat begin is niet minder dan geniaal! Tot die aap het gereedschap uitvindt: een oud bot. En tot ie dan een ander er de hersens mee inslaat. Dank je de koekoek!’

Vader, hardop peinzend: ‛De geboorte van de cultuur uit een doodsbeen. En dat die ellepijp dan gebruikt wordt als gereedschap voor moord... Ja, het is wel een visionair, die Kubrick.’

‛Maar orang-oetans bijvoorbeeld moorden niet,’ wist Johan. ‛Dat zijn vredelievende apen.’

‛Ja, dan ben jij ook. Maar ik niet.’ Pim.

Johan: ‛Precies. Dat is het verschil tussen jou en mij.’

Pim: ‛Dus je bent het ermee eens dat jij een aap bent en ik een mens? Interessant.’

Johan: ‛Nee, ik ben een mensaap en jij wellicht een aapmens. Of nee omgedraaid.’ Zijn vergissing deed zijn wangen opgloeien. Pim lachte hem recht in zijn gezicht uit.

Ramon: ‛The Kinks! Het nummer Ape Man.’

‛Ja, dank je wel, dat bedoel ik,’ zei Johan snel. ‛De drukte op straat, al die mensen en auto’s, de luchtvervuiling de atoomoorlog... je kunt maar beter een aapmens zijn.’

‛The Eve of Destruction: in die song zit alles al. We gaan er aan,’ zei ik.

‛Het is maar popmuziek, hoor,’ zei Pim.

‛Máár?!..’ riep Ramon verontwaardigd uit. ‛Het belang van pop mag niet onderschat worden.’

‛En wat is dat belang dan?’ vroeg vader. ‛Wat heeft de popmuziek te betekenen voor, nou ja, de cultuur?’

‛Het belang van pop,’ zei Frans, ‛is de elektrificatie van de muziek. Toch? Want dat is nog nooit eerder gebeurd en zeker niet op deze schaal. Het is een ontsnapping aan, als ik het zo mag zeggen, de akoestische beperktheid. Niet dan?’

‛Ja, als een verkenning van watt en voltages!’ riep Ramon uit. ‛Geweldig toch?! Een ontdekkingsreis is het. En al die effecten die je ermee kunt maken: ongehoord. Letterlijk!

‛Ja,’ beaamde ik. ‛Popmuziek is geboren uit het stopcontact.’

Ramon weer: ‛En elektronica is de geest uit het flesje van de elektriciteit.’

‛Het flesje van de elektriciteit? Hoe zie je dat voor je?’ wilde Pim dan wel eens weten. ‛Wat een hoogdravend gelul! Over bombast en poeha gesproken.’

‛Het is vooral herrie. Vind ik dan.’ Moeder mengde zich ook in het gesprek, waarschijnlijk aangemoedigd door vader’s tamelijk ongewone bereidheid tot een echt gesprek.

‛Debilisering als gevolg van te veel decibellen, als je het mij vraagt,’ zei vader.

‛Daar ben ik het nou eens hartgrondig mee eens!’ riep moeder uit.

‛O. Zo. En was betekent dat dan: decibellen?’ vroeg Frans.

‛Dat weet ik niet precies, maar dat doet er ook niet toe.’

‛Jullie moeder is meer van de debilisering,’ grapte vader.

‛O, krijgen we dat weer. Nou, dan ga ik maar eens naar de soep kijken. Want dat kan jij weer niet, soep koken.’

‛Wat voor soep?’ vroegen Frans en Geerie als uit één mond. En ook in unisono zeiden ze ‛lekker’ toen moeder had geantwoord dat het om tomatensoep ging.

‛Maar het gaat ook om volume en massa,’ vervolgde vader zichtbaar nadenkend. ‛Heel lang geleden moet het zangkoor de machtigste muziek hebben voortgebracht, vooral bij gebrek aan goede instrumenten. Heel veel later was er het orgel, dat óók als het als enige opklonk hemelbestormend is geweest. Bach is het bewijs. En zijn zoon Johann Christian schreef als eerste concerten voor de pianoforte: die naam zegt genoeg, nietwaar? Helaas bezigen we tegenwoordig slechts de helft ervan: piano. Maar het ging natuurlijk óók om het forte! Ja, nee: om de dynamiek. De concerten veroorzaakten grote beroering in die tijd en toen werd de piano het instrument waarop grote componisten zoals Haydn, Mozart en Beethoven hun werken componeerden.  Ja, vergeet die Haydn niet. Die is van enorm belang geweest. Als je het heel strikt neemt, was hij de eerste echte klassieke componist. Enfin, dat interesseert jullie toch geen fluit, dus laten we het maar weer hebben over de piano! Al die beroemde Duitstalige componisten noemden de piano heel terecht das Hammerklavier, want het werkt met hamertjes.’

‛Hamertje tik!’ riep Bassie.

Wát? Zei hij dat werkelijk? Die kleuter? Hij zat nog niet eens op de lagere school!

We keken er lachend van op. Dit was de eerste grap ooit die hij maakte, ons Bassie.

 ‛Nu hoor je erbij!’ jubelde Mirjam en ze bedekte haar broertje onder de kussen.

‛Ja, zeg, ík ben hier aan het woord,’ brulde vader, ‛dus luisteren nu! Want ik was nog niet klaar. Waar was ik eigenlijk?... O ja, bij de piano natuurlijk. Nou, en toen ontstonden de orkesten die gewicht gaven aan de muziek. En nu is het de elektriciteit. Wonderlijk wel, vinden jullie ook niet?... Wel?’

Ja, nou, dat waren we wel met hem eens. Als hij dat per se wilde weten.

‛In een luidspreker,’ zei Johan, ‛hoe klein ook, zit meer technologie dan in een kerkorgel, hoe groot ook.’

‛Hohoho,’ antwoordde vader. ‛Dat kan zo zijn, maar is technologie dan beter dan God?’

‛Je hebt er in ieder geval meer aan, als je het mij vraagt,’ merkte Pim schouderophalend op.

‛Wijsneus! Ik zeg je: God is een open vraag.’

‛Multiple choice dan,’ bracht Johan in het midden. ‛Want je hebt Jahweh, God, Allah, Boeddha... en noem maar op.’

‛Wodan ook!’ riep Geerie.

Konden we weer even lachen met z’n allen.

‛En toen kwam er een olifant met een slurf en die blies het hele verhaal uit,’ haastte moeder zich, met een bange blik op vader, te zeggen.

‛Ganesha!’ riep Johan lachend, ‛de god met de slurf. Uit het hindoeïsme! De god van de kennis en wijsheid nota bene. Wat een toeval!’

‛Komt hij ook weer met al z’n exotica,’ smaalde Pim. ‛Holy cow!’

Je kon erop wachten. Toch moesten we wel lachen, behalve Johan zelf dan. Maar  vader lacht nu wel mee. Holy cow: dat vond hij wel een goeie, want in India...

‛Ja, hèhè,’ kreeg hij nu zelf onder uit de zak van zijn oudste zoon. ‛Daar heb je spuit elf ook.’

‛En toen,’ was de bijdrage van een enthousiaste Geerie, ‛kwam er een olifant met een lange snuit en die blies het verhaaltje uit.’ Hij was bang, dat kon je zien.

‛Heel goed!’ zei Mirjam, die de bui ook al zag hangen, terwijl de rest hem uitlachte. 

‛Een olifant hééft toch helemaal geen snuit, maar een slurf. Of ben ik nu gek?’ wilde moeder weten.

Dat was de verlossende opmerking voor ons allen. Want nu gingen alle monden wijd open voor een gulle lach. En zij, zij draaide zich om en ging direct weer terug naar de keuken. Tot onze extra vreugd mompelend: ‛Jullie ook altijd met jullie betweterigheid...’

‛Ja,’ sprak vader. ‛Het is mooi geweest. De koffie is op, heertjes. En de koek ook. Dus als ik jullie mag verzoeken...’

‛Of jullie willen oprotten,’ maakte Pim ervan.

Vader: ‛Dan doe ik eens beleefd... Sjonge-jonge.’

--

Door Marc Schoorl

 

 

VPRO start nieuw boekenprogramma en zoekt redacteuren m/v

VPRO start nieuw boekenprogramma en zoekt redacteuren m/v


Het belangrijkste boekennieuws tot nu toe dit jaar: De VPRO start met een nieuw boekenprogramma en zoekt redacteuren. Omdat we bij Bazarow het erg belangrijk vinden dat het programma er komt, hierbij de hele vacaturetekst. Wel hopen we dat het nieuwe programma ook non-fictie bespreekt. Heb je ondergenoemde talenten, snel solliciteren dan!

--

Gezocht Redacteuren m/v

32-36 uur

Partime  Hilversum

Heb jij een grote liefde voor boeken en lezen, ben je creatief en heb je redactie ervaring? Grijp dan je kans om deel uit te maken van een nieuw boekenprogramma!

We zoeken met ingang van maart 2021 meerdere:

REDACTEUREN

(32-36 uur per week, waaronder regelmatig de zaterdag)

Wat gaan we doen?
De VPRO komt vanaf april 2021 met een nieuw boekenprogramma. De ontwikkeling van het format is nog in volle gang. Je zult dus betrokken zijn bij de startfase van het programma, wat een inspirerende en kansrijke ervaring is. Hier kunnen we jouw kennis, inventiviteit en creativiteit goed bij gebruiken!

Wat ga jij doen?

Als redacteur denk je creatief mee over de invulling van het programma. Je volgt en signaleert interessante ontwikkelingen binnen de actualiteit en de literaire wereld, verbindt thema’s met elkaar en zet dit om in originele en interessante invalshoeken voor gespreksonderwerpen en programma-ideeën. Daarnaast ben je breed geïnteresseerd in maatschappelijke en culturele ontwikkelingen en volgt deze op de voet.

Je bereidt interviews voor en onderhoudt contact met de gasten voorafgaand aan de opnamedagen en tijdens de opnames zelf. Je overtuigt met verve gasten uit binnen- en buitenland, vaak ook via hun management, om deel te nemen aan het programma. Een uitgever bellen is voor jou gesneden koek.

Je neemt deel aan het redactieoverleg en doet voorstellen over de verdere invulling van het programma en de bijbehorende crossmediale uitingen.

Wie ben jij?
We zoeken redacteuren met HBO/WO werk- en denkniveau met een groot hart voor alle vormen van geschreven verhalen. We hebben ruimte voor meerdere collega’s op verschillende ervaringsniveaus.

  • Je hebt (ruime) ervaring als redacteur, ervaring met studioprogramma’s op TV is een pré.
  • Je kunt goed interviewen en bent creatief in het bedenken van (invalshoeken voor) gespreksonderwerpen.
  • Je hebt een grote kennis van en affiniteit met boeken en lezen.
  • Idealiter heb je al een relevant en goed netwerk in de boekenwereld of kun je dit snel opbouwen.
  • Je bent bereid in de weekenden te werken en hebt een flexibele werkmentaliteit.
  • Je houdt ervan om zowel de grote inhoudelijke klussen als het kleinere redactionele monnikenwerk met evenveel motivatie uit te voeren.
  • Je bent een teamspeler die stressbestendig, flexibel, opgeruimd en geordend is. Je weet onder tijdsdruk te presteren.
  • Je denkt in taal én in beeld: instarts, vormgeving, foto’s, actie in de studio.
  • Je beschikt over uitstekende communicatieve vaardigheden, in woord en schrift, zowel Nederlands als Engels. Kennis van een derde taal is meer dan welkom!
  • Je bent bekend met social media en weet welk medium je waarvoor kunt inzetten.
Wat bieden we?

Een dynamische en creatieve baan bij een grensverleggende omroep. Het betreft een tijdelijke arbeidsovereenkomst van 32-36 uur per week, start medio maart 2021 tot en met 31 december 2021. Het salaris is afhankelijk van kennis en ervaring en ligt tussen de € 2.450,- en € 4.500,- bruto per maand op basis van een 36-urige werkweek. De overige arbeidsvoorwaarden zijn conform de CAO voor het omroeppersoneel, waaronder 8% vakantietoeslag en 6% decemberuitkering.

Reageren?
VPRO stelt inhoud en vakmanschap voorop. Onze vacatures staan dan ook open voor elke kandidaat die zich in de vacature herkent.

Ben je enthousiast geworden? Stuur ons je motivatiebrief en CV uiterlijk 31 januari 2021 via onderstaande sollicitatiebutton.

Voor meer informatie over deze functie kun je contact opnemen met Jikke Wechgelaer, Eindredacteur via j.wechgelaer@vpro.nl.

Solliciteer hier

De Nationale Voorleesdagen, van een naar drie weken

De Nationale Voorleesdagen, van een naar drie weken


Op 20 januari beginnen de Nationale Voorleesdagen. Dit is een campagne van de CPNB om het voorlezen aan jonge kinderen die zelf nog niet kunnen lezen te stimuleren, baby's, peuters en kleuters. Een week lang organiseert de CPNB een voorleesontbijt waarbij bekende Nederlanders voorlezen. Dit jaar verloopt de week anders gezien de huidige covid maatregelen. Zo zal de week twee weken langer duren, om zo meer aandacht te creëren voor het voorlezen in een periode waarin positiviteit zo belangrijk is. De campagne loopt nu van 20 januari tot 13 februari.

Op 20 januari om 7.30 uur zal Prinses Laurentien de voorleesdagen openen in het programma Zin in Zappelin van de NPO.

Lees hier meer op de activiteiten en campagne van het CPNB

Oproep: Jaap Friso, kinderboekenrecensent en een van de mannen achter de Grote Vriendelijke Postcast laat op twitter weten: “In het kader van de @Voorleesdagen laten we luisteraars aan het woord over voorlezen. Heb je een anekdote, tip of vraag? Spreek een kort berichtje in op je telefoon, waarin je ook je naam zegt, en mail dat voor maandag aan info@degrotevriendelijkepodcast.nl.”

--

Door Renske Bakkenes

CPNB lanceert nieuwe campagne om de fysieke boekhandel te steunen

CPNB lanceert nieuwe campagne om de fysieke boekhandel te steunen


Vandaag start de nieuwe publiekscampagne ‘Steun je boekhandel’ van de CPNB, de belangorganisatie van het boekenvak. Advertenties in landelijke en regionale dagbladen, online advertenties en radiospotjes richten zich tot het publiek met de boodschap: koop nu een boek, anders is straks je favoriete boekhandel er niet meer. De campagne is volgens de CPNB hard nodig, omdat boekhandels door de coronamaatregelen gesloten zijn en vele op omvallen staan.

Adriaan van Dis, Roxane van Iperen, Simone van der Vlugt en Tommy Wieringa springen in de bres. Zij hebben de radiospotjes ingesproken met de boodschap ‘steun je boekhandel’. Vanaf vandaag te horen op Radio 1, 2, 4 en 5, twee weken lang.

In de landelijke dagbladen plaats de CPNB donderdag een paginagrote advertentie met dezelfde boodschap: koop nu een boek.

Kijk hier voor meer informatie:

--

Roeland Dobbelaer

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 20 en slot

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 20 en slot


Rotjes, gekken en atoombommen. En dan de ‘pliesie’.

Dit is de laatste aflevering van dit Bazarow Feulleton. De afgelopen 10 weken konden jullie elke woensdag en zondag genieten van de avonturen van de kleine Cor. Wil je weten hoe het afloopt. Koop dan nu Zes broers en een zus.

Anders dan anders werd er nu niet gevoetbald op het kleine speelplein bij het schooltje. Pim had er rotjes afgestoken, hij was net door zijn dagvoorraad heen, vertelde Frans. Het wachten was op Jos Strop, die met zijn broer verboden vuurwerk had gekocht in Leiden en dat nu bij hem thuis was gaan halen. Verder waren er nog een paar buurtjongetjes. En Wimie. Dat was onze buurtmongool, al mochten we hem van onze moeder geen ‘mongool’ noemen. Hoe dan? Hij was ‘ongelukkig’, liet ze weten. Maar dat waren wij helemaal niet met haar eens! O, hij kon er wel eens de smoor in hebben en het op een janken zetten, maar hij liet zich altijd verbazingwekkend snel troosten. Dan lieten we hem bijvoorbeeld een doelpunt maken en dan liep hij minutenlang juichend en gillend van enthousiasme over het pleintje – en wij maar lachen. Daarna peerde hij hem meestal om zijn moeder te vertellen dat hij weer een goal had gemaakt en dat hij echt bij Feijenoord ging voetballen. Ik was door hem gefascineerd. Hij was groot, log en dik, maar beresterk: soms tilde hij in zijn eentje drie, vier jongens op. Ik was altijd een beetje bang voor hem. Hij keek ook zo raar uit zijn hondenogen en aan zijn altijd openstaande mond hingen steeds dikke draden slijm. Verder stonk hij een uur in de wind, naar zweet en soms zelfs naar poep. Het mooiste was natuurlijk dat er bijna nooit een verstaanbaar en verstandig woord uit zijn mond kwam. Daarom vroegen we hem vaak wat, de gekste, moeilijkste dingen – om de soms vreemdste antwoorden terug te krijgen. ‘Hoe ver is de maan?’ vroeg ik bijvoorbeeld een keer. En toen antwoordde hij: ‘De maan is van de zon en de ster en is goud geverfd door de nacht.’ Af en toe geloofde ik dat hij over een speciaal soort wijsheid beschikte, maar meestal moesten we hikken van het lachen als die gek iets te berde bracht. En toch... Wimie was misschien wel gek of ‘anders’, zoals moeder ook wel zei, maar het gerucht ging dat hij sommige apparatuur altijd weer aan de praat kreeg. Voorheen waren dat oude horloges – hij droeg er zelf meestal een of twee aan elke pols – maar de laatste tijd waren het transistorradiootjes. Broer Pim had net een nieuwe voor zijn verjaardag gekregen, maar wist te vertellen dat een vriend van hem een tweedehands bezat die was gerepareerd door Wimie. Alleen zei Pim wel vaker wat... Ik twijfelde. Inderdaad had ik Wimie wel eens in die rommelige achtertuin van hun zien prutsen aan een radio, al leek het me dat hij die onherstelbaar uit elkaar gehaald had zoveel onderdelen als er in het grasperkje van hun armzalige achtertuin lagen. Toch kon je het niet weten.

En daar was Jos, een brede glimlach om zijn toch al brede mond. Ja, alles was breed aan die jongen. Hij had, vond ik, altijd iets vuils over zich. Een ongelikte beer was het. Hij had een paar grote rotjes in zijn stevige vuist.

‘Kijk,’ zei hij, ‘astronautjes zijn niks. Dat zijn babyscheetjes voor in de ruimte. Maar moet je deze zien.’ Hij hield zijn hand voor zich en toonde de lange rotjes, die er inderdaad indrukwekkend uitzagen. ‘Hartstikke verboden,’ liet hij trots weten. ‘En weet je hoe ze heten?’

Iedereen zweeg. Wimie stond een paar meter verderop en probeerde de bal tegen de muur te schieten, maar was ’m iedere keer kwijt omdat ie alle kanten opvloog. Je kon hem steeds bozer zien worden. Bozer en gefrustreerder. Het was heel zielig, maar we hadden nu even geen tijd voor hem.

‘Atoombommen,’ verbrak Jos toen de onderlinge stilte. En hij herhaalde het nog maar eens met die zware stem van hem: ‘Atoombommen.’

Opnieuw viel iedereen stil.

‘Zo, dat is niet mis,’ zei Pim toen. Hij klonk heel vlak. Was hij niet onder de indruk?

‘Ugh…’ antwoordde Jos met een boer. 

We lachten. Jos had een reputatie op te houden. Hij kon geweldig harde scheten en boeren laten en dat deed hij dan ook graag. Hij had er al vaak succes mee gehad. Net als met z’n gore grappen. Viezig en ruw was hij. In de omgang en in zijn taalgebruik. Hij deed me altijd aan een zeeman denken, hoewel hij nog een jongen was, hoe uit de kluiten gewassen ook. Hij had zelfs al zoiets als een snorretje.

‘Amerika heeft meer atoombommen dan Rusland,’ zei Pim. Het had weinig te maken met rotjes, maar het was wel een geregeld terugkerend onderwerp van gesprek. Iedereen had het er in die tijd over. Ook onze pappa’s en mamma’s. De wereld kon vernietigd worden, dat wist iedereen, en dat wel duizend keer! Je kon je er hoegenaamd niks bij voorstellen maar het was toch een raar en beangstigend idee. ‘Ik vertrouw die Russen voor geen cent, die communisten,’ zei vader vaak. ‘Die Breznjev, dat is toch gewoon een toendra-tijger, met die borstelige wenkbrauwen van hem. Wat ’n schobbejak! Ze hebben gewoon de kerk uitgeschakeld, die schoften!... Atheïsten zijn het! En die zijn nog erger dan Turken of Arabieren!... En moet je eens kijken wat ze met Israël doen! Nee, niet dat ik veel met die joden op heb, da’s een ander verhaal, maar die zijn al genoeg gestraft. Maar Rusland maar wapens leveren. Aan Syrië en Egypte en noem maar op.’ De wereldpolitiek was in vader’s ogen een groot complot. Alleen Amerika kreeg zijn zegen. Amerika, het land van onze bevrijders. ‘God’s home country,’ zei hij dan in een vreemd soort en totaal overdreven geaccentueerd Churchill-Engels.

‘Rusland kan de wereld wel drie keer kapotmaken,’ vulde mijn broer Pim zichzelf aan, ‘maar Amerika wel tien keer!’

 Ik vond het wel knap van hem, dat hij die cijfers zo uit zijn hoofd wist. Of verzon hij het maar?

‘Amerika beschermt ons,’ meende een ander zeker te weten.

‘Toch,’ antwoordde Joop, ‘kan Rusland ons dood bombarderen met hun atoombommen.’

Nu wilde iedereen er zijn zegje over doen en klonken alle stemmen door elkaar.

‘Ja, maar dan gaan ze zelf ook dood en dat willen ze niet, zegt mijn vader.’

‘En die bommen van hunnie doen het vaak niet, dat zegt mijn vader.’

‘En de Amerikaanse astronauten zijn ook beter,’ zei weer een ander.

Toen liet Jos een van zijn welbekende keiharde scheten en lag iedereen in een deuk, zeker toen een lachende Wimie ook een duit in het zakje wilde doen en helemaal rood aanliep. Er klonk een knetterende scheet en toen zette hij het op een hollen. ‘Poep! Ik heb poep! Mamma, poe-oep!...’ Tijdens het rennen hield hij met beide handen zijn broek aan zijn heupen vast. Nee, dat liep niet lekker, met je broek vol, dat wisten we allemaal nog wel. En dubbel lagen we weer.

Jos vond dat we nu genoeg gelachen en geouwehoerd hadden, het was tijd voor zijn demonstratie. Hij stopte de atoombom-rotjes in zijn ene jaszak en haalde uit de andere een astronautje en stak die aan. De knal klonk door de hele straat. Een man die zijn hond uitliet keek verstoord op, maar durfde er niks van te zeggen. Jos grijnsde. Dit was nog niks volgens hem. Nu haalde hij zo’n lang rotje te voorschijn en hield het voor zich als was iets magisch. Al net zo ceremonieel hield hij zijn aansteker erbij en liet het lontje vonkend ontbranden. Opzichtig stoer wachtte hij een paar spannende momenten voordat hij het rotje op straat gooide.

Daar was de knal. Enorm. Echt alsof er een bom ontploft was. De doffe klap weerkaatste tegen de huizen aan de overkant. Horen en zien verging je voor een moment. We vonden het allemaal geweldig en keken vol ontzag naar Jos en toen naar het geknakte rotje dat op de stenen lag na te smeulen en een merkwaardig zielige indruk maakte, als een dood dier, met de buik open.

Jos had de smaak te pakken en begon het ene rotje na de andere te ontsteken, hij raakte bijna letterlijk in vuur en vlam. De knallen volgden elkaar in hoog tempo op zodat je oren ervan begonnen te suizen. Het had iets krankzinnigs, zeker toen hij ermee om zich heen begon te strooien, het liefst vlak voor onze voeten. Het leek wel oorlog. In het begin vonden we het nog wel vermakelijk, maar algauw zagen de meesten van ons er de lol niet meer van in. Het was bloedlink. Maar Jos, die deed er nog een schepje bovenop. Hij stopte zo’n atoombommetje, brandend en al, eerst eens tussen zijn lippen, als was het een sigaar en hij een getikte generaal. En dan kwam hij op je af, met een grommend geluid, om het rotje vlak voor je te laten vallen. Gelukkig deed hij dat niet bij mij, wellicht omdat ik, samen met Ruud  Bellekom, de jongste van het stel was. Toch was ik op m’n hoede. Met Jos moest je uitkijken, dat had ik allang begrepen. Bij het voetballen op dat schoolpleintje ontweek ik hem altijd heel leep, want hij kon trappen als de beste – en geméén dat hij kon zijn. Ja, ergens was hij niet te vertrouwen, hij keek ook vaak gemeen uit zijn ogen, maar ondanks dat alles had hij ook iets meelijwekkends en, hoe groot en stoer hij verder ook was. O, hij piste gewoon op straat en toonde daarbij graag zijn snikkel, dik en vlezig als die was, en hij had daar ook al haren! Maar zijn trots was hem niet tot troost, dat kon je heel goed aan hem zien. Hij had altijd iets triestigs over zich heen en keek heel somber uit die donkere doppen van hem. Op de een of andere manier getuigde zelfs zijn lach van treurigheid. Onze moeder waarschuwde ons wel eens voor hem, mede omdat ze een nauw verholen hekel aan hem had. ‘Die groeit op voor galg en rad,’ zei ze dan. En het moet gezegd dat het slecht met hem is afgelopen. Want tijdens een eenzaam motorritje, toen hij effe in de twintig was en zijn motor zijn trots uitmaakte, kreeg hij ruzie in de Leidse binnenstad met een paar andere flink uit de kluiten gewassen bikers en toen hebben ze hem aan het mes geregen. Letterlijk. Zomaar op straat, hij viel er badend in het bloed bij neer, zo ging het verhaal. Er waren getuigen genoeg. De daders zijn nooit achterhaald.

De anderen sloegen op de vlucht, ook Frans. En zo bleven alleen een lachende Jos, en Ruud en ik achter.

‘Heb je dat gezien?’ zei Jos, ‘ze gingen er als hazen vandaar! Ja, ik ben de jager. Met mij valt niet te spotten!’ Toch wist ik zeker dat het niet zijn bedoeling was geweest om iedereen de stuipen op het lijf te jagen. Ik kon het aan hem zien. Hij begreep het gewoon niet. En dat gebeurde hem vaker, deze reus van eenzaamheid. Hij kon zijn eigen roekeloosheid niet aan, dat was het.

Hij had nog maar een paar rotjes over en wilde nog wel even laten zien hoe krachtig die waren. En ik mocht de kleintjes wel hebben, de babyscheetjes, want daar vond hij niks aan. Ik propte het handjevol lucifer dunne rotjes in m’n broekzak. Die ging ik later wel afsteken, stiekem, want van moeder mochten ik en Geerie nog geen rotjes. Intussen plaatste Jos drie van z’n atoombommen tussen de geplastificeerde metalen latten van de pas vernieuwde zitbanken. ‘Moet je nou es opletten,’ zei hij en hij bracht ze beng! tot ontploffing.

Ik hield mijn handen op mijn oren want die suisden nog steeds van de vorige knallen. Maar ik zag het gebeuren. De ontploffingen, de rook en de vernieling. De banken waren flink beschadigd, het plastic was helemaal opengebarsten en het metaal puilde eruit. We keken onze ogen uit. En we wisten niet zo goed wat we ervan vonden. Ja, de knallen waren prachtig en hadden hun uitwerking niet gemist. Maar of dit nou de bedoeling was?

Zelfs Jos was geschrokken, ook al stond hij er beteuterd bij te lachen,

‘De kit! De pliesie!’ riep Ruud toen en hij wees naar het einde van de straat.

En inderdaad kwam daar een politieauto aangereden.

We wisten niet hoe gauw we er vandoor moesten gaan, ieder z’n eigen kant op. Ik vluchtte een laantje in. Dat was wel een omweg naar huis, maar een auto kon er niet in en ik wist dat agenten altijd weinig zin hadden om achter ons aan te rennen.

Buiten adem kwam ik thuis.

‘Waar kom jij vandaan?’ vroeg moeder snibbig. Ze stond in de keuken en was tot mijn verbazing nog steeds bezig met oliebollen bakken.

‘Van Frans zoeken,’ antwoordde ik.

‘Die is anders al lang thuis.’

‘Nou, al lang…’

‘Je moet uit de buurt blijven van die Jos Strop. Want die gaat nog naar de hel, dat weet je toch?’

‘Ja, mam.’

‘Goed, loop dan nu maar door naar de kamer en doe vooral de deur dicht.’

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 17 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 18 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 19 van Zes broers en een zus

Fleur Speet, Jannah Loontjens en Manon Uphoff pleiten voor meer diversiteit in de leeslijst voor jongeren

Fleur Speet, Jannah Loontjens en Manon Uphoff pleiten voor meer diversiteit in de leeslijst voor jongeren


Op 10 januari verscheen er in Trouw een essay van schrijfsters Fleur Speet, Jannah Loontjens en Manon Uphoff over de leeslijst voor jongeren. Een onderwerp dat afgelopen jaren vele auteurs, journalisten en docenten bezighoudt. Spleet, Loontjens en Uphoff bespreken, niet verrassend, nogmaals het belang van diversiteit in het literaire vak. Een vak dat van oudsher gedomineerd werd door witte mannen. De leeslijst voor jongeren bestaat als het auteurs uit het verleden betreft nog altijd bijna volledig uit mannelijke auteurs. Vaak ouderwetse boeken waarin sociale constructies voorkomen die voor jongeren van nu bijna lachwekkend zijn. Maar ook meer recentere boeken van mannen bevatten volgens het drietal nog te veel stereotypen.

Volgens Spleet, Loontjens en Uphoff ontbreekt het de klassieke Nederlandse literatuur niet aan vrouwelijke schrijvers. Deze werken werden door de mannelijke collega’s van toen maar ook van nu vaak  als minderwaardig beschouwd of afgedaan als populair fictie. De drie schrijfsters beseffen dat destijds onze sociale maatschappelijke constructie erg vrouwonderdrukkend was, maar waarom, zo vragen ze zich af, is de nasleep hiervan nog altijd te vinden in de Nederlandstalige literatuur én in de leeslijst voor jongeren. Verrassend is dat ze pleiten voor een uitbreiding van de lijst met auteurs van een andere geslacht of andere afkomst, niet voor het schrappen of compleet vernieuwen.

Op het essay van het drietal en hun bevindingen is weinig aan te merken. Men kan zich wel afvragen of dit niet de zoveelste oproep tot verandering van de leeslijst is en van de wijze waarop we kijken naar literatuur. Hebben dit soort artikelen nog wel zin, want  waarom is er dan nog niks gedaan? Waarom zijn er geen concrete veranderingen zichtbaar, wanneer worden er nu echt stappen ondernomen?

Misschien dat 2021 het jaar van de waarheid wordt en er eindelijk concrete veranderingen worden doorgevoerd. Iets wat het literaire vak, de boekhandels, uitgeverijen, auteurs maar bovenal de (jeugdige) lezers alleen maar ten goede kan komen. 

--

Fleur Speet, Jannah Loontjens en Manon Uphoff zijn lid van schrijverscollectief Fix dit, dat zich inspant voor meer diversiteit in de canon en het literaire veld. De website Fixdit.nu is vanaf 9 januari te bezoeken.

Lees hier het volledige essay.

--

Door Renske Bakkenes

Crowdfunding voor de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel 2021 van start

Crowdfunding voor de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel 2021 van start


Drie dagen geleden startte de jaarlijkse crowdfunding voor de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korte verhalenbundel in de Nederlandse taal. Er is een kleine 4.000 euro nodig.

Volgens de organisatie bestonden in Nederland en Vlaanderen talloze gerespecteerde prijzen voor romans, non-fictiewerk, thrillers et cetera. Een prijs voor de korteverhalenbundel ontbrak tot 2015. Om het korte verhaal de status te geven die het verdient en vooral om te laten zien dat het een volwaardig, prachtig genre is, is er sindsdien ook de J.M.A. Biesheuvelprijs. De prijs is genoemd naar de vorig jaar overleden meester in het genre Maarten Biesheuvel

De J.M.A. Biesheuvelprijs wordt volledig gefinancierd door middel van crowdfunding. Met de uitreiking van de prijs op 14 februari begint ook de jaarlijkse Week van het Korte Verhaal.

Vorig jaar werd de prijs niet uitgereikt, volgens de jury waren er toen te weinig inzendingen.

Wil je de prijs steunen: hier kun je je gift kwijt 

Er is al 800 euro binnen, maar dat is pas een kwart van het benodigde geld. Dus doneren is zeer welkom.

--

Door Roeland Dobbelaer

Afbeelding van Biesheuvelprijs

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 19

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 19


Vader is de duivel in persona. En Cor, die gooit een asbak naar het hoofd van zijn moeder. 

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

In voetballen had ik weinig zin. Ik was juist zo blij dat er zoiets als een winterstop bestond. Want ik voetbalde al genoeg, vond ik. Meer dan genoeg. Veel te veel eigenlijk. Ik zat er zelfs op, bij Blauw-Zwart. Dat was normaal, dat je op voetbal ging. Mij was nooit iets gevraagd. Je ging. Al m’n broers deden het ook en die, moet ik toegeven, waren er best goed in. Wijselijk hield ik het voor mezelf dat ik hen maar een stelletje fanatiekelingen vond. Ik, als enige bij ons thuis, begreep het gewoon niet. Sommige jongens trapten je verrot of haalden je lelijk onderuit. Wat was daar de lol van? Niks voor mij. Bovendien werd je er heel moe van. De meesten liepen vrijwillig hun longen uit hun lijf. Vanwege dat laatste speelde ik altijd rechts half. Ik had bedacht dat je dan het minste hoefde te lopen, dat ik dan een beetje op het middenveld hangend de bal uit de weg kon gaan zonder dat het al te veel opviel. Want dat zweten was niks voor mij. Ik rende zo nu en dan alleen maar om een beetje op temperatuur te blijven, want meestal was het verrekte koud op die open, winderige en vaak natte modderpoelen die voor velden moesten doorgaan. Vaak bood ik me ook, met gespeelde tegenzin of onder het voorwendsel van een vage blessure, als reserve aan, desgewenst twee helften. Laten die anderen het maar uitknokken tegen dat tuig uit de achterbuurten van Den Haag, dacht ik dan, want daar kwamen de meeste clubs vandaan die onze tegenstanders waren. Zoals die onfrisse jongens van V.V. Oranjeplein die je al voordat het fluitsignaal had geklonken meedeelden waar en hoe ze je zouden pakken. Ze speelden met ijzeren noppen onder hun schoenen! Die lieten ze dan meteen maar even zien. Een trap tegen je zakie, dat kon je ermee krijgen. Dus als ik al meedeed, wist ik niet hoe gauw ik de bal telkens weer moest afgeven. ‘Maak nou eens een actie!’ zeiden mijn teamgenoten wel eens tegen me. Maar dan had ik meteen mijn antwoord klaar: ‘Het is een teamsport, jongens, het gaat om het sámenspel.’ En meer van die flauwekul. Ik lulde me er altijd wel uit, maar goed voor m’n prestige was het niet. Nee, ik moest het niet van de voetballerij hebben, zoveel was wel duidelijk. Integendeel zelfs, ik mocht wel oppassen, want anders ging het zich tegen me keren.

Maar goed, ik ging Frans wel zoeken.

 

*

 

Ik vond hem bij het schooltje, dat wil zeggen op het speelterrein voor de zij-ingang van dat kleuterschoolgebouw, dat zich twee straten van ons woonhuis bevond. Bij ons thuis hadden we daar allemaal op gezeten, ook ik. Het was een tamelijk somber en wat log gebouw uit de jaren twintig of dertig, opgetrokken uit donkere bakstenen. Ik herinnerde me mijn eerste schooldag aldaar nog heel goed, want in de sombere hal barstte ik opeens van angst in huilen uit, overvallen door zoveel onverhoedse onzekerheid en bedreiging. Ik had een melkwagen voor mijn vierde verjaardag gekregen en die liet ik er pardoes uit mijn handen vallen. De melktonnetjes, wit met een blauwe sticker die de letter M voorstelde, tuimelden over de grijsbruine plavuizen vloer. Het maakte in mijn oren een oorverdovend geluid. Toen moest ik mee aan de hand van de juffrouw, terwijl ik over mijn schouder keek naar m’n zwaaiende mamma. Ze liet me mooi stikken! Daar was ik later die dag, toen ik samen met Frans thuiskwam, nog kwaad om. ‘Doe toch eens niet zo driftig!’ riep moeder, ‘ik heb zes kinderen. Je kan me niet in je eentje hebben, hoor,’ en ze nam een trekje van haar sigaret. Annie was op bezoek en ze rookten samen graag een sigaretje. Eentje of twee, dat kon geen kwaad volgens Annie, die moeder soms een handje hielp in de huishouding. Meestal hadden ze ook allerlei huishoudelijke dingen te bespreken – vooral het gedrag van vader. Zo’n gesprek begon meestal vrolijk en zelfs lacherig, om te eindigen met een huilbui van mamma. Ook deze keer hadden ze een hoop te kletsen. Maar ik mocht wel even vertellen hoe het was, mijn eerste schooldag. Nou, daar had ik mooi geen zin in, riep ik woest. ‘Want waarom bent u zomaar weggelopen?’ wilde ik weten. ‘Ik ben niet zomaar weggelopen,’ antwoordde moeder met een zucht. ‘Ik moest weg. Van de juffrouw. Zo gaat dat.’

‘Ik vind het gemeen!’ riep ik.

‘Het is niet gemeen. Het is zoals het is.’

‘Wat bedoelt u daar nou mee?’

‘Nou, dat het niet anders is.’ En vervolgens richtte ze zich, zichtbaar moe van mijn opstelling, doodleuk tot haar hulpje Annie. ‘’t Is soms net z’n vader,’ zei ze. Dat was wel zo ongeveer het ergste wat ze van je kon zeggen. Zeker als zij het zei, met de manier waarop. Mijn vader: de duivel in persona was er niks bij.

Maar dit pikte ik niet, o nee!

Terwijl zij weer druk in gesprek waren, pakte ik voorzichtig de asbak op en draaide me om. Ze hadden niks in de gaten, zo druk zaten ze te kleppen. Ik liep er de paar stappen mee naar een hoekje van de kamer en draaide me opnieuw om, maar nu vliegensvlug en op de manier van een honkballer. Ik strekte mijn arm uit en liet de asbak in een rechte lijn door de kamer vliegen, pal op mijn moeder af.

Het glazen ding miste haar op een haartje. Het knalde tegen de muur uit elkaar.

Annie en moeder verstijfden van schrik, ik zag het ze denken: wat was dat nou? En toen zagen ze mij daar staan in dat hoekje van de kamer. Hun monden vielen open, ze konden hun ogen niet geloven.

‘Ben jij nou helemaal?...’ zei moeder bijna apathisch.

Annie sloeg haar hand voor haar mond. ‘Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt,’ fluisterde ze. Even dacht ik dat ze in lachen uit zou barsten. Maar ze hield zich in.

‘Kom hier,’ blafte mamma. ‘Ben je nou belatafeld… Wat bezielt jou?’ Haar ogen spoten vuur. Het was beslist de liefste moeder van de hele wereld, en makkelijk had ze het ook zeker niet, maar als ze kwaad werd, werd ze ook echt kwaad. ‘Maar zo zijn we niet getrouwd!... Meekomen!’ Ze wilde me in de keuken hebben, het was haar min of meer afgezonderde lievelingsplek om deze of gene eens hartig toe te spreken. Nu was het mijn beurt. Ik droop af, met m’n hoofd tussen mijn schouders. Het was vanzelf gegaan, dat gooien met die asbak. Of nou ja: zo leek het wel. Ik deed het ook voordat ik er erg in had. Maar hoe ging ik dat uitleggen?

Ze liep vlak achter me aan en ik voelde haar briesende adem in mijn nek.

Ik kreeg de kans niet om iets uit te leggen, ze begon meteen te slaan en te meppen. Wóédend was ze. ‘Waar heb ik dit aan verdiend!’ gilde ze. ‘En in het bijzijn van Annie nog wel! Je schaamt toch je oren van je kop! Is je vader in jou gevaren of zo? Heb ik soms niet genoeg ellende aan mijn hoofd, he, rotjoch?’ Ze sloeg me in haar drift de keuken uit. Met mijn opgeheven armen probeerde ik de klappen op te vangen en ik deinsde telkens een paar stappen achteruit. Tot ik tegen de muur van de doorgang stond en geen kant meer op kon. Ik maakte me kleiner en drukte mijn kin tegen m’n borstkas. Ik zonk ineen.

En toen begon ze me daar toch te schoppen. Nog een geluk dat ze pantoffels aan had. Maar voelen deed ik het wel.

Het was Annie die me bevrijdde. ‘Zo is het wel genoeg, mevrouw Van Hargen,’ zei ze terwijl ze m’n moeder bijna d’r schouders beetgreep. ‘Straks doe je hem nog wat aan…’

‘Ik moet wel, want Adri doet niks,’ piepte mamma toen huilerig. Ze was opgehouden met schoppen en verborg haar gezicht in haar handen. ‘Ik sta overal alleen voor. Met zes kinderen, da’s niet niks, hoor. Vijf van die jongens, die je soms het bloed onder je nagels vandaan halen…’

Ze begon echt te janken en viel in de armen van Annie, die verlegen met de situatie helemaal rood aanliep. ‘Toestanden!’ dat zei moeder graag en dat zou nu volledig terecht zijn. Maar ze zei niks.

Annie probeerde wat troostende woorden: ‘Engeltjes zijn soms ook bengeltjes, mevrouw Van Hargen, dat weet u beter dan wie ook.’ En ze voegde er, toen moeder niet reageerde, aan toe: ‘Zo is het maar net.’

Opeens keek mamma me weer aan en ze verhief haar wijsvinger: ‘En ik zal het morgen ook tegen de juffrouw zeggen. Want dit pik ik niet.’

Nou, zoveel was wel duidelijk.

Ik zag mijn kans schoon en droop af.

Later, toen Annie weg was, had mamma kennelijk spijt dat ze zich in haar frustratie en woede zo had laten gaan. Ze omhelsde me en overlaadde me met lieve kussen. Ze begon zelfs een beetje te grienen. ‘Oké, ik zal het niet tegen je vader zeggen en ook toch maar niet tegen je juffrouw. Dat beloof ik. Dit blijft tussen ons. Maar waag het niet nog een keer… Ik snap het ook niet, je bent anders zo’n lieve jongen. Echt, je bent een lekkere knul…’

Ik wist niet hoe gauw te zeggen dat ik het echt helemaal nooit meer zou doen.

De dagen erop hield ik me gedeisd en liet ik ook geen traan meer als ze zich in de hal van de school omdraaide en wegging. Ik slikte dat bittere zout wel weg. Maar minder verdrietig was ik er niet om.

M’n broers waren danig onder de indruk. Dat ik dat durfde, een asbak naar mamma gooien. En waarom eigenlijk? Met mamma was toch weinig mis? Iedereen vond onze moeder heel aardig en dat was ze ook. Ze liep over van liefde, dat zag je zo. Wat ze allemaal niet voor ons deed! Alles! Maar verder vonden m’n broers het wel van mijn lef getuigen. Ik was een beetje in aanzien gestegen in de pikorde thuis. Nou, dat was tenminste iets.

De volgende keer:

Rotjes en atoombommen

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 17 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 18 van Zes broers en een zus

Het CPNB neemt Hebban.nl over

Het CPNB neemt Hebban.nl over


Na een jaar nauw samenwerken met Hebban.nl neemt het CPNB, Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, het lezersplatform over. Het is de bedoeling dat Hebban.nl een apart onderdeel van het CPNB gaat worden. De in 2014 gestarte website van Hebban groeide snel uit tot een van de belangrijkste lezers platformen in Nederland. Met inmiddels meer dan 200.000 leden heeft het platform een groot aantal lezers aan boeken kunnen helpen. Dat is namelijk, net als van het CPNB, de grootste doelstelling van het platform. Zoveel mogelijk Nederlanders aan het lezen krijgen met boeken die hen raken en inspireren.

 

In 2021 gaat deze samenwerking dus verder met een officiële overname. Hebban blijft lezersacties aanbieden en juist door de nauwe samenwerking zullen deze nog beter zijn afgestemd op de andere campagnes van het CPBN. Denk hierbij aan reading challenges, boekennieuws, recensies en boekenclubs. Veel van deze activiteiten produceert Hebban nu al, maar zullen nu gecombineerd worden met de andere werkzaamheden van het CPNB. 

 

Lees hier het volledige bericht over de overname. 

 

--

Door Renske Bakkenes

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 18

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 18


Oudejaarsdag: vader’s auto wassen & de vlam in de pan

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

De dagen erop regende het vrijwel aan één stuk. We verveelden ons te pletter en gingen elkaar daardoor treiteren, wat vaak op een vechtpartij uitliep. Moeder werd gek van ons. Af en toe kreeg een van ons een draai om z’n oren. En als het even kon stuurde ze ons de straat op. ‘Buitenlucht is goed voor jullie. En kijk uit met die rotjes. Die rot-rotjes.’

Oudjaarsdag was al helemáál haar dag niet. Ze had een hekel aan oliebollen bakken, aan de stank, het gedoe. ‘Dan haal ik wel oliebollen,’ had vader aangeboden, maar dat wilde ze niet. Dat kostte geld en het was bovendien haar eer als huisvrouw te na.

Het was op een zaterdag, het was droog maar waaide flink en vader wilde die middag ook nog eens de auto wassen, de Daf, zijn trots. En wij jongens moesten helpen. Om een en ander in goede banen te leiden bood ik mijn hulp aan, ik zag de bui al hangen. Frans ook. Mirjam ging met Geerie boven op het bord letters krijten, wat moeder een goed idee vond want zijn motoriek was niet je van het. Johan voelde zich niet lekker en lag op bed, Pim was de hort op, die trok altijd zijn eigen plan.

Moeder had de twee kommen met beslag, een met en een zonder rozijnen, bij de kachel gezet om te rijzen. Kruidenier Kroon had de spullen gebracht en liet ook een zak soesjes achter. Het kon slechter.

Frans en ik kregen allebei een borstel om het ergste vuil van vooral de onderkant van de auto weg te vegen. Vader zelf ging in de auto zitten en rommelde in zijn papieren. De hele auto lag bezaaid met paperassen en oude kranten. Het was een rijdend kantoortje, een chaotisch kantoortje, hij was altijd papieren kwijt en er lagen ook meestal plastic zakjes met beschimmelde boterhammen. Elke ochtend maakte moeder boterhammen voor hem klaar, maar hij vergat ze soms. Zei hij. Zij wist wel beter: dan ging hij zeker weer ergens een kroket eten of een paar Marsen – er lagen ook altijd wel een paar Mars-wikkels in de auto. Dan lachte hij maar wat, ondeugend, ontwapenend zelfs, en moeder haalde haar schouders op.

Toen we klaar waren inspecteerde hij onze verrichtingen. Niet slecht, maar het kon beter. Nou, ga nu maar een emmer sop halen. Dus wij sop halen.

Stond moeder daar in de keuken. ‘Deur dicht!’ riep ze. De pan met vet stond op en zij wilde niet dat de baklucht de huiskamer in dreef en in de gordijnen ging zitten. ‘De voordeur ook?’

‘Nee, niet de voordeur, want dan wordt je vader weer boos.’

We waren op onze hoede.

‘Doe die emmer niet zo vol, anders knoeien jullie en dan wordt ie te zwaar. En doe er niet te veel sop in want dat kost alleen maar geld.’

Frans en ik sjouwden met ons tweeën de emmer via de huiskamer door de voordeur naar buiten.

‘Zo, zijn jullie daar,’ zei pa en stak zijn hoofd uit het wagentje. ‘Maar wat zit er weinig water in de emmer. En je moet er meer sop in doen. Jullie kunnen ook niks.’

‘Maar mamma zei…’

‘Wie wast hier nou de auto? Nou, beginnen maar. Eerst het dak.’ Hij boog zich weer over z’n papieren, hij had een pen in zijn hand.

Het water was te heet en Frans en ik wisten ons geen raad. Daar had je het al: ‘Wat staan jullie nou te dralen? Ik moet zo nog even een paar krantjes wegbrengen…’

‘Het water…’

‘Ja? Het water. Inderdaad, sòp kun je het niet noemen.’

‘Het is nog te heet.’

‘Ach, jullie met je kleine vingertjes ook. Stelletje tutjes.’

We pakten onze borstels aan het uiteinde van de steel en spatten het water boven het dak uit zodat de damp ervan afsloeg. Best leuk werk. Alleen konden we het midden van het dak niet bereiken, hoe hoog we ook op onze tenen gingen staan.

‘Misschien merkt ie het niet,’ fluisterde Frans.

Om het midden toch te bereiken plensden we de natte borstels over het dak uit. Het water droop er aan alle kanten af. Dat flikten we hem toch mooi.

‘Hee!’ riep vader. ‘Kunnen jullie niet uitkijken, alle papieren worden nat! Stelletje koekenbakkers ook.’ Hij stapte uit met een schrift in zijn hand, de pen zat nu in zijn mond. De harde kaft van het schrift was doorweekt. Vader was rood aangelopen en zei iets, een vloek. De pen viel op de grond en belandde in het overtollige lekwater. ‘Ook dat nog! Ik kan ook niks aan jullie overlaten! Moet je ’ns kijken. Mijn kilometerboek! Helemaal zeikie! Daar kan ik straks niet mee aankomen op de administratie! Nou, dan kan ik wel naar m’n centjes fluiten. Jullie worden bedankt.’ Hij smeet het schrift op de stoel en raapte de pen op. ‘Ook kaduuk. Godverdomme…’

Frans en ik stonden er bedremmeld bij. We deden toch ons best?

Hij beende naar binnen en keerde terug met een andere pen. Hij keek ons strak aan en vroeg bestraffend: ‘Wat moet ik nou met dat schrift?’

We keken naar hem met grote ogen van schuldbewustzijn.

‘Sjezus nog an toe… Wat staan jullie me daar aan te gapen? Dachten jullie dat benzine gratis was? Nou, niks is gratis, dat kan ik jullie wel vertellen. Ik zal jullie spaarpotten omkeren. En zeg maar niks tegen je moeder, want dan eh…’

We wisten niet wat we moesten doen.

‘Komt er nog wat van? Hup, een nieuwe emmer halen. Met sòp. Stelletje klunzen.’

Wij weer naar binnen, ik met de lege emmer in m’n hand. Frans opende de tussendeur naar de keuken. Daar was moeder begonnen met bakken. Ze liet net het deeg met een juslepel in het vet belanden. ‘Déúr dicht!’ snauwde ze. Met een ruk trok Frans de deur dicht en riep meteen ‘Au!’. Zijn vinger zat ertussen. Hij gilde het uit.

‘Doe dan ook niet zo wild! Kom hier, laat ’ns kijken.’

Ik zag spatten deeg van de lepel op de grond kwakken. Gelukkig zag moeder dat niet. Ze lette helemaal niet op die lepel in d’r hand.

Huilend hield Frans zijn vinger omhoog.

‘Cor, doe de deur dicht. Voorzichtig!’

Ze boog zich over Frans’ vinger. ‘O, dat valt wel mee. Dat gaat vanzelf wel weer over. Zo, een kusje erop en klaar is Kees.’

‘Nee, helemaal niet,’ kermde Frans, ‘het doet pijn!’

‘Zeg, stel je ’ns niet zo aan!’

‘Ik ga helemaal niet meer autowassen!’ riep mijn broer. Jankend opende hij de keukendeur naar het achtertuintje en rende weg, de schuur in.

‘Deur dicht!’ riep moeder, ‘ik sta hier in de tocht met dat raam open.’

Ik wist niet hoe snel ik die deur moest sluiten. En toch voorzichtig.

‘Nou Cor, dan moet jij het maar doen.’

Slik. De hele auto? Maar wat zat er anders op?

‘Wat is je vader eigenlijk aan het doen?’

‘Die is bezig met papieren.’

‘O, het zal eens niet zo zijn. Zeker weer wat kwijt?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hè verdomme. Uitgerekend vandaag moet die auto gewassen. Nou, neem nog maar een soesje – niet tegen de anderen zeggen – en pak maar wat water.’

‘De emmer moet voller van pappa.’

‘Nou, dan komt ie het zelf maar doen.’ En toen riep ze: ‘De oliebollen!’ Ze draaide zich fluks om en keek in de pan. ‘Allejezus nog an toe! Helemaal verbrand!’ Ze had het nog niet gezegd of de vlam vloog in de pan. Vloehmm! Nog een geluk dat ze haar gezicht niet verbrandde. Het was op het randje. ‘Ik word gèk!’ riep ze en ze wist van narigheid en paniek niet wat ze moest doen. Op het plafond boven de pan ontstond algauw een zwarte plek. Toen kreeg ze weer de tegenwoordigheid van geest en draaide het gas uit en al even gezwind legde ze de deksel op de pan. ‘Zo,’ sprak ze, opmerkelijk kalm, ‘uit.’ Ze zuchtte. ‘Maar moet je dat plafond eens zien.’ De tranen sprongen in haar ogen. ‘Wat een gedoe ook allemaal…’ Ze schokschouderde, probeerde zich in te houden en beet op haar lippen. De hele keuken was gevuld met rook. Ik keek naar haar met intens medelijden. Zo ging het nou altijd. Nooit ging er iets echt helemaal goed. Hoe deden ze dat toch bij anderen? Waarom ging bij ons thuis toch altijd alles mis?

Ik was op van de zenuwen, zeker als ik dacht aan vader. Die stond natuurlijk ongeduldig te wachten tot wij weer op kwamen dagen met een emmer sop. Nou, Frans liet zich niet meer zien en ik wilde ook het liefst verdwijnen.

‘Doe de deur naar buiten maar open,’ zei mamma toen met zachte stem en opnieuw heel kalm eigenlijk. Ze zuchtte. ‘En nou moet ik nieuw vet gaan halen. Ook dat nog. Pak jij maar een emmer sop. En zeg alsjeblieft maar niks tegen je vader, het hele huis had wel in de fik kunnen vliegen. ’t Is eigenlijk nog goed afgelopen.’

Nou, daar dacht ik toch wel anders over. Maar goed, zij zei het.

Ze ging haar jas halen en met tranen in mijn ogen liet ik de emmer weer vollopen. Min of meer stiekem deed ik wat meer zeep erbij, maar ook weer niet zoveel dat het moeder zou opvallen als ze straks voorbij liep. Het was schipperen geblazen tussen die twee, tussen mamma en pappa. Ik vergat ook niet die spatten deeg op de vloer even weg te vegen die mamma niet gezien had. ’t Is eigenlijk nog goed afgelopen, echode het in mijn hoofd. Ik schudde die woorden erin weg.

Ik treuzelde een beetje totdat moeder weg was. Daarna deed ik er nog wat extra water bij, niet te heet, en sjouwde de emmer met al mijn kracht via de huiskamer naar de voordeur. In de kamer liep ik heel langzaam om maar niet te knoeien en het vloerkleed nat te maken. Dat konden we er niet bij hebben. Ik concentreerde me enorm op m’n klus, boos op Frans die me liet stikken.

‘Hèhè,’ zei vader. ‘Waar heb je dat water gehaald? Bij de dorpspomp? Je mag blij wezen dat je niet in Afrika woont. Weet je hoe ver die kinderen daar moeten lopen voor een beetje modderig water?’

Ik gaf wijselijk geen antwoord.

‘Zo en nu mag je dan de ruiten doen en dan de motorkap en de achterkant. Doe maar niet met de borstel maar met een doek, anders krijg ik dadelijk krassen.’

‘Maar ik heb geen doek.’

‘Dan ga je er een halen. In Swahili of zo. Of bij ome Gerlof in de Congo.’ Hij vond zichzelf kennelijk erg grappig, zo zat ie te lachen. ‘O nee, die zit tegenwoordig op Ceylon. Met z’n kop in de zon. Met die grote kop van hem…’

‘Wat voor doek?’

‘Wat voor doek? Wat denk je? Een theedoek? Of een zakdoek misschien? Zakdoekje leggen, niemand zeggen… Moet ik jullie nou alles voorkauwen?’

Dat kon hij wel vinden, maar ik wist toch echt niet wat voor doek ik gebruiken kon. Dadelijk was het toch weer de verkeerde, dat zal je altijd zien. ‘Een poetsdoek misschien?’

‘Een poetsdoek. Hoe kom je erop? Heel knap.’

‘Zo een als in de keuken ligt?’

‘Ja, gebruik maar een doek zoals in de keuken ligt, op het aanrecht. Een goeie dweil is ook goed. Beter zelfs.’

Aha, hij wist het zelf ook niet precies! Ik ging een dweil halen, die wist ik wel te liggen, in het schoonmaakkastje, het heiligdom van moeder.

Het water was niet te heet, precies goed en het sop rook lekker. Het wassen kalmeerde me, ja, ik vond het best een leuk karwei. Vader zat in de auto met de deuren dicht. Hij frummelde onrustig in al die papieren. Zeker weer wat kwijt, zoals moeder al veronderstelde.

Met een nieuwe emmer schoon sop begon ik aan de wieldoppen en daarna, op aanwijzingen van pappa, aan de onderkant. Dat moest weer met een borstel. ‘Als je klaar bent, krijg je een oliebol,’ grapte hij. Het warme water was wel zo aangenaam, want ik begon het koud te krijgen. Maar de auto glansde. Ik was er best trots op en vader vond ook dat ik het goed gedaan had.

‘De auto is schoon!’ zei ik tegen moeder die weer in de keuken bezig was.

‘Mooi zo, jongen. En laat mij nu verder maar met rust. Ga Frans maar zoeken buiten. Die zal wel ergens op straat aan het voetballen zijn. Ga zelf ook maar voetballen. Straks zijn er oliebollen.’

De volgende keer:

Vader: de duivel in persona – en Cor is, zegt moeder, al ‘net zo’.

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 17 van Zes broers en een zus

Ronald Giphart schrijft afscheidsboek directeur Hof van Saksen

Ronald Giphart schrijft afscheidsboek directeur Hof van Saksen


Vorige week verscheen van schrijver Ronald Giphart het boek Gast! over het Landal GreenPark Hof van Saksen in Drenthe. Veel over het boek is er nog niet te vinden. Op de Wikipediapagina van Giphart nog geen woord over het nieuwe boek. Ook op zijn eigen website niet. We vinden op twitter een foto van de achterflap en daar lezen we: “Gast! Beschrijft de metamorfose van Hof van Saksen nadat het begin 2012 wegens gebrek aan belangstelling moest sluiten. Verteld wordt met welk elan de nieuwe eigenaar, de nieuwe manager en de honderden medewerkers het prachtige maar zielloze resort nieuw leven inbliezen, en hoe ze de harten van de gasten wél wisten te winnen.”

Centraal in het boek staat de vorige week afgezwaaide directeur Roland Rozenbroek. Hij is er verguld mee. Hij laat aan een voormalige opperbaas van Landal op twitter weten: “[…] wat een geweldig afscheidscadeau en wat mooi dat het aan alle medewerkers van Hof van Saksen is opgedragen. […] Ronald Giphart heeft op een heerlijke uitdagende toon het succes van ons allemaal fantastisch verwoord.”

Vermoedelijk gaat het om een betaalde opdracht voor Giphart en je kunt afvragen door de stilte van Giphart over het boek, of hij zich schaamt. Dat lijkt me nou niet nodig. Het is algemeen bekend, om de bekende uitdrukking uit het satirische programma Promenade maar eens te gebruiken, dat er nauwelijks Nederlandstalige schrijvers zijn die van de pen kunnen leven. Ze moeten bijklussen met columns en artikelen. Nu door corona allerlei betaalde optredens niet doorgaan is het extra lastig. Er is niet mis mee dat schrijvers dit soort klussen doen. Ik ben eigenlijk wel benieuwd naar dit boek. Ik liep een paar jaar geleden tijdens het wandelen van het Pieterpad langs het Hof van Saksen, het leek me er een troosteloze bedoening, maar ik kan me vergissen. Hoe kijkt Giphart tegen het Hof aan? Roemt hij de keuken daar, de man heeft immers ook verstand van koken, en hoe duidt hij dit soort resorts? Wat vindt hij van het fenomeen directeur? Het lijkt me heerlijk om te lezen. En als je dan toch een gelegenheidsboek wilt laten schrijven, waarom dan niet door een echte schrijver die geroemd door zijn taalgebruik en opmerkingsgave er vast iets bijzonder van weet te maken?

Ook vragen we ons af: is het boek voor het brede publiek beschikbaar? Bij Bazarow is het (nog?) niet te verkrijgen en bij de concullega’s ook niet. Gebeld deze vroege morgen naar het Hof van Saksen levert ook nog geen informatie op. De dame aan de telefoon wist te vertellen dat zij een exemplaar had ontvangen, het boek is immers opgedragen aan de medewerkers. Maar verder wist ze er niets van. We worden teruggebeld.

--

Tot zover uw verslaggever in Drenthe, Roeland Dobbelaer.

Wat wordt de beste vrouwenthriller van 2020? Stemmen kan nu

Wat wordt de beste vrouwenthriller van 2020? Stemmen kan nu


Sinds gisteren kan men stemmen op de beste vrouwenthriller van 2020. De regels zijn als volgt. De thriller moet in 2020 verschenen zijn en Nederlandstalig zijn. Daarnaast moeten de boeken minimaal vier of meer sterren hebben ontvangen. Het is mogelijk om meerdere boeken in de longlist op te geven voor de shortlist, wel is stemmen maar een keer per email adres mogelijk. 

De titel “beste vrouwenthriller” is een iniatief van vrouwenthrillers.nl, een website die zich volledig richt op psychologische en literaire thrillers die vooral een vrouwelijke doelgroep aanspreken. Het is echter niet zo dat alleen vrouwen deze boeken lezen of dat de auteurs allemaal vrouwelijk zijn. Vaak gaat het op sterke en herkenbare personages die in spannende situaties terecht komen. De website legt de nadruk op de breedste definitie voor vrouwenthrillers. Volgens de organisatoren is dit genre voor iedereen. 

Stemmen voor de shortlist kan tot 17 januari waarna de shortlist verschijnt. De shortlist zal uit tien titels bestaan en het is tot 24 januari mogelijk om te stemmen op de winnende titel. Na 24 januari wordt de winnaar zo snel mogelijk bekend gemaakt. 

 

Bekijk hier de de longlist en stem


--
Door Renske Bakkenes

Hoe zijn de schrijvers in Nederland en Vlaanderen aan het nieuwe jaar begonnen? En hebben ze een beetje hoop dat 2021 een goed jaar wordt?

Hoe zijn de schrijvers in Nederland en Vlaanderen aan het nieuwe jaar begonnen? En hebben ze een beetje hoop dat 2021 een goed jaar wordt?


Hoe brachten onze literaire helden oud en nieuw door? En hebben ze een beetje hoop op een goed 2021? Bazarow deed een rondgang op twitter en facebook.

Laten we positief😊 beginnen. Arnon Grunberg retweette een bericht van Samantha Rose Hill @Samantharhill: "I wish you benevolent demons for the New Year." Een citaat van de filosoof Walter Benjamin uit 1926.

Jan van Mersbergen postte op Facebook een foto van zijn broekriem met een hamer. “Goede voornemens”. De schrijver gaat aan de lijn doen. Wij dachten altijd dat hij een redelijk afgetrainde schrijver was. En hij blijft voorlopig bij Cossee. De voorspelling door Tzum van een jaar geleden dat Van Mersbergen zou overstappen naar De Bezige Bij is nog niet uitgekomen, zo laat hij weten.

Rob van Essen kreeg koffie op bed van zijn geliefde Lize Spit: “Koffie op bed van de liefste, gelukkig nieuwjaar iedereen.”

Een serieuzere noot, hoe kan het ook anders, van filosoof en denker des vaderlands Daan Roovers. Zij keek vooral terug op 2020: “Ik hoop dat we terugkijken op 2020 als het jaar waarin het kortetermijndenken definitief failliet bleek, en we langzaam weer oog kregen voor de lange termijn...” 

Griet op den Beeck plaatste foto’s van haar hond: “Soms ziet liefde en hoop er ook zo uit.” We rekenen dit goed als Nieuwjaarsgroet.

De kersverse schrijver Marc Schoorl was vooral bezig met zijn trilogie. Op oudjaar schreef hij op facebook: “40 jaar lang ging ik zwanger van een mooi monster. Het grote ei dat mijn trilogie is, is in pak ’m beet 10 jaar gelegd: circa 1800 pagina’s in boekvorm. De ontsluiting verliep aanvankelijk tergend traag, maar daarna klapte de cloaca echt open. Of er nu ook een mooi jong uitgekropen is, dàt is aan de lezer.”

Hans Vervoort plaatste een foto met daarop twee wat oudere mensen en de tekst “Hans en Maja Vervoort wensen je een mooi 2021”. Om misverstanden te voorkomen zei Hans erbij: “Vooruit dan maar. Hier onze kaart. En nee, we zijn het niet zelf. Gewoon twee oudjes, zo te zien nog redelijk monter, op weg naar het Grote Niets.”

Geen Nieuwjaarsgroet van Özcan Akyol, wel zijn commentaar op de jaarwisseling: “Vuurwerkverbod. Hahaha.”

Ook van Robert Vuijse geen nieuwjaarswensen, maar die had een ander feestje te vieren: “Eindelijk getrouwd,” postte hij op 26 december op twitter met een foto van hem en zijn geliefde.

Alleen Jeroen Olyslaegers had, voor zover ons kleine onderzoek laat zien, een opmerking over de wat lastige kanten van onze huidige staat van leven: “Gelukkig Nieuwjaar, iedereen!” schreef Jeroen op 1-1 op Facebook: “De afstand heeft me dieper doen voelen gisterenavond. De Nimf en ik waren met ons 2 en het was eigenlijk romantisch. We hebben gegeten en geklonken in de keuken, hartkamer van dit huis. Ik heb mijn familieleden en vrienden voor de geest gehaald en ze fonkelden allemaal, gelijk juwelen die ge hebt bewaard en nogmaals goed bekijkt in het licht. Dat deed deugd. Héél veel liefde voor iedereen. En nu ga ik terug naar mijn winter van boeken en de Nimf. XxX”

Tot slot nog enkele mooie nieuwjaarswensen:

Désanne Van Brederode: “Ik wens iedereen een verbeeldingsvol, innig en vurig 2021!”

Splinter Chabot: "Sterretjes mochten wel toch? Iedereen een schitterend, glitterend, huppelend, spannend, spectaculair, liefdevol en (hopelijk uiteindelijk) knuffelend nieuwjaar!!!"

Roos Schlikker: "Goedemorgen! Ik ging geloof ik best lekker gisterenavond. Dansende vrouw. Ik wens jullie allen een heel fijn zalig 2021 met veel eigenaardige dansmoves!”

En de grappigste tweette Saskia Noort: “Zo jongens, ik ga in slokdown. Gelukkig Nieuwjaar!”

Samenvattend mogen we concluderen dat de meeste schrijvers in onze lage landen zich weinig zorgen lijken te maken over 2021, ze waren net als de gewone stervelingen gewoon feest aan het vieren.

We wensen iedereen een goed en gezond 2021! En laten we besluiten met de nieuwsjaar groet van veellezer Jurgen Timmermans (132 boeken in 2020!): "Twintig-eenentwintig dan maar. Mooier en fijner en beter en blijven lezen, hè."

--

Redactie Bazarow / De Leesclub van Alles

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 17

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 17


De dokter op bezoek. En een echtelijke ruzie. Maar niet heel echt, dit keer

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

Onze dokter, Westerbaan heette hij, was zeer geliefd. Hij kwam af en toe ook zomaar even langs. Om te kijken hoe het ging, zei hij dan. En dan dronk hij een kopje thee met onze moeder. De eerste de beste keer dat hij bij ons aan huis kwam was met de bevalling van Pim, bij Mirjam d’r geboorte was zijn voorganger erbij geweest, een kleurloze man, vakkundig, maar saai. Pim wilde er niet uit, hoe symbolisch! Z’n hoofd was te groot. De dokter heeft staan sjorren en trekken tot hij erbij neerviel. Letterlijk. Het duurde uren. En toen het joch er eenmaal uit was, is de dokter op de vloer gaan liggen om bij te komen.

En moeder gaf geen kik. Nu ja, bij wijze van spreken dan. Ze zal best wel gekermd hebben, maar Westerbaan liet nooit na zijn bewondering voor haar volharding te uiten. Hij èn zijn collega’s, dat verzekerde hij, hadden nog nooit zoiets meegemaakt. Ze had natuurlijk in het ziekenhuis moeten bevallen, maar dat was achteraf gepraat. En al haar volgende kinderen werden trouwens ook thuis geboren.

De enige die het echt niet kon verdragen, was vader. Die is de krant gaan lezen.

‘Je bent toch niet weer zwanger, he, mevrouw Van Hargen?’ vroeg Westerbaan vaak. ‘Het is wel goed zo, met die zes kinderen van je. Ik kan je er bij helpen, he?’ Dan volgde een veelbetekenende knipoog.

‘Dat hoeft niet, dokter. Dank u.’ Moeder klaagde nooit en verzekerde de dokter dat alles in kannen en kruiken was. Soms, heel soms, brak ze en begon ze te jammeren, om plots en even onverwacht haastig op te staan en te zeggen dat haar huishouden wachtte. Hoofdschuddend verliet de dokter dan ons huis. Onder protest. En met de belofte dat hij morgen wel weer even aan zou komen. Maar daar had de beste man een veel te drukke praktijk voor. Zeker met onze vader erbij.

‘En Adri?’ vroeg hij vaak, ‘gedraagt die zich de laatste tijd nog een beetje?’

‘Het gaat,’ antwoordde moeder steevast en ietwat lijzig. ‘Het gaat.’

Hij had altijd goede raad, die dokter met z’n kalende kop. Hij vroeg ons één voor één of er nog wat was, want, wist hij, er is altijd wel wat, maar bijna alles ging vanzelf wel weer over, dat verzekerde hij ons – waarschijnlijk had moeder die woorden en dat geruststellende toontje van hem overgenomen, omdat het zo goed hielp. Wij, de kinderen, waren altijd rustiger als de dokter langs was geweest, dat viel moeder wel vaker op. Later dacht ik soms wel eens dat zij verliefd op hem was, maar daar heb ik nooit een bewijs van gezien, toch zou het helemaal niet zo gek zijn. Die dokter was in bijna alles de antipode van onze vader. Rustig, kalm, vriendelijk, en in anderen geïnteresseerd. Hij woonde in een grote villa aan de Prinses Marielaan. Als je daar kwam was je meteen onder de indruk. Die man moest wel razend knap zijn! Zelfs mijn vader vond hem sympathiek. Nu had vader toch wel ontzag voor artsen, omdat ze zo geleerd waren en, belangrijker, een eind met hem meedachten en luisterden. Maar als vader thuis was bleef dokter Westerbaan nooit lang. Zoals niemand langdurig met m’n vader wilde verkeren, ook wij niet, maar wij hadden nu eenmaal de pech dat we met hem in huis woonden, zijn kinderen waren. Een voorbeeldige huisarts was het, onze dokter Westerbaan. Toch is het niet goed afgelopen met hem. Nog geen vijftig jaar oud kreeg hij kanker en moest er een been afgezet worden. Hij verhuisde naar Canada en verloor daar aan dezelfde ziekte ook zijn andere been. Nee, niet alles ging vanzelf weer over. Onze moeder wilde het er niet over hebben. Het deed haar zichtbaar verdriet.

 Mirjam babbelde wat met tante Tonnie – het ging volledig langs me heen.

Ik heb een shock gehad, kon ik alleen maar denken. Maar dat was geweldig, iets unieks. Ik voelde me altijd al speciaal, specialer dan de anderen, maar dit was een bevestiging, dit namen ze me niet meer af. Nu had ik een keer de touwtjes in handen! Als iedereen een vorm van toneel speelde, nou, dan waren ze nog niet klaar met me. Ik speelde geen toneel, ik was echt, honderd procent echt. Ik zou ze de stuipen op het lijf jagen. En ik maakte er een verhaal bij. Ik zou ze allemaal wel eens vertellen hoe het werkelijk in elkaar stak. Mij konden ze niet langer voor de gek houden!

‘Kom je weer mee naar huis?’ vroeg m’n zus. ‘Mamma is weer oké en rustig. Er is nu niks meer aan de hand.’

‘Nee, ik blijf nog even hier.’ Ik was ergens bang dat mamma boos zou zijn dat ik een heisa gemaakt had.

‘Dat is goed, hoor,’ zei tante Tonnie.

Pas een uur, twee cola en nog een bakje chips later, toen hun vader ome Jan thuiskwam, ging ik ervandoor. Ome Jan wankelde een beetje, keek glazig uit z’n ogen en brabbelde onverstaanbare woorden. Dat vond ik een beetje eng, ook al was hij de vriendelijkheid zelve. Hij had ook meteen weer een mop paraat. Over een Fransman, een Belg en een Duitser, die mochten zeggen waar ze een zwembad mee wilden vullen. Met champagne! riep de Fransman en nam een duik in de bubbels. Met bier, zei de Belg en dook in het schuimende vocht. Dat wilde de Duitser daarna ook wel, maar hij gleed uit op de rand van het zwembad en riep: Scheisse!...

Ome Jan moest er zelf langdurig om grinniken en z’n ogen werden er helemaal vochtig van. Die grappen deed hij in de kroeg op.

Mamma was niet boos, integendeel zelfs. Ze omhelsde me en gaf me een dikke zoen. ‘Ik liet me even gaan,’ sprak ze, ‘maar het ging vanzelf weer over. Heb ik je zo laten schrikken? Je hoeft niet bang te zijn. Waarom zou je bang zijn? Ik ben er toch, gekkie?’

‘Ik heb lekker cola en chips op,’ zei ik.

‘Dat dacht ik wel,’ klonk het zo neutraal mogelijk.

Toch eindigde die dag nog in mineur. Vader kwam thuis toen wij al op bed lagen en dat zinde moeder niet. ‘Op tweede kerstdag, ben je helemaal?! We hebben een gezin hoor, en die jongens hebben een vader nodig… Je gaat altijd maar de hort op. Lekker makkelijk!’

‘Ach wat, ik ben altijd aan het werk!’

‘Op tweede kerstdag?’

‘Nee, vandaag niet. Mag ik ook eens een keertje?’

‘En ik dan? Ik zit altijd met die jongens. Hoe denk je dat dat voor mij is?’

‘Je geeft meer om de jongens dan om mij. Altijd de jongens…’

‘Vind je het gek?’

‘Dus het is zo! Je ontkent het niet eens!’

‘Ach man, met jou valt niet te praten…’

‘Daarom vind je het ook fijner als ik weg ben. Ja, geef het maar toe!...’

Ik wilde het niet horen, maar hun twee stemmen botsten in mijn hoofd en dat deed pijn. Ik was meteen klaarwakker en sloop de gang op. Boven aan de trap ging ik met opgetrokken knieën en eigenlijk tegen mijn zin zitten luisteren. Raar vond ik dat ergens, dat ik het dan toch deed, maar ik moest weten wat er speelde, anders zou ik de situatie ook nooit kunnen bezweren, want daar was ik op uit, al wist ik absoluut niet hoe: bidden hielp niet erg. Hoe vaak had ik God ’s avonds in m’n bed al niet gevraagd dit in Zijn naam te laten ophouden? We gingen toch naar de kerk en zo? Ik bad toch ijverig? Waarom greep Hij dan niet in?

Even later voegde Frans zich bij me. Hij keek droevig en bezorgd uit zijn ogen en had zijn onderlip over zijn bovenlip gedaan – dat was een van zijn zenuwtrekjes.

‘Ik ben bij Niek geweest,’ zei vader doodleuk. Ome Niek, die in Den Haag woonde, was getrouwd met zijn zus Connie, maar die door iedereen altijd Zus werd genoemd. Ome Niek was een echte Hagenees, joviaal, getapt, maar tante Zus, dat was een geval apart – zoals al zijn zussen een geval apart waren. Tante Zus had een mager bekkie met te grote grijze tanden en kneep je helemaal fijn als ze je te pakken kreeg om je een dikke smakkerd te geven. Dus haar ging je wel uit de weg. Als een echte Haagse tante was ze steevast omgeven door een wolk parfum – en niet de slechtste, want ze had zo haar verlangens – en stak zichzelf in nette maar ietwat ordinaire kleren. Zo droeg ze altijd gouden bedeltjes, waardoor haar bewegingen, net als bij een kat met een belletje, steeds gepaard gingen met gerinkel. Die had ze van ome Niek gekregen, vast als grap: kijk uit, daar komt ze aan! O, hij gaf haar alles wat ze wilde – en dat was nogal wat. Hij vond dat een man dat moest doen. Zijn vrouw, wat een verschrikkelijk loeder het verder ook kon wezen, mocht niks tekortkomen. En zij liet daar geen gras over groeien.

‘Wat heb je er al die tijd gedaan dan?’ wilde moeder weten.

‘Nou, zitten ouwehoeren. Wist je dat ze weer een nieuwe keuken hebben? Die zus van mij weet wel wat ze wil. Ook al heeft ze een hekel aan koken. ’t Is niet te geloven… Niek heeft gister ook weer in de keuken gestaan. Ze voelde zich niet goed. Of misschien voelde ze zich daar wel te goed voor, die zus van me. Je kent d’r. Nou ja. Niek had een haas geregeld bij een vriend van hem. Nou, dan weet je het wel...’ Voor mijn geestesoog zag ik mijn vader knipogen. ‘…Ja, gebraden en al. En ik moet zeggen: het was mals vlees. Veel lekkerder dan konijn eigenlijk.’

‘Maar ook veel duurder,’ zei moeder. ‘En jij wil zelf altijd konijn. Zit ik me daar met dat konijn…’

Gestommel. Wat gebeurde er? Wat deed moeder of was het vader?

‘O, die eet ik morgen wel op.’

‘Je moet niet zoveel eten, je wordt veel te dik.’

‘Nou en dan nog? Gun me mijn pleziertje. Kom op, zeg. Jij ook altijd.’

‘Moet jij nodig zeggen.’

‘Wat dan? Wat?!’

Nee, daar gingen ze… Ik huiverde, Frans kneep in zijn handen.

Stilte. Een lange, spannende stilte.

‘We hebben plaatjes gedraaid. Jaap heeft een prachtige pick-up.’

Moeder zei iets. Onverstaanbaar.

‘Bach natuurlijk. Ja, en dat plaatje wat die jongens hebben. Hoe heet het? Shiter wait pil of zoiets. Dat is gewoon Bach! Die langharigen hebben dat gewoon gejat. Kijk, die Beatles, dat is misschien nog wel aardig. Liefdesliedjes. She loves you… Nou, m’n reet! Dat gaat allemaal over. Maar daar zijn ze jong voor.’

Gemompel van moeder.

‘En Jaap heeft heerlijke sigaren. Van die dikke. Ik heb er drie op. Zalig. Maar daar heb ik het geld niet voor.’

‘Ik ruik het. Je stinkt een uur in de wind. Ga maar douchen.’

‘Nu? Ik ga nu niet meer douchen. Wat een flauwekul. Vroeger douchten we nooit. Daar hadden we niet eens van gehoord.’

Stilte.

‘Dus je hoeft met de kerst geen konijn meer?’

‘Ach, jij met je konijn!’

‘Ik? Jij! Dat moet altijd van jou! Nee, nou wordt ie mooi.’

‘Verdomme, is dat nou zoveel gevraagd?! Zo’n mager konijn. Sjonge-jonge…’

‘O, dan koop ik wel haas. Maar dan moet jij niet meer zeuren over de rekening van de slager.’

‘Hou maar op, ’t is al duur genoeg deze maand.’

‘Precies.’

‘Ik ga de krant lezen. Laat je me?’

‘Je zoekt het maar uit. Ik ga naar bed. De kinderen hebben vakantie.’

‘Zij wel.’

‘Ach man.’

Frans en ik haalde opgelucht adem. De echte storm bleef uit dit keer. ‘Het valt mee,’ fluisterde Frans. Ik knikte. We stonden vlug op en slopen zachtjes naar onze kamer.

 

De volgende aflevering:

Oudejaarsdag: de vlam in de pan

 

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 16

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 16


Cor beleeft de schrik van zijn leven en bedenkt zijn eerste verzinsel

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

Maar op dat moment stond ik heel anders in die naargeestige schuur. De zenuwen gierden door m’n keel en ik trilde over mijn hele lijf. Ik durfde eigenlijk niet bij de Beinmannetjes naar binnen te gaan. Ik boog voorover en pakte mijn hoofd tussen mijn handen. Ik moest verder, anders werd ik gek.

Een paar tellen later vloog ik bij de Beinmannetjes naar binnen. ‘Mamma is gek geworden!’ riep ik, ‘ze wil Pim steken met een mes!... Ze wil hem vermoorden!’

‘Wat zeg je me nu?’ vroeg tante Tonnie een beetje lodderig. Ze zat als zo vaak aan tafel een puzzel te maken. Onder de tafel, tegen een poot, stond de fles zoete Duitse wijn. Zij hadden al gegeten, het rook er naar friet en ik had de lege, verfrommelde zakjes in de keuken zien liggen. Patat eten op tweede kerstdag, uit een zakje van de frietkraam nog wel, dat was – bij ons thuis – onbestaanbaar! En de Beinmannetjes waren ook heus niet naar de kerk geweest, daar sprak vader wel vaker schande van. ‘Maar wel Liebfraumilch drinken!’ riep hij dan. Als ome Jan Beinman dat bij uitzondering eens hoorde, riep hij over de heg terug: ‘Dat komt omdat wij wijwater zo flauw vinden!’ Nou, dan hield m’n vader zich wel weer even koest. Want ome Jan was ook niet op z’n mondje gevallen.

Ome Jan was er niet, Reinier, Tanja en Truus zaten voor de televisie, want het mocht verder een wat armetierige bedoening zijn, dat huis van hen, ze hadden wel een mooie televisie.

‘Ik ga er wel even heen...’ zei tante Tonnie, terwijl ze me bij de schouders greep. Ik rook haar adem, die op een vreemde manier zoetig rook. ‘...Maak je maar niet ongerust…’ En ze verdween, die kleine vrouw, op d’r sloffen, die versleten waren en een paars, piekerig bontrandje hadden op de wreef. Ze was er zelf duidelijk niet gerust op en dat stemde me tevreden.

‘Kom maar zitten, Cor,’ zei Tanja en ze wees naar een vrije leunstoel. Ze kwam op me af en aaide me over mijn hoofd. Ik kon er niks aan doen, maar opeens moest ik heel erg huilen. Ik schaamde me ervoor, heel erg zelfs, maar kon er niks aan doen. Tanja zei tegen Truusje dat ze iets te drinken voor me moest pakken.

Ik kreeg een glas cola, goedkope, maar toch: thuis kregen we dat bijna nooit. Het deed me goed, al bleef ik erg rillerig. Ik dronk het glas in een paar teugen leeg.

‘Wat is er dan precies gebeurd?’ vroeg Tanja.

‘Ik weet het niet precies. Mamma werd opeens heel erg boos.’ Ik moest een boer laten en probeerde dat te onderdrukken.

‘Ach joh, dat gebeurt altijd wel eens.’

‘Ja, tuurlijk, mamma is wel eens vaker boos, vooral op Pim, maar nu was het wel heel erg.’

‘Dat is de spanning,’ zei Tanja.

Ik begreep niet zo goed wat ze daar nou mee bedoelde, maar het klonk wel geruststellend. Het hield iets in dat wel weer over zou gaan, maakte ik er uit op. En dat klopte met wat mamma vaak zei, als je pijn had of verdriet: ‘Ach joh, dat gaat vanzelf wel weer over.’ Vooral dat ‘vanzelf’ was geruststellend. Maar wat nou als het nu eens een keer niet vanzelf over ging? O, jeetje, nee! Ik voelde meteen een nieuwe vloed van tranen opwellen.

‘Is je vader niet thuis?’ wilde ze toen weten. Ze nam mijn gezicht in haar handen en wiste heel lief mijn tranen weg.

‘Nee.’

‘Die gekke vader ook van je…’

Maar dit had niks te maken met mijn vader! Ze begreep het niet! Dit was mijn grote broer Pim. En dadelijk liep mijn moeder weg. Voorgoed dit keer. En niet alleen maar demonstratief tot in de schuur,  om even later met betraande ogen terug te keren en ons te omhelzen.

‘Wil je chippies?’ vroeg Truus.

Ja, dat wilde ik wel.

Ik keek naar de vloer met het vlekkerige kleed en allerlei klein vuil: haren en draadjes, propjes en stukjes van dorre blaadjes. Tante Tonnie hield niet zo van stofzuigen en schoonmaken maar, zei moeder wel eens, ook dat maakte haar er niet minder aardig om.

Op dat moment liet Reinier een keiharde scheet.

‘Reinier! Nu even niet…’ riep Tanja boos.

Maar ik kon er wel om grinniken en weinig later zaten we alle vier te grinniken. Kort, want ik verviel algauw weer in mijn zenuwachtige verdriet en de rillingen kwamen ook meteen weer terug. Truusje gaf me een bakje met chips.

‘Zullen we ergens anders naar kijken?’ stelde Tanja voor, ‘want dit is saai.’ En ze stond op om een knop op de tv in te drukken. Op het andere net was er muziek.

We zagen twee mannen op een barkruk met allebei een gitaar in hun handen. Op de een of andere manier zagen ze er wat armoeiig uit. Ze zongen, in het Engels, een even meeslepend als treurig liedje, over iets wat hun kennelijk heel erg bezighield. De ene met het baardje zong het hele lied, de ander zong alleen het refrein mee. Die met dat baardje haalde steeds langer uit en klonk ook steeds wanhopiger. Ik keek er meteen gebiologeerd naar. Ik verstond er natuurlijk geen woord van maar begreep het helemaal. Het maakte me rustiger.

‘Dit zijn twee zwervers,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Dit zijn twee zwervers,’ herhaalde ik. ‘Ze zijn de hele wereld over geweest. Op zoek naar hun vader en moeder…’

‘Wat? Wat zeggie nou?...’ Tanja. ‘Hoe weet jij dat?’

‘Ik weet het,’ antwoordde ik volkomen zelf overtuigd. ‘Ze hebben ze nooit gevonden. Ze moesten naar een tehuis en vonden daar op zolder die gitaren. En toen hebben ze dat lied gemaakt en nou zijn ze beroemd.’

Tanja, Reinier en Truus keken me alle drie verbaasd aan. Misschien wilde ze me wel uitlachen, maar dat konden ze niet, hun verwarring was te groot. De Beinmannetjes konden iets minder goed meekomen op school. Als we het daar bij ons thuis wel eens over hadden, zei mamma er altijd bij dat ze wel heel aardig waren en dat dat veel belangrijker was. Al leek ze dat zelf toch niet helemaal te geloven.

‘Is dat echt waar?’ vroeg Truus.

‘Zo waar als ik hier zit,’ antwoordde ik zonder een spoortje twijfel.

‘Maar jij kan toch geen Engels?’ merkte Tanja oprecht verbaasd op.

‘Maar mijn broer Pim wel en die heeft het me verteld.’ Pim kende misschien drie woorden Engels maar ik geloofde mijn verzinsel zelf, al was het maar omdat het me een goed gevoel gaf. Ik had medelijden met die twee mannen op hun barkruk, ze hadden het nog veel slechter getroffen dan ik. En wat me een nog beter gevoel gaf, was dat die drie Beinmannetjes me het voordeel van de twijfel gaven.

‘Maar dat is toch hartstikke zielig!’ vond Truus.

‘Ja, dat is ook zo. O, en het is nog veel erger. Erger dan ik je zeggen kan…’

‘Nu maak je me een beetje bang,’ zei die lieve Truusje. Ze keek een beetje beteuterd uit haar ogen.

‘Ze zijn in dat tehuis, wat een soort school is, een paar keer in elkaar geslagen. Ik weet niet precies door wie, door andere jongens of door de meesters, ja, sorry, dat weet ik niet precies. En toen zijn ze ’s ochtends ontsnapt, in hun pyjama, in de regen. De politie heeft ze toen wat kleren gegeven…’

‘Dat doet de politie niet,’ zei Reinier.

‘O, zeker wel. Als het zo erg is, dan helpen ze je heus wel. Nou, en toen zijn ze weer gaan zwerven en hadden ze hele erge honger. Ze dronken water uit de plassen op straat, want anders zouden ze doodgaan van de dorst.’

‘Echt?’ gilden Tanja en Truus.

‘Echt.’

‘Maar ze zien er niet echt uit als zwervers,’ vond Reinier nu weer.

‘Ja, logisch. Dat komt omdat ze veel geld krijgen voor dit liedje. Ze zingen het overal, in Parijs en Londen, en dan krijgen ze geld. Daarom zijn ze nu ook op televisie.’

‘Ja,’ zei Reinier nu, ‘Cor zou best eens gelijk kunnen hebben.’

‘Ik weet het gewoon zeker,’ zei ik, elke twijfel van hen in de kiem smorend opdat ik mezelf overeind kon blijven houden. Dit was een waar verhaal, een waar verhaal, omdat het zo goed was. Het klopte. Daar was ik helemaal zeker van. Ik kon het gewoon niet mis hebben. En als zij me nu maar zouden geloven, dan zat ik goed. Er rees een soort trots in me op, als een zon die alles in een nieuw daglicht zette. Er was nog hoop. Je moest er alleen een beetje fantasie voor hebben. Ik had hen geïmponeerd en dat deed me goed.

‘Engels is best een moeilijke taal,’ merkte Tanja nog op.

‘Daarom juist,’ antwoordde ik. Nee, ik gaf geen duimbreed toe.

Het liedje was afgelopen en er kwam een ander liedje voorbij, maar dat maakte helemaal geen indruk op mij. Ik staarde naar de tv maar zag eigenlijk niks.

Toen kwam Mirjam binnen, m’n zus, met in haar kielzog tante Tonnie.

‘Cor!’ riep m’n zus. ‘Hoe gaat het?...’ Ze nam me bezorgd en verbaasd op.

‘Goed wel. Goed weer.’ Ik voelde nog de spanning in m’n gezicht, rond mijn ogen. Maar met m’n gedachten was ik ergens anders.

‘Je hebt een shock gehad,’ verklaarde m’n grote zus. ‘Maar alles is in orde.’

‘Ja hoor,’ zei tante Tonnie. ‘Blijf nog maar even zitten, maar alles is in orde.’ Ze schonk zichzelf een glaasje zoete wijn in, tot de rand toe.

Een shock. Zo, dat klonk interessant. Ik had nog nooit van dat woord gehoord, maar het sprak me wel aan. Het was tenminste iets groots, want ze spraken dat woord me een zeker ontzag uit.

‘Je bent ook zo gevoelig,’ vulde Mirjam aan. Het klonk, gelukkig, niet als een verwijt. ‘Hij heeft de laatste tijd ook weer veel nachtmerries. Of nee, dan denkt ie dat er spoken zijn in de gang, boven in het trappenhuis.’

Dat was waar. Soms durfde ik niet naar boven omdat ik dacht dat ze daar op me lagen te wachten, die spoken, een soort witte wolkachtige creaturen die hun lange armen als flarden konden uitstrekken, als kwamen ze uit vlammenwerpers te voorschijn. En het leek wel of ze het speciaal op mij hadden gemunt. Soms kon ik ze ook horen, maar ik was de enige. Gelukkig mocht ik van moeder een lampje laten branden boven mijn bed. Ik wiegde mezelf in slaap door met mijn hoofd in rap tempo heen en weer te gaan op het kussen. Ik had mezelf wijsgemaakt dat de spoken daar niet tegen konden. ‘Onze nee-schudder,’ grapte vader wel eens. De dokter had gezegd dat het geen kwaad kon, dat hoofdschudden.

De volgende aflevering:

De dokter op bezoek en ruziënde ouders

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Mogen bekende Nederlanders kinderboeken schrijven?

Mogen bekende Nederlanders kinderboeken schrijven?


Alleen die het kunnen, leert een recente discussie in de Volkskrant en op internet. En uitgevers én de media deugen niet.

Vorig week schreef de Volkskrant journalist Julien Althuisius in zijn krant een opiniestuk waarin hij zich keert tegen het schrijven van kinderboeken door BN’ers. Hij zag het programma Margriet waar in Patty Brard aan een miljoen Nederlanders vertelde dat ze op Ibiza was en haar honden met een kat zag spelen. En toen was er een kinderboek bij. Althuisius moet er niets van hebben:

“Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar als deze boeken nooit waren geschreven, was geen kind er rouwig om geweest. Inmiddels zijn er bijna meer BN’ers met een kinderboek dan zonder. En elke keer als zo’n bekende Nederlander met een kinderboek komt, springen media er weer gretig bovenop. Wat las je als kind? Wat heb je meegemaakt dat je in dit boek verwerkt hebt? Wat is de les die je wil meegeven? En elke keer zeggen de BN’ers weer dat ze het zo leuk vinden en dat ze er zo veel tijd en zo veel moeite in hebben zitten, etcetera, etcetera. En dat zal allemaal best, maar steek je liefde, tijd en moeite liever in iets anders.”

Hij noemde ook de succesvolle Jochem Myjer met zijn Gorgels en wijlen Martine Bijl.

In de ingezonden brievenrubriek reageerde enkele dagen later kinderboeken redacteur bij uitgeverij Leopold Ria Turkenburg: “Kunt u voordat u BN’ers van broodroof beticht hun boeken lezen? Neem Jochem Myjer, geliefd theatermaker die zijn eigen shows schrijft. Bekend van De Gorgels, waarvan beide boeken zijn bekroond door de Nederlandse Kinderjury. Boeken die in vele gezinnen met veel plezier worden (voor)gelezen. Boeken die vertaald zijn in meerdere landen waar men nog nooit van hem heeft gehoord en van waaruit ontroerende lezersbrieven komen. Of Martine Bijl, die een van onze geestigste tv-makers was, talig, een verteller.”

Op internet ging de discussie verder. De gevierde kinderboekenschrijver Marco Kunst, maar geen BN’er, reageerde op Facebook op Turkenburg:

“Het is vast waar dat er ook wel een paar boeken van bn’ers zijn die niet zo slecht zijn, maar daar gaat het niet om. Het gaat om de algemene cynisch-commerciële insteek waarmee sommige uitgevers alles uitgeven als er maar een bekende naam op gezet kan worden. Heel wat van die boekjes stellen niets voor, maar het is zoooo makkelijk om ze te verkopen... […]

Twee voorbeelden van BN’ers die hun boeken zeker niet even uit de mouw hebben geschud, maar daar serieus aan gewerkt hebben. En zo zijn er vast meer namen in Julien Althuisius’ rijtje die deze column niet verdienen. Ja, ze hebben het voordeel van hun bekendheid (ook met hard werken verdiend). Maar een boek wordt alleen geliefd als het mensen echt raakt. En dan mag een boek er zijn.”

Voor Thille Dop, kinderboekenredacteur bij Luitingh-Sijthoff heeft het fenomeen vooral te maken met de werking van de media. “Ik schreef dit al eerder en het gaat volgens mij om iets anders. En dat zijn de kwaliteit en de media. En Jochem Myjer is een voorbeeld van een BN’er die kan schrijven. Iedereen mag natuurlijk schrijven wat hij/zij wil, maar uitgevers denken dat ze een commercieel succes binnenhalen in plaats van naar de kwaliteit te kijken en het is vooral de media die aandacht geeft aan deze BN’ers en dat is zo jammer omdat er verder zo weinig aandacht in de media is voor goede, vrolijke, spannende, humoristische maar goed geschreven kinder- en jeugdboeken. Wanneer besteedt een goed tv-programma hier nu eens aandacht aan? Iedereen is erbij gebaat als kinderen (weer) goed kunnen lezen en daar plezier aan beleven.”

Met deze laatste aanbeveling kunnen we het alleen maar eens zijn. Gelukkig worden kinderboeken in diverse media nog steeds kinderboeken besproken, al neemt het wel af. Met name Trouw heeft een goede kinderboekenrubriek. Ook op De Leesclub van Alles / Bazarow verschijnen elke week ca. zes recensies van kinderboeken. Daar gaat gelukkig alleen om kwaliteit, niet of de auteur BN-er is of niet. En dat geldt ook bij het toekennen van prijzen natuurlijk. We kunnen concluderen: alleen BN-ers die kunnen schrijven mogen dat ook doen. Maar wie vertelt het al die anderen?

--

Door: Roeland Dobbelaer

 

Goed schrijven betekent ook goed kunnen schrappen De tips van tijdschrift Schrijven.

Goed schrijven betekent ook goed kunnen schrappen De tips van tijdschrift Schrijven.


Schrijven is een magazine en een website voor iedereen die interesse heeft in het schrijversvak. Naast het magazine dat zes keer per jaar uitkomt staan er ook tips en blogs op de website. Zo ging een van de laatste artikelen over een bekend fenomeen in de schrijverswereld: schrappen. Schrijven zette de drie beste tips op een rij om goed en kundig te kunnen schrappen zonder te veel weg te halen. 

1. Kijk naar je beschrijvingen.

Een van de makkelijkste manieren om een bladzijde te vullen is door te omschrijven. Veelvoudig of in detail, in beide gevallen kan het zomaar meerdere regels aan tekst opvullen. Je kan ook te veel omschrijven […] Als veel uitgebreide omschrijvingen hebt, schrap je zo makkelijk duizenden woorden op je volledige manuscript!

 

2. Deel niet alles wat je weet

Als je personages gaat ontwikkelen, leer je ze kennen als je beste vrienden. Daardoor kom je bijvoorbeeld te weten wat kun lievelingskostje is. In je enthousiasme wil je dat ook graag met je lezer delen. Maar soms zijn dit soort leuke feitjes eerder onnodige opvulling van papier.

3. Maak een dialoog wat minder waarheidsgetrouw

Personages praten niet zoals echte mensen dat doen. Let er voor de grap eens op hoe vaak iemand in een gesprek stopwoordjes en tussenwerpsels als ‘uhm’, ‘uhh’ of ‘nou’ in een zin zegt, ook als diegene niet aarzelt of verlegen is. In een boek geven deze woordjes al zo’n soort betekenis aan. Houd dit in gedachten en neem je dialogen nog eens goed onder de loep. 

 

Deze drie tips sluiten mooi aan bij een van de goede voornemens die het magazine voorstelt voor het nieuwe jaar. “Ga eens een paar dagen offline en schrijf.” Door volledig offline of weg te gaan voor een paar dagen kun je je volledig focussen op je schrijfwerk. 

 

--

Door Renske Bakkenes

De thriller Daglicht verfilmd tot amerikaanse televisieserie

De thriller Daglicht verfilmd tot amerikaanse televisieserie


Daglicht, de thriller van Marion Pauw krijgt een amerikaanse televisie verfilming. Studio Fox Entertainment werkt momenteel aan een televisieserie gebaseerd op het boek van Pauw. Scenarist Denise Hahn, bekend van hits als Grey's Anatomy en CSI: Cyber, wordt uitvoerend producent, meldt Deadline, een nieuwsblad voor Hollywood nieuws. Ze verwerkt haar Koreaans-Amerikaanse achtergrond in het verhaal. De hoofdpersoon Iris krijgt dezelfde achtergrond als Hahn. 

 

Dit is niet de eerste keer dat Daglicht verfilmd wordt. In 2013 kwam er al een Nederlandstalige speelfilm uit. Met in de hoofdrol Angela Schijf, bekend van Flikken Maastricht. 250.000 mensen bezochten destijds de film. 

 

"Ik ben ontzettend blij en trots. De kans dat een Nederlands boek in Amerika tot serie bewerkt wordt, en dan ook nog door een partij als Fox, is ontzettend klein," aldus Pauw. Ze zal tevens als executive producer meewerken aan de televisieserie. 

 

Het is nog niet duidelijk wanneer de serie zal verschijnen. 

 

--

Door Renske Bakkenes

Top 20 beste verkochte boeken 2020 op Bazarow.com. Rutger Bregman op nr. 1

Top 20 beste verkochte boeken 2020 op Bazarow.com. Rutger Bregman op nr. 1


Het einde van het jaar nadert, dus maar eens kijken welke boeken er het beste verkochten op Bazarow.com dit jaar. Verrassend is het niet, maar Bazarow.com klanten blijken serieuze lezers te zijn. In de top 20 vooral veel non-fictie. Geen Lucinda Riley in de top tien, zelfs geen thrillers in de top 20. Vooral veel non-fictie dus: sociologie, geschiedenis, management en filosofie. Op 4 pas de eerste roman, en op 8 de tweede. Respectievelijk De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld en Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Een kinderboek en wel op nr. 7, het overal positief besproken De jongen, de mol, de vos en het paard. Ook boeken over racisme of liever tegen racisme zijn populair op Bazarow. Met de Black Lives Matters beweging dit jaar bij een kritisch lezerspubliek niet verwonderlijk.

De laatste maand was Revolusi van David Van Reybrouck het meest populaire boek op Bazarow, alleen dat boek is pas net uit. Zo te zien zal dat wel een kanshebber worden om in 2021 op nr. 1 te eindigen. 

Top 20 best verkochte boeken op Bazarow.com: 

  1. De meeste mensen deugen - Rutger Bregman
  2. Hallo witte mensen - Anousha Nzume
  3. Ogenblik & eeuwigheid - Joke J. Hermsen
  4. De avond is ongemak - Marieke Lucas Rijneveld
  5. Witte onschuld - Gloria Wekker
  6. 't Hooge Nest - Roxane van Iperen
  7. De jongen, de mol, de vos en het paard - Charlie Mackesy
  8. Uit het leven van een hond - Sander Kollaard 
  9. De lege hemel - Marjan Slob
  10. Help de energie transitie - Marco Bijkerk
  11. Het zoutpad - Raynor Winn
  12. Schaduw - Lucinda Riley
  13. De pest - Albert Camus
  14. Max, Mischa & het Tet-offensief - Johan Harstad
  15. Vietnam - Max Hastings
  16. Atomic Habits - James Clear
  17. Mijn lieve gunsteling - Marieke Lucas Rijneveld
  18. Vier vragen die je leven veranderen - Byron Katie
  19. De Tao van leiderschap - John Heider
  20. De zeven zussen - Lucinda Riley
Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 15

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 15


Moeder dreigt met een mes & lekker doktertje spelen met de buurmeisjes. ‘Smells like teen ass!’

De tweede kerstdag moesten we weer naar de kerk, al ging vader zelf niet mee. In de kerk zag ik Susanne met haar ouders, dat was voor het eerst. Ik zwaaide voorzichtig. Ze zwaaiden niet terug. Zagen ze me niet? Dat kòn toch niet. Nou ja, het was wel heel druk.

Na onze thuiskomst was vader opeens weg. Niemand wist waar hij heen was, hij had ook niks aangekondigd. Dat gebeurde wel vaker. ‘Geniet er maar van,’ zei mamma met toch iets zorgelijks in haar stem. En dat deden we. De ton met Lego werd over de grote tafel leeg gekieperd, we maakten tekeningen en ruimden daarna alles op om een tafeltennistoernooi te houden. Allemaal dingen die vader hinderlijk vond. Vooral ook omdat we onderling overal ruzie over maakten. Mirjam ging daarom vaak naar een vriendin toe. Maar ja, dat had je, vond moeder, met zoveel jongens in huis. Af en toe zag ze zich gedwongen tussenbeide te komen of zelfs een flinke tik uit te delen.

Toch ging het ook die dag mis vlak voor het eten. Pim haalde dezelfde grap uit, ik vond het wel stoer, hij maakte weer een kruis met z’n mes en vork en toen ging moeder onverwacht helemaal over de rooie. ‘Hou daarmee op!’ riep ze ‘Je haalt het bloed onder m’n nagels vandaan, verdomme! Straks krijg ik het weer aan de stok met je vader en moet je dan eens zien. Maar jij, jij hebt ook overal schijt aan, hè?... Ik zal je… Wat? Ik rijg je aan het mes!’ riep ze en hield inderdaad haar tafelmes omhoog. ‘Kom hier… Ik zal je krijgen!’ riep ze en haar ogen schoten vuur.

We schrokken ons lam.

Pim deinsde achteruit en Mirjam riep moeder tot de orde, maar zij bleef als een waanzinnige voor zich uit staren. Naar haar doel. Naar Pim, de oudste en meest ongehoorzame zoon. In een totale concentratie, zoals je een kat wel eens ziet loeren. Het was heel eng.

Opeens sprong ik op en gilde: ‘Mamma is gek geworden! Mamma is gek geworden!’

Ik ontvluchtte het huis, rende door de schuur en liep het laantje in. Waar moest ik heen? Naar ome Jan en tante Bets? Maar daar was ik die ochtend nog geweest met Geerie. We hadden onze snoepjes al gehad. Ze zagen me al aankomen: zo, ben je daar nu al weer?... Nee, dat zou mamma ook niet goed vinden. Dan zou ze nog bozer worden en misschien nog wel gekker gaan doen! Bovendien, ’t was veel te ver weg, het hele laantje uit. Dat duurde minuten. Kostbare minuten. Levensgevaarlijke minuten.

Zonder er verder echt bij na te denken schoot ik de schuur van de buren in, één deur verder. Misschien kon tante Tonnie, de buurvrouw, mamma weer tot de rede brengen, flitste het door me heen. Want zij spraken elkaar nog wel eens over opvoeding en zo, over de heg heen, als echte buurvrouwen. Tante Tonnie had met ome Jan tenslotte ook een groot gezin. Dat was nogal vreemd. Wij hadden als oudste een zus en verder vijf broers, en zij hadden als oudste een zoon en verder vijf meiden. Wij wisten niet beter, maar iedereen begon daar altijd over. Dat twee van die grote gezinnen pal naast elkaar woonden en zo’n opvallende samenstelling hadden, precies gespiegeld! Iemand, een volwassene, een oudere man, ik was vergeten wie precies, had mij wel eens gevraagd of onze ouders de kinderen soms uitwisselden, om de meisjes bij de meisjes en de jongens bij de jongens te houden. Die figuur moest erg lachen om zijn eigen opmerking, maar ik was er een tijdje door van slag. Stel je voor dat het waar was?! Ja, zou dàt soms het grote geheim zijn, de reden van alle onbegrijpelijkheid? Van dat rare rollenspel. De enige echte, dat was ik. Daar was ik zeker van. Nu ja, bijna zeker. Want zelfs ik voelde me soms gedwongen me anders voor te doen. Als ik aardig wilde zijn bijvoorbeeld. Heel verwarrend was dat, als ik erover nadacht. Een beetje griezelig ook.

Waaròm moest die oudere man trouwens zo lachen om z’n vraag? Wist hij meer dan ik wist? Kijk, daar had je het weer! Want zo ging het toch altijd bij volwassenen? Het maakte me bang.

Het was m’n zus Mirjam, die me erover geruststelde. Het was echt niet zo, zei ze, het was gewoon toeval. En nee, de volwassenen bewaarden geen geheim over het leven. Wat dacht ik wel niet? ‘Je hebt te veel fantasie,’ zei ze. ‘Er is helemaal geen geheim.’ Maar ja, wat nou als zij ook in het complot zat? Als iedereen erin zat, zelfs Geerie. Iedereen. Behalve ik. Hoe kon je daar ooit achter komen? Want met Geerie had ik het er ook wel eens over gehad, maar die vond het flauwekul, die begreep niet eens waarover ik het had. Ja, eenzaam, dat voelde hij zich ook wel, buitengesloten ook zelfs. ‘Maar dat ligt aan mij, omdat ik anders ben. De jongste, minder.’ Hij wreef erbij over z’n neus en stond een beetje te schokschouderen. ‘De rest,’ zei hij, ‘verzin je.’ Het klonk als een verwijt. Er school ook agressie in zijn toon. Hij wilde er verder duidelijk geen woord meer aan vuil maken. Wat betekende dat ik hem er bij gelegenheid heel goed mee zou kunnen plagen. Zo leerde ik zijn zwakke plekken kennen. En dat waren er nogal wat.

 De Beinmannetjes, zo heetten de buren, terwijl het toch vooral vrouwspersonen waren. Maar het was nu eenmaal zo dat de vader Jan Beinman heette. Jan Beinman de bakker. We speelden wel eens met zijn kinderen, maar niet zoveel, niet veel meer dan met de andere buurtkinderen. Al had ik in dat najaar samen met m’n broer Johan doktertje gespeeld met onze buurmeisjes Truusje en Tanja. Dat was in hun schuur, waar van alles lag: oud tapijt, rollen behang waar de repen van af hingen, een kapotte huishoudtrap, een gammele schommelstoel, emmers, een zinken teil, wat hout en een heleboel lege flessen. Tegen een wand stonden een paar fietsen. Het rook er naar schimmel en het was er een altijd beetje donker omdat er vieze gordijnen hingen voor de ruit. Die dag was het trouwens zwaarbewolkt, met af en toe fikse buien, daarom gingen we spelen in hun schuur. De trap legde we op wat balken die we op hun beurt lieten rusten op de teil en de schommelstoel die we op z’n kant zetten.

Johan was de dokter van Tanja en ik van Truusje. Geerie was onze verpleegster. Hij moest de apparatuur aangeven: een knijper, een hamer en zo nog wat. Soms deden we maar of we iets in onze handen hadden. We deden hun truitjes omhoog en keken hun navel na. Volgens Johan zei de vorm daarvan wat over je gezondheid, zelf wist ik te vertellen dat sommige mensen – heel weinig maar en dan vooral in Afrika – geboren worden met een oog in dat kuiltje, maar de anderen weigerden dat te geloven ondanks mijn erewoord en stemverheffing. Daarna schoven we hun onderbroekjes wat naar beneden. ‘Interessant, interessant,’ zei Johan daarbij. Geerie, in verlegenheid gebracht, keek een beetje weg en bezag het uit zijn ooghoeken. De meisjes deden giechelig, en Johan en ik waren ook wel lacherig, maar meer vervuld van een vreemd soort opwinding. ‘Dit verdient nader onderzoek,’ zei Johan een beetje geleerd – het klonk heel echt. ‘Waarom dan?’ vroeg Tanja, de oudste en brutaalste, en ze proestte het uit. Ik vond Truusje veel liever, ze had van die leuke bolle wangen en mooie ogen. Ach, zoals ze keek naar de binnenkant van het pannendak terwijl mijn vinger over haar schaamlippen gleed, zo lief en rustig. Johan had me al verteld dat je vinger er een heel klein stukje in kon, maar dat vond ik te eng, dus vroeg ik Geerie om een stokje. Die kon inderdaad een klein stukje naar binnen, maar Truusje zei dat ze dat niet goed vond en dus trok ik het stokje meteen beschaamd weer terug. Ik hoorde Tanja zeggen dat ze niet wilde dat Johan de hamer op haar buik legde: dat vond ze te koud. Toen zei Johan dat we eraan ruiken moesten, want dat was ‘heel belangrijk’. Waarom, zei hij er niet bij. Desondanks rook ik aan Truusje d’r kutje. Het was een beetje viezig misschien, maar toch niet onaangenaam. ‘Wat ruik jij?’ vroeg Johan.

‘Een beetje eh… plaslucht en nog iets.’ Toen ik opkeek zag ik Truusje glimlachen.

‘Jaah, dat andere,’ zei Johan, ‘dat is interessant. Dat is vrouwelijkheid.’ Het klonk heel gewichtig en inderdaad machtig interessant. ‘Vrouwelijkheid.’ Alsof het iets magisch was, ook weer iets geheimzinnigs. O, natuurlijk wist ik al wel dat meisjes heel anders waren dan jongens, maar het was verdomd lastig om precies te zeggen waar hem dat nou in school. Bovendien rook m’n eigen piemel ook naar plas en nog iets anders. Lekker wel. Jammer dat het van moeder nooit mocht, d’r aan frummelen en dan ruiken.

‘Waaròm hebben zij eigenlijk geen piemel?’ wilde ik van Johan weten.

Tanja riep me lachend toe. ‘Omdat wij wel zonder zo’n slurf kennen! Ja, wie gaat er nou met een zak tussen zijn benen lopen? En die dan elke avond wassen! Jongens zijn zakkewassers!’ Ze gierde het uit.

Ook Truus moest erg lachen. Ik zag dat haar ogen er nat van werden en nòg groter leken.

En wij jongens stonden er maar een beetje bij. De regen kletterde op de pannen van het dak.

‘Jullie moeten jullie omdraaien,’ zei Johan toen. ‘We moeten jullie billen inspecteren.’

Tot mijn verbazing deden ze wat hen gevraagd werd en ik keek naar de blote billen van Truusje. Prachtig rond en vlekkeloos, maar wel met een mooie, ja levendige kleur. Gezonde billen, dat zag je zo. Ik liet mijn hand erover glijden en keek naar wat Johan aan het doen was: hij deed de billen van Tanja uit elkaar. ‘Hm,’ zei hij fronsend en met een prachtig gespeelde ernst, ‘hm.’

‘Is er iets mis met m’n reet?’ vroeg Tanja opnieuw lacherig met haar schelle stem, waar ik, besefte ik op dat moment weer eens, een hekel aan had.

‘Nee,’ antwoordde Johan, ‘al weet ik dat nog niet zeker.’ Hij richtte zich tot mij: ‘We moeten weer ruiken.’

Ik aarzelde, bleef liever over die mooie billetjes aaien, maar wat moest dat moest, dat was het spel, dus boog ik me opnieuw voorover en duwde m’n neus voorzichtig tussen haar billen.

‘Ruik jij ook een beetje poep?’ vroeg Johan toen aan mij.

We grinnikten en de meisjes bescheurden zich opnieuw.

Johan en ik wisten allebei niet zo goed wat we ermee aan moesten, keken elkaar wat verlegen in de ogen. Geerie was al weggegaan, dus moesten we uitkijken: stel je voor dat hij mamma erbij ging halen! Die jongen had altijd zo zijn eigen ideeën. Het was allemaal wat merkwaardig, het begon al met die schuur. Die halfduistere ruimte rook al zo vreemd, naar kelder en nat bos. Het was echt een geheimzinnige plek.

‘We zijn klaar met ons onderzoek,’ verklaarde Johan. ‘Jullie kunnen uh… De uitslag krijgen jullie volgende week.’ Wat kon hij dat toch goed, doktertje spelen, en als dokter praten.

Het was zachter gaan regenen, van drup-drup-drup, en het had ineens iets triestigs. Ook de zusjes zochten elkanders blikken. Zelfs zij leken nu toch even verlegen met wat er gebeurd was. Ja, ik meende zelfs iets van angst in hun ogen te zien.

‘Cor,’ zei Johan toen, met opeens ook iets ongemakkelijks in zijn stem, ‘en ik moeten naar huis, eten.’

Het is daarna nooit meer gebeurd en we hebben het er ook nooit meer over gehad. Want het was ‘ons geheim’ bezwoer Johan me. Maar in de maanden erna moest ik er nog vaak aan denken.

 

 

De volgende aflevering:

De eerste schrik van zijn leven en een verzinsel

 

 

 

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 14

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 14


Kerstmis. God ziet alles, maar niet de humor van een godslastering

De kerstmis duurde altijd lang, te lang. Daarom mochten we boekjes lezen in de kerk. Maar vaak keken we ook naar de andere kerkbezoekers. Daar was altijd die vreemde man die wat verdwaasd uit z’n ogen keek en heel vaak zat te gapen. Hij deed ons denken aan Laurel, de dunne, hoewel deze man niet zo dun was, maar wel minstens zo sullig. Om te zien dan, gaf moeder toe, verder wilde ze er niets over horen en we mochten al helemaal niet om hem lachen, als we dat maar wisten! Dan liet je je blik maar langs al die andere gezichten dwalen, op zoek naar bijvoorbeeld klasgenootjes. Het viel nog niet mee anderen te ontdekken in de bomvolle kerk. Alleen de achterste banken waren leeg. Het viel wel op dat die lege banken in aantal toenamen. Dat vervulde vooral vader met bezorgdheid: waar moet het heen met deze wereld?

Als de verveling echt toesloeg en we begonnen te klieren, wierp vader ons een boze blik toe. Nou, dan hield je wel op. Zelf vond ik het kerkorgel altijd machtig, maar niet als erbij gezongen werd door het koor met al die oude vrouwen. Het lag niet eens aan de liedjes, die kon ik nog wel pruimen. Het jammere was dat met de kersthoogmis alles anders ging dan anders en het ook nog, zucht, allemaal langer duurde. Pas als de communie was geweest, schoot het op. De hostie halen was een verzetje en dit jaar mocht ik het voor het eerst omdat ik de eerste communie had gedaan. Daar was ik toch wel trots op en het deed me genoegen dat Geerie nog niet mee mocht, dat ik nu ergens heenging zonder dat moeder, of zus Mirjam, want die had daar ook nogal een handje van, zei dat ik hem maar moest meenemen. Als ik op het veld bij de Hofcampweg ging voetballen met vrienden, moest ik hem meenemen. Laat hem zijn eigen vriendjes zoeken! Maar nee, dat kon hij niet. Of hij deed dat niet – ik wist het niet, maar het gebeurde gewoon niet. Hij was mijn aanhangsel. Maar ik wilde wel eens van hem af. ‘Maar jullie hebben altijd samen gespeeld,’ bracht mijn moeder daar vaak tegenin. ‘Ja, vroeger,’ antwoordde ik dan. ‘Maar dat kwam omdat ik iets ging spelen en dan ging hij meedoen.’ ‘Nou en? Dat geeft toch niet?’ vond moeder. ‘Hoe meer zielen hoe meer vreugd.’ Zo won zij meestal het pleit.

Terug van de heilige communie liet ik Geerie triomfantelijk m’n hostie zien die plakte op mijn tong. Hij draaide zijn hoofd weg. Daarna keek ik gefascineerd naar de mensen die hun tong uitstaken zodat de pastoor daar de hostie op kon leggen. Ik vond dat altijd iets heel huiveringwekkends, al wist ik niet precies waarom. Nu ja, zo’n droge hostie op zo’n plakkerige tong, het had iets viezigs. Maar het was meer dan dat. Het had iets heel intiems. Het prikkelde op de een of andere manier.

Even later knarste het grind op het kerkplein onder de vele voeten. Veel kerkgangers schudden de hand en wensten elkaar ‘een zalig kerstfeest’. Moeder maande ons om door te lopen, maar bij het hek merken we dat vader ontbrak. Als op afspraak draaiden we ons half om. We zagen hem niet in de donkere menigte, maar we hoorden hem wel. ‘Die Jezus, toch!’ riep hij boven het geroezemoes uit. ‘Je zou toch elk jaar geboren worden? Nou, ik zou het niet willen!...’ Zijn lach klonk op, een raar keelgeluid, een soort van mekkeren. ‘…Maar alle gekheid op een stokkie: het was een mooie mis. En de kerk was prachtig versierd, zoals ’t hoort natuurlijk. Maar toch. Nou, dag!’ En toen zagen we hem even wegbenen met de hem kenmerkende korte, driftige pas, naar andere mensen die hij kende uit het dorp. Hij verdween weer in de massa. O, hij kende iedereen – en iedereen kende hem. En dat wilde hij weten ook. Daarom schoot het nooit op als je met hem over straat ging. Als ze hem aan zagen komen lopen, begonnen ze vaak al te lachen òf ze gingen er vandoor, veinzend dat ze hem niet gezien hadden. Slechts een enkeling slaagde erin hem kort te groeten en gewoon door te lopen. Hij was een bijtertje. En ja hoor, daar hoorden we hem weer, z’n stem schalde over het plein: ‘… Ik ben dan wel geen Messias, maar wel een acquisiteur! Een soort pasteur zeg maar. Haha! Ja, niet die van die enge beestjes… Wist u trouwens dat hij een zeer gelovig mens was, ondanks dat hij een excellent, ja, een prominent geleerde was?’ Hij hield ervan dure woorden te gebruiken, vader, zo was hij. We vingen weer een glimp van hem op, hij stond druk te gebaren. ‘Want dat hoeft elkaar helemaal niet tegen te spreken. Ach, welnee, laat je niks wijsmaken! Dat is mijn boodschap Ik breng de mensen het goede nieuws. Daarom moet u ook het Binnenhof lezen. Want dat is tenminste een echte katholieke krant. De Volkskrant is van het volk, maar het Binnenhof is van God, dat zeg ik altijd maar.’

Intussen stonden wij te vernikkelen bij het hek. Mirjam, de oudste tenslotte, had moeder al voorgesteld om gewoon door te lopen, maar dat durfde moeder niet. ‘Nou,’ zei Mirjam, ‘dan ga ik hem wel hálen.’ Moeder kon haar niet tegenhouden.

Weinig later kwam ze terug, met vader aan de hand.

‘Waar blijf je nou?’ schimpte moeder.

‘Ach, joh, even wat mensen gedag zeggen… Dat jij nou… Nou, laat maar ook. ’t Is tenslotte kerstfeest.’

‘Het is koud,’ antwoordde moeder.

‘Ach, ben je mal. Ik heb ’t juist warm.’

We liepen de Kerkstraat uit, en gingen via de Langstraat met al die winkels, naar de Berkheistraat waar het iedere dinsdag markt was onder de machtige kastanjebomen. Die oogden nu kaal en wat griezelig. We zwegen. M’n vingers en tenen deden zeer van de kou.

Maar thuis was het niet koud, de kachel werd opgepord en moeder had de tafel al van tevoren gedekt. Ze ging gauw thee zetten en ik en Geerie mochten de kaarsen aansteken. Vader deed de verlichting van de kerstboom aan. ‘Gezellig,’ zei mamma. Daarna gingen we allemaal aan tafel, wat eigenlijk alleen op zondag gebeurde, als vader vrij was. Maar deze maaltijd was nog specialer, al was het maar omdat het tegen middernacht liep. De tafel was gedekt met het dure servies dat voorzien was van een gouden randje en beschilderd met een heel fijn bloemenmotief. Het werd alleen bij gelegenheden als deze gebruikt. Maar wij kinderen hadden meer oog voor alle lekkernijen: echte boter, krentenbrood, puntjes, allerlei soorten vleeswaren en jam, hagelslag en vlokken. Ja, en zelfs beschuit met muisjes, die had moeder al gesmeerd. Maar eerst moesten we bidden. Vader nam het voortouw en als je niet meteen meedeed kreeg je een vuile blik toegeworpen of een uitbrander. Dus iedereen sloot z’n ogen en luisterde naar vader. Hij dankte God voor wat er nu allemaal op tafel stond, maar ook – o zeker! – voor de gewone doordeweekse maaltijd en wij kinderen moesten maar weer eens goed beseffen hoe ongewoon dat eigenlijk was in de wereld, want de meeste mensen hadden niet te eten. ‘Nog geen kakkerlak!’ riep hij uit. ‘En daarom bidden wij nu het onzevader en dan drie weesgegroetjes…’

Zat je daar met je honger. En je moest niet wagen je ogen te openen, want dan kon je een draai om je oren verwachten. Voor wat hoort wat. Voor niets gaat de zon op. Eerst bidden dan eten: we werden doodgegooid met die riedels.

‘…Heilige Maria, moeder van God, bid voor ons zondaars. Nu en in het uur van onze dood. Amen.’

Pfff… Eindelijk.

We mochten eten, zei moeder. Vader stond op om een kerstplaat op te zetten en weinig later schalde er een kerstlied gezongen door een of ander Beiers koorknapenkoor door de huiskamer. Keihard en niet om aan te horen.

‘Adri, mag die wat zàchter?’ vroeg moeder voorzichtig, al klonk haar ergernis erin door.

‘Ach, wat, jij ook altijd met je…’ Hij ging weer zitten.

‘Met m’n wat?’

‘Moet je die kinderen soms horen. Die maken een lawaai, da’s niet normaal meer. Maar nee, daar zeg je nooit wat van! Dat mag ik doen. Want zij mogen alles. Maar als ik een keer naar een plaatje wil luisteren dan is het gelijk aufhören. Terwijl het toch om een wereldberoemd koor gaat, de Domspatzen. Maar dat zegt jou natuurlijk allemaal niks. Je weet niet eens waar Regensburg ligt….’

‘In Duitsland,’ zei moeder met een dunne stem.

‘Zozo, dat valt me weer van je mee. En hee, zeg, mag ik een koppie koffie, want in thee heb ik nu geen trek, zo midden in de nacht.’

Moeder stond op om koffie te maken. En wij, wij hielden ons doodstil.

Even, tussen twee liederen in, hoorden we alleen vaders kaken malen, hij kon snel eten. Heel snel. Maar niet zonder knoeien.

‘En dan nog wat: beschuit met muisjes. Dat geeft geen pas.’

‘Ach man, Jezus is toch gebòren. Wat geeft dat nou? Ik doe ’t voor de kinderen.’

‘Je doet al genoeg voor de kinderen. Alles doe je voor ze.’

‘Jongens, het is maar beter dat jullie naar bed gaan, het is tenslotte al laat.’

Wij begrepen het en deden gedwee wat we moesten doen. Een kwartier later lagen we in bed. Frans en ik sliepen in het stapelbed, ik boven. Ik vroeg Frans of hij dacht dat pappa en mamma gingen scheiden, want daar leek het soms op met al die ruzie en zo, en in mijn klas waren de ouders van een jongen ook pas gescheiden.

‘Nee, ik denk het niet,’ zei Frans. ‘Ga nou maar slapen.’

Die eerste kerstdag was er een zoals gebruikelijk. Het was grauw, saai weer, maar binnen werden we gek van onze vader die de hele dag plaatjes zat te draaien op zijn nieuwe platenspeler, sommige wel vier, vijf keer achter elkaar. En het hele huis rook naar gebraden konijn, want dat wilde pappa met kerst: konijn eten. Dus maakte moeder voor hem konijn, konijn met spruiten, die ook al zo stonken. Wij aten kip met gebakken aardappeltjes en erwtjes uit blik. Heerlijk. Daar konden we ons op verheugen. Maar aan tafel ging het toch weer mis. Vader wilde dat we bij het bidden voor het eten allemaal een kruis maakte en toen pakte Pim, de oudste broer tenslotte, z’n mes en vork en maakte dáármee een kruis. Vader ontplofte. Zulke humor, zulke godslasterlijke humor, want dat was het en niks minder, nou, dat was niet aan hem besteed, als die snotaap dat maar wist!

‘Zeg, Adri, overdrijf niet zo,’ merkte moeder hoofdschuddend en met zachte stem op. Het was alsof ze het met tegenzin zei, alsof haar mond uit zichzelf praatte, zonder haar toestemming. 

‘Waar bemoei jij je mee?’ vroeg hij. ‘Sinds wanneer kunnen de kinderen bij jou wat fout doen? Nou, zeg op!’

Moeder sloeg haar blik neer. Ze deed alsof ze hem niet gehoord had, wat ze wel vaker deed. Meestal kwam ze daar mee weg, maar deze keer niet. Het was doodstil in de kamer, ik geloofde zelfs dat ik moeder’s hart kon horen kloppen.

‘Zeg, wil je me aankijken als je tegen me spreekt…’ beet hij haar toe. ‘Die jongen, die lieve zoon van je, die hoort in een gesticht thuis, die moet ’ns flink op z’n donder krijgen, die groeit op voor galg en rad! En wat doe jij? Jij staat een beetje patat uit te delen...’

‘Wat moet ik anders?’

‘Wat moet je anders? Opvoeden natuurlijk! Ze op het rechte pad houden. Is dat zo moeilijk te bedenken? Op God’s weg, die trouwens ondoorgrondelijk is, zoals je weet, maar het is…’ (hij verhief zijn wijsvinger) ‘ons enige houvast en een beetje houvast kunnen we wel gebruiken. Houvast. Want dat is de macht van God. Een houvast. Een mast. Als die van een sierlijke kerstboom. Nou, wat denk je daarvan? Is dat niet mooi gezegd?’

‘Ach man, het is toch maar een onschuldig grapje van Pimmetje.’

‘Zo, is het maar een onschuldig grapje… Van Pimmetje.’ Het was duidelijk: die herhaling hield niet veel goeds in, pa laadde zich op. Hij liep ook helemaal rood aan. ‘Nou, de onschuld is het niet, die jongen! Hij wil niet eens misdienaar zijn! Mooi is dat. Maar of het een onschuldig grapje is, wat jij zegt, dat zullen we nog wel eens zien. Alle lijden wordt in onschuld geboren. Wat dacht je daarvan? En God ziet alles, vergeet dat niet!’

‘Nou, dan ziet Hij er misschien ook de humor van in,’ merkte Mirjam op.

‘Ja,’ beaamde moeder met een steelse, maar onmiskenbare trotse glimlach naar haar oudste, ‘lachen is toch niet verboden.’

‘Nee, lachen is niet verboden, maar een beetje eerbied zou geen kwaad kunnen, dunkt me. We hebben het hier niet over de buurman, Jan de bakker, die trouwens al helemaal geen eerbied kent, want die gaat niet eens naar de kèrk.’ Hij sprak zo snel dat hij bijna over zijn eigen woorden struikelde en z’n ogen vonkten. ‘ Ja, zo gaan we allemaal naar de verdommenis. Vind je het gek, al die ellende in de wereld? De mensen vergeten God. Nou en die kan zich wreken hoor! Maar naar mij wordt niet geluisterd. Nee, laat gekke Adri maar lullen. O, de wereld zal nog wat beleven!...’ Hij zette een stuk konijnevlees tussen zijn tanden en scheurde het van de bout af. Met volle mond oreerde hij verder. ‘Daar was de oorlog niks bij. Ja, dat was eigenlijk nog best een goede tijd. En toen gingen de mensen wèl naar de kerk. Maar moet je ze nu zien! Ze zitten zich alleen maar vol te vreten en aan geld en aan nog wat te denken. Verder deugt er niks aan, aan de mensen. Béésten zijn het… En dat konijn is niet te vreten. Veel te droog.’ Met een misprijzend gezicht schoof hij zijn bord van zich af. ‘Geef die patat maar hier.’ Aarzelend gaf Mirjam hem de schaal met friet. Hij kieperde de hele schaal leeg op zijn bord en begon er in hoog tempo van te eten, smakkend en knoeiend. Moeder schudde kort haar hoofd en verdween naar de keuken. We konden horen dat ze nieuwe friet in de pan deed. We moesten er maar even op wachten, riep ze. En ze had straks ook nog een lekker toetje, voegde ze eraan toe. Vla-flip. Vla-flip met hagelslag. Vla-flip de luxe.

De volgende aflevering:

Moeder dreigt met een mes & hoe ruiken meisjesbillen?

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Ruim een kwart miljoen beschikbaar voor debutanten

Ruim een kwart miljoen beschikbaar voor debutanten


De organisaties Nederlands letterenfonds en Prins Bernhard Fonds investeren in 2021 en 2022 meer dan een kwart miljoen in debutanten en bijzondere uitgaven volgens Boekblad. Na de corona uitbraak van afgelopen voorjaar sloegen de fondsen de handen ineen om zo meer geld beschikbaar te stellen voor jonge debutanten.

 

Het Nederlands Letterenfonds stimuleert, door middel van beurzen en subsidies aan schrijvers, vertalers, uitgevers en festivals, de kwaliteit en diversiteit in de literatuur. Het fonds draagt zo bij aan de verspreiding en promotie van de Nederlands- en Friestalige literatuur in binnen- en buitenland. Op deze manier hoopt het fonds een zo rijk en divers mogelijk literair klimaat te creëren. 

 

Het Prins Bernhard Cultuurfonds ondersteunt cultuur, natuur en wetenschap in Nederland.

Met financiële bijdragen, opdrachten, prijzen en beurzen stimuleren we bijzondere initiatieven en talent. 


In totaal is de aanvraag van 26 projecten voor de aankomende twee jaar goedgekeurd. Per project is 10.000 euro beschikbaar. De helft van dit bedrag is voor de auteur. De andere helft gaat naar de uitgeverij en moet ook deels besteed worden aan de promotie voor het project. 

 

--

Door Renske Bakkenes

Afbeelding van Nederlands Letterenfonds

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 13

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 13


De feestmaand begint met een ouderwets burgermansbacchanaal

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow.

Onze moeder haatte december sowieso, al zou ze dat nooit zo zeggen. Ze was meer van de milde bewoordingen. ‘Ja’, zou ze zeggen, ‘ik heb inderdaad wel een hekel aan die maand.’ Of zoiets. Het was haar te druk. Dat begon al met sinterklaas; een week erna, op de dertiende, was ze zelf jarig. Dan zat het huis weer vol met alle ooms en tantes. En dan moesten er dus inkopen gedaan worden. Veel inkopen, want iedereen dronk wel wat anders. Citroen-met-suiker en bessenjenever voor vooral de vrouwen, vieux of bier voor de mannen, de laatste al dan niet vergezeld van een jonge klare, en dan nog de niet-alcoholische drankjes, zoals de jus d’orange en het glaasje prik: gewone sinas of sjieke cassis. Verder werd er leverworst gepresenteerd en blokjes kaas, soms ook gevulde eitjes of rolletjes blikasperges met ham, en er kwamen bakjes met zoute stengels, chips en pinda’s op tafel. Voor de grijp stonden er ook altijd een paar glazen met daarin sigaretten en enkele sigaren. Het was me wat, ze had er haar handen vol aan. Bovendien werd het huis op z’n kop gezet, want alle stoelen werden verzameld en die moesten in een kring in de huiskamer worden opgesteld. Wij kinderen kenden het wel, het was ieder jaar hetzelfde ritueel.

En daar kwamen ze, hoor, al die ooms en tantes, de een na de ander. Ze waren bijna allemaal van vaders kant – van moeders kant kwamen alleen haar halfzussen tante Mie en tante Nina met hun mannen, want haar geliefde broer ome Gerlof zat in Afrika. Helaas voor ons kinderen, want dat was eigenlijk de enige die echt iets spannends te vertellen had. De meesten hadden een bloemetje bij zich, anderen een zeepje of een sjaaltje of, de meest tuttige tante, zelfs een zelfgebreid vestje. Moeder, de jongste van het hele stel, kreeg vele kussen op haar wangen.

Het bezoek zocht een stoel uit en daarna ging het los. Binnen de kortste keren waren alle stoelen bezet en stond de huiskamer blauw, want bijna iedereen rookte, ze staken het ene rokertje met de andere aan, en tussendoor namen ze een flinke slok – behalve onze vader. Na een uur of wat was het dan bal. Dan ging ome Leo Truk, de man van tante Addie, leuk doen, om de salontafel kruipen bijvoorbeeld en dan mocht zijn vrouw op z’n rug. Of, liever nog, een andere vrouw! En de rest maar lachen.

Jolijt alom. Zeker als de eerste schuine moppen over tafel gingen of vrolijke oude familie-anekdoten werden opgehaald. De enige die er chagrijnig bij bleef kijken was ome Thijs, maar daar was iedereen aan gewend. Verder was ’t altijd wel een feestelijke bende in die dagen en meestal droeg onze vader, met z’n rare verhalen die hij theatraal uit de doeken deed, ook een steentje bij aan de algehele feestvreugde, al was het maar omdat hij zelf nog het meest moest lachen om z’n grappen en grollen.

‘Jongens,’ merkte ome Lex bijvoorbeeld op, ‘dit is de eerste keer dat onze moeder er niet bij is, want voor de rest is iedereen erbij, beseffen jullie dat wel?’

‘Oooh,’ zei vader dan merkwaardig luchthartig, ‘dat zal nog wel vaker gebeuren!... Dat moeder er niet bij is, bedoel ik…’ Hij gaf die toelichting omdat iedereen hem opeens aangaapte en hij dacht dat ze zijn humor niet begrepen. En als ie dan een standje kreeg vanwege die in de ogen van zijn zussen en broers – hij was de jongste – onbetamelijke opmerking, dan deed hij er nog schepje bovenop.

 ‘Een retourtje zal ze in de hemel echt niet krijgen!’ Meestal kreeg de lach dan alsnog de overhand. Want het was gekke Adri maar die dat zei, hun lijpe broertje… En dan lagen ze ineens allemaal dubbel of klapten ze met hun handen op hun knieën, anderen (tante Zus en tante Mien) moesten hun neus dicht knijpen om hun slokje niet uit te proesten. Maar toch, zelfs als klein kind wist je, vóélde je dat het ergens niet klopte, die opgeklopte vrolijkheid, je begreep dat er meer aan de hand was, maar wat dan precies, dat liet zich nooit raden. O, soms zag je een paar van hen weleens met de koppen bij elkaar zitten te smoezelen. Maar het had er dan altijd veel van weg dat ze dat stiekem deden. Ze hadden hun geheimen, die volwassenen. Dat was het. Net als kinderen, maar dan andere, meer raadselachtige: Echte Geheimen.

Nou, dat was dan maar zo. Want voor ons kinderen was het ergste van zo’n avond dat al die tantes gekust wilden worden. Nee, met een handje namen ze geen genoegen. Ben je mal! Ze drukten je in hun omhelzing liever plat en gaven je van die natte zoenen zodat de lippenstift op je wangen brandde. ‘Heerlijk zijn die kinderen van je, echt om op te vreten!’ Ze zaten er voor in de rij, die tantes. Dus het was zaak om je zo snel mogelijk door die hysterische massa heen te wurmen. Dat ze je uitlachten om je meestal ijdele pogingen om aan hun vrijages te ontkomen, maakte ons kinderen geen fluit uit. Redden wie zich redden kan! Dan nog liever op tijd naar bed! Toch werd het, omdat moeder druk in de weer was met drankjes, hapjes en een vaatdoek voor dat omgevallen glas van ome Jaap (‘Geeft niks, Jaap, kan gebeuren, wil je er nog eentje?’), vaak alsnog laat, althans veel later dan je gewone bedtijd. Soms gingen de eerste gasten dan al weer weg en zag je zo’n oom op onvaste benen moeder vol op haar mond zoenen. ‘Hou je goed, Mar! En sterkte met Adri. En weet je: je blijft de mooiste…’ Vaak volgde dan nog een vette knipoog. Moeder was daar altijd een beetje verlegen onder. ‘Doe niet zo gek, joh,’ antwoordde ze dan met aangelopen wangen. ‘En dan, ik ben ook weer een jaartje ouder…’ Ze verschool zich wel vaker achter zulke bescheidenheid, hoe ijdel dat tegelijkertijd ook was, maar duidelijk was dat ze niet graag vol in de aandacht stond. Daar had ze haar man voor, die kon dat. Misschien was ze daarom wel op hem gevallen, ooit. Het was duidelijk dat ze daar wel van teruggekomen was. Want hij wilde altijd aandacht, hij lééfde ervan. En als ie geen aandacht kreeg, dan ging ie rare dingen doen. Daar was ze doodsbenauwd voor, want wat moesten de buren daar wel weer niet van zeggen? De buren, dat betekende: de buitenwereld, oftewel iedereen die niet bij ons in huis woonde… Het afscheid nemen van haar bezoek eindigde er meestal mee dat zo’n oom een zetje van zijn eega kreeg. Genoeg zo, betekende dat. Wegwezen.

De volgende ochtend was er vreemd genoeg nooit meer iets te bespeuren van het burgermansbacchanaal dat had plaatsgevonden. Je kon het alleen merken aan moeder zelf. Ze was prikkelbaar en kortaf, en je zag het ook aan haar: ze was doodmoe. ‘Ja, vind je het gek?’ zei ze dan snibbig, wat heel ongewoon voor haar was, ‘ik was al op voor dag en dauw en ik ging er als laatste in. Je vader ligt nog te snurken.’ Maar het resultaat was ernaar: de lucht was wonderbaarlijk fris, de stoelen waren opgeruimd, de flessen waren weg, er was gestofzuigd en de asbakken stonden weer blinkend in de kast. Ze had die rimpel in haar huishouden grondig weggewerkt. Zelfs de afwas was al gedaan.

Om een wit voetje te halen en om haar echt plezier te doen, merkten we dat dan allemaal op. Dan glom ze. Bijna als de godin van haar eigen huishouden. Van haar zoveelste herschepping. En ze zag dat het goed was: dat werk. Want ze hield, in al haar eenvoud, van eenvoud. Wat dat betreft was ze zo eendimensionaal als een streep.

 

*

 

En nog geen twee weken later had je dan weer kerst. Ook daar maakte ze altijd veel werk van, en ook dat omdat dat van haar, als katholieke moeder, werd verwacht. En anders zou pappa het haar wel inprenten, maar zo ver liet ze het echt niet komen. Op kerstavond gingen we met z’n allen in het donker naar de kerk, spannend was dat. Iedereen droeg dan z’n zondagse kleren, die ze voor haar kinderen vaak zelf maakte op haar naaimachine. Dat was haar lust en haar leven: lekker prutsen, zoals ze dat noemde. In haar jonge jaren was ze in het dorp naaister geweest bij een rijke familie die in een villa woonde aan de Konijnenlaan, volgens vader ‘de duurste straat van Nederland’. Ze deed er van alles: metershoge gordijnen maken, tafellinnen, beddegoed en veel verstelwerk, maar ook de strijk en wat er verder zoal te doen was. Ze vertelde er graag over. O, ze hield van aanpakken. Alles mooi maken. Na een compliment van de heer des huizes, een man met een imposante snor, kon ze er weer weken tegenaan. En ja, ze kreeg slecht betaald maar werd wel goed behandeld. En voor haar was het altijd weer een belevenis bij die mensen in huis te mogen komen, alsof ze een droom binnenstapte – bij haar thuis met d’r ziekelijke vader en lastige moeder was het tenslotte zo’n pretje niet. Daarom vertelde ze er bij tijd en wijle graag over. Voor de oorlog, sprak ze dan, hadden de rijke families nog echt een hele lading personeel. Een chauffeur, een kok, een heel stel dienstmeiden en ja, een naaister. Ze kon het goed met de anderen vinden en hielp hen graag. Ze vond het vooral ‘gezellig’, een woord dat haar in de mond bestorven lag. O, ze herinnerde zich de banketten, wanneer er hele hazen op tafel verschenen en de borden werden opgediend met een cloche. Moest je je voorstellen! En de kroonluchters in de hal met wel dertig kaarsen erin, de schouw met de open haard en al het zilverwerk, dat ze wel eens poetsen mocht. Zo mooi vond ze dat alles... Nu deed ze nog steeds wel eens klusjes voor de dochter van die familie, een vrouw die slechts een paar jaar ouder was dan zij en in een groot maar niet chic huis woonde – de echte sjeu was er wel af. En mijmerend zei moeder  dan dat vroeger alles anders was. O, niet beter, zeker niet, maar anders. ‘Begrijpen jullie wel?’ Het eindigde er meestal mee dat ze wat moedeloos haar schouders ophaalde. Daarna toog ze weer aan het werk en haalde weer een lap stof onder de ratelende Singer door. Als ze achter haar naaimachine zat was ze gelukkig leek het wel. Min of meer dan. Onze lankmoedige moeder.

 

 

 

De volgende aflevering:

Kerstmis met een godslastering 

 

 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

De nieuwe leeslijst: reacties

De nieuwe leeslijst: reacties


Drie weken geleden publiceerde Bazarow De nieuwe leeslijst Nederlands. Met daarop 25 boeken waarvan onze lezers ze geschikt vinden voor de jongeren van nu. We zijn nu drie weken verder, dus het is tijd om de reacties op de lijst door te nemen.

Kort gezegd kregen we ontzettend veel positieve respons. Zowel van auteurs, als van docenten Nederlands, bibliothecarissen als van literatuurwetenschappers. Marjan Brouwers, wiens boek Leegland op nummer 11 staat, schreef er een mooi blogbericht over. We kregen ook veel positieve respons op de YA-titels op onze lijst, van Rima Orie, Rianne Robben en Annet Hulst. Ook Splinter Chabot, wiens boek Confettiregen op nummer 3 staat was blij met de lijst, schreef hij op instagram.

Er kwam ook respons op twitter op het feit dat de leeslijst mensen het plezier in lezen had ontnomen toen zij jonger waren. Vanuit scholen hebben we nog niet veel reactie gehad, maar wel individuele docenten die opmerken dat ze wat in te halen hebben. We hopen dat onze lijst via docenten en leerlingen alsnog de scholen bereikt, en dat zij er dan ook echt wat aan hebben.

Ook kregen we de suggestie van Annet Hulst om samen met de scholen een actie te gaan doen en van de eerste boeken op de lijst onder deelnemende scholen een aantal exemplaren te verloten. Het lijkt ons leuk om dat bij de volgende editie op te zetten: meer de samenwerking zoeken met docenten Nederlands en middelbare scholen en dan samen met uitgevers dit plan uitwerken en groter maken. 

Inmiddels hebben we ook de winnaars van de boekenbon, Renate, Laurens en De heer/Mevrouw van Dijk gecontacteerd. Zij krijgen binnenkort een boekenbon ter waarde van 25 euro toegestuurd! We maken er een jaarlijkse traditie van. Dus iedereen bedankt voor het stemmen en tot volgend jaar!

--

Redactie Bazarow

Lees hier het artikel over De nieuwe leeslijst Nederlands

Bekijk hier de lijst

De beste boeken van 2020

De beste boeken van 2020


In de afgelopen weken publiceerde meerdere tijdschriften, kranten en websites de lijst van beste boeken uit 2020. De meeste lijsten bestaan uit tien boeken en sommige lijsten maken nog het onderscheid tussen fictie, non-fictie, young adult en vertaald. Het valt op dat in in veel lijsten bepaalde boeken herhaald worden. Zo komen in de Nederlandse lijsten, de volgende boeken meerdere keren voor, De avond is ongemak, De meeste mensen deugen, Uit het leven van een hond en het vertaalde werk Een beloofd land. De volgorde van de lijsten verandert vaak en zelden staat dezelfde titel bovenaan de lijst.

In de Engelse lijsten komen werken als Shuggie Bain, The vanishing half, Hamnet en Deacon King Kong meerdere malen voor. Ook hier geldt dat de volgorde per lijst verschillend is. 

 

Er is dus niet echt een nummer 1 uit te roepen uit deze lijsten als het beste boek van 2020. De lijsten zijn daarvoor te verschillend in volgorde.

Een overzicht van de top 3 van de lijsten van de 10 beste boeken van 2020

Hp/De tijd:

  1. Cliënt E. Busken - Jeroen Brouwers
  2. Uit het leven van een hond - Sander Kollaard
  3. Wij zijn licht - Gerda Blees

 

De volkskrant:

    1. Zomer - Ali Smith
    2. De jaren - Annie Ernaux
    3. De Effingers - Gabriele Tergit

 

 

Libris: 

  1. Een beloofd land - Barack Obama, vertaald door Bep Fontijn, Rebekka W.R Bremmer, Edzard Krol, Frans Reusink
  2. Revolusi - David Van Reybrouck
  3. De jonge, de mol, de vos en het paard - Charlie Mackesy

 

Bruna:

  1. Een beloofd land - Barack Obama, vertaald door Bep Fontijn, Rebekka W.R Bremmer, Edzard Krol, Frans Reusink
  2. De meeste mensen deugen - Rutger Bregman
  3. Martien - Jan Dijkgraaf

 

New York Times: 

  1. Hamnet - Maggie O'Farrell
  2. A children’s bible - Lydia Millet
  3. Deacon King Kong - James McBride

 

Los Angeles Times:

  1. Deacon King Kong - James McBride
  2. Leave the world behind - Rumaan Alam
  3. Luster - Raven Leilani

 

Vanity Fair:

  1. Clap when you land - Elizabeth Acevedo
  2. Inside story - Martin Amis
  3. The vanishing half - Brit Bennett

 

Time: 

  1. The vanishing half - Brit Bennett
  2. Shuggie Bain - Douglas Stuart
  3. The mirror and the light - Hilary Mantel

 

Publishers Weekly:

  1. The abstainer - Ian McGuire
  2. Beheld - TaraShea Nesbit
  3. Bluebird’s first wife - Ha Seong-nan


Dat 2020 een divers en vol literair jaar was, kan na alle lijsten, berichten en prijzen wel gezegd worden. Op naar een mooi literair 2021.

 

--

Door Renske Bakkenes

P.C. Hooftprijs naar dichter Alfred Schaffer

P.C. Hooftprijs naar dichter Alfred Schaffer


Alfred Schaffer is de winnaar van de P.C. Hooftprijs voor de letterkunde van dit jaar. De P.C. Hooftprijs voor de letterkunde is een van de belangrijkste Nederlandse oeuvreprijzen. Hij ontvangt hiervoor een geldbedrag van 60.000 euro. Met zijn 47 jaar behoort Schaffer tot de jongsten die de P.C. Hooftprijs wonnen.

De jury prijst hem als “een dichter die zonder met de modes mee te waaien midden in deze tijd staat.” Dat uit zich in zijn “neus voor moderne communicatievormen, maar vooral ook in de oprechte betrokkenheid met de wereld die uit zijn verzen spreekt. [...] Schaffers gedichten laten zich in eerste instantie vaak lezen als willekeurige passages uit een oneindige stroom observaties - maar die willekeur is schijn. Zijn poëzie omvat zeer precies gekozen momentopnames, met zinnen die ogen alsof er een scalpel aan te pas is gekomen."

Schaffer publiceerde tien bundels, waarvan zijn laatste bundel Wie was ik in het afgelopen jaar verscheen. De prijsuitreiking is in mei 2021 in Den Haag. Het is nog niet duidelijk hoe de plechtigheid zal plaatsvinden.

--

Door Isolde Kors

 

CPNB verandert cadeau campagne en introduceert nieuwe corona campagne

CPNB verandert cadeau campagne en introduceert nieuwe corona campagne


Voor de komende feestdagen had de CPNB, de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, een cadeau campagne opgezet. Deze is gisteren vanwege de nieuwe corona maatregelen aangepast. De organisatie paste de slogan “Ga naar je favoriete boekhandel” aan naar “ga online naar je favoriete boekhandel”. Deze aanpassing kon zo snel gemaakt worden omdat het CPNB al rekening hield met de mogelijkheid dat boekhandels zouden moeten sluiten. Daarom namen zij meteen al twee verschillende spotjes op. Een voor als de boekhandels open konden blijven, de andere voor als er een lock-down kwam. 

Tevens introduceerde het CPNB de website ikleesthuis.nl, waar de organisatie iedere dag nieuwe boeken aanraadt, die mensen thuis kunnen lezen. De slogan is “Hoeveel bladzijden nog tot 19 januari?”. CPNB-directeur Eveline Aendekerk: “We benadrukken dat bestellen óók kan bij je favoriete lokale boekhandel. Wij kiezen voor deze focus omdat de boekhandels op dit moment de steun het hardste nodig hebben. Ik vind het verschrikkelijk dat ze dicht moeten.”

--

Door Isolde Kors

 

Nieuwe lockdown: boekhandels moeten sluiten. Reacties vanuit de boekenwereld

Nieuwe lockdown: boekhandels moeten sluiten. Reacties vanuit de boekenwereld


Gisteravond kondigde premier Rutte nieuwe strenge maatregelen aan voor de bestrijding van het coronavirus. Sinds black friday liep het aantal corona besmettingen sterk op, waardoor Nederland voor een periode van vijf weken in een strenge lockdown gaat. De betekenis hiervan is dat tot en met 19 januari alle niet-essentiële winkels dichtgaan. Hieronder vallen ook de boekhandels. Geen leuk nieuws om te horen, zo’n lockdown vlak voor de kerstperiode.

Het nieuws dat boekhandels moeten sluiten veroorzaakt dan ook veel reacties op social media. Gisteren stonden er voor meerdere boekhandels rijen van mensen die nog snel hun kerstinkopen wilden doen, schrijft een aantal twitteraars. Boekhandelaren worden met deze maatregelen hard geraakt. De kerstperiode is doorgaans de tijd waarin de meeste omzet gedraaid wordt, soms wel 20%, meldt Boekblad.

Veel boekhandelaren wijzen op twitter en facebook naar ons buurland België en naar Berlijn, waar ze boekhandels en bibliotheken wel als essentieel zien. Ook zijn er vragen of afhaal loketten wel mogen openen. Deze zijn echter vooralsnog niet toegestaan, aldus Boekblad. Er is tevens veel verbazing over het feit dat in boekhandels die een post of pakketpunt hebben wel open mogen blijven voor die diensten. Eric Henri van The Read Shop aan Boekblad: 'Ze mogen niet, als ze in de lange rij met post versturende en pakketjes ophalende mensen op hun beurt wachten, even een boek afrekenen. Die moeten ze online bestellen.... en de volgende dag als pakketje bij mij afhalen. Ik ga dus vijf weken mijn klanten in mijn boekwinkel hun boeken zien kopen bij Bol en Amazon.' Of de regering de maatregelen gaat aanpassen is nog maar de vraag. Desondanks kan je je lokale boekhandel nog blijven steunen.

Veel boekhandels besluiten hun verkoop nu 100% online verder te zetten. Boeken die ze dichtbij verkopen kunnen ze veelal nog dezelfde dag langsbrengen, soms per fiets. Door deze initiatieven kun je jouw lokale boekhandel blijven steunen, en hoef je niet meteen naar de giganten voor je leesvoer of kerstcadeau’s. Wanneer je dit doet draag je niet alleen bij aan het vergroten van de overlevingskans van deze winkels na de crisis, maar je hebt je boeken vaak ook nog sneller in huis. Bol.com heeft er namelijk voor gekozen de boekenverkoop tijdens de feestdagen afremmen, aldus Tzum. ZIj gaven eerder al aan voorrang te geven aan bestsellers, en veranderen dat nu in een voorrang voor corona- en feestdagen bestellingen. Hierdoor wordt het kopen van boeken via Bol.com onaantrekkelijker, wat de individuele boekhandels hopelijk zal helpen de lockdown door te komen.

Natuurlijk kan je je boeken ook altijd bij Bazarow bestellen, waarmee je schrijvers en vertalers ook extra steunt.

--

Door Isolde Kors



Tzum start samenwerking met Bazarow.com

Tzum start samenwerking met Bazarow.com


Sinds afgelopen donderdag gebruikt Tzum Bazarow als aanrader voor boekenverkoop. Dit bekent dat bij verwijzingen naar boeken in recensies en nieuwsberichten voortaan een link staat naar Bazarow.com voor de boekenverkoop. Tzum is zo onderdeel geworden van het vriendenprogramma van Bazarow, ook wel affiliate genoemd. Eerst verwees Tzum door naar Bol.com.

Schrijver Coen Peppelenbos startte Tzum als literair magazine in 1998. Sinds 2010 is het een literair webblog en groeide Tzum uit tot de grootste onafhankelijke boekenblog met een groot team van recensenten. Peppelenbos is de hoofdredacteur.

 

Bazarow heeft inmiddels met meer dan 150 websites een dergelijke samenwerking via affiliate. Affiliate marketing houdt in dat iemand een banner van een verkopende boekensite  op zijn of haar eigen site plaatst. Komt iemand via deze banner op bijvoorbeeld Bazarow terecht en koopt deze persoon vervolgens een boek? Dan gaat een deel van de opbrengst  naar de site-eigenaar. Roeland Dobbelaer is verheugd over de komst van Tzum. “Deze samenwerking is belangrijk voor ons, dat de grootste boekenblog nu voor ons kiest betekent dat we meters maken.” Bij de redactie van Bazarow zijn we dankbaar voor de steun van Tzum. 

 

Wil jij je ook aansluiten bij het vriendenprogramma van bazarow, kijk dan hier

 

--

Door Renske Bakkenes

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 11

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 11


Kleine pikkies & Het troebele plezier van een ontgroening

Op school was alles in orde. Ik lag goed in de klas, zowel bij de jongens als bij de meisjes, al had ik er wel een dagtaak aan. Het hielp ook wel dat ik oudere broers op school had rondlopen, al wist ik dat die niet gauw een poot voor me zouden uitsteken, wat ik natuurlijk voor me hield.

Han Blauw was een van m’n nieuwere vrienden, hij woonde een eind verder bij ons in de straat, helemaal aan het begin. Hij was een stotteraar, vooral met de p en de b had hij het moeilijk. Ik hielp hem vaak, omdat ik heel goed was in het raden van de woorden die hij wilde uitbrengen. Soms vroeg hij me, dat moest van zijn ouders of eigenlijk van zijn spraakleraar, dat niet te doen, want wij moesten gewoon het geduld opbrengen totdat hij z’n gebrek weer voor even overwonnen had. Maar zo werkte het niet. Als het te lang duurde voordat hij een woord had uitgebraakt, schoten de jongens in de lach. Dus maakte ik zijn zinnen af en verzon ik zijn bijnaam: Beetje. Eerst was het nog Peetje en Beetje, maar dat was te lang. Ik was wel trots op die vondst, zeker toen ik zelfs zijn ouders die bijnaam hoorde gebruiken. Doordat ik hem hielp stond Han bij mij in het krijt en zo had ik er weer een handlanger bij. Overigens vond ik het heel leuk om bij hem thuis te spelen want als jongste had hij veel speelgoed en zijn moeder was ook altijd erg aardig tegen mij.

Er was nog een jongen, Klaas van Blaricum, die er ook bij wilde horen. Wel, dat kon geregeld worden. Maar hij moest er wel wat voor doen, vonden wij, de zelfbenoemde leiders van de klas. Maar wat? We zouden hem koning van het landje maken, stelde ik voor. En een koning werd gekenmerkt door moed, nietwaar? Dus dat moest hij dan maar tonen in een soort van proef.

We spraken af op een woensdagmiddag. Het kwam met bakken uit de lucht, maar daardoor lieten we ons niet weerhouden. We lachten van de voorpret en iedereen keek naar mij, want ik nam het voortouw hoewel het eerder Pieter-Bas’ landje was omdat hij in een van die aangrenzende huizen daar woonde, aan de Storm van ’s-Gravensandeweg. Maar ja, het plan was van mij.

Wij waren er al eerder en kozen de locatie. Pim was erbij, als zijnde mijn secondant, Beetje had ik ook meegevraagd, ook al omdat ik niet wist hoeveel man Pieter-Bas meenam en er misschien alsnog een machtsstrijd zou uitbreken – we bleven elkanders grootste concurrent in de hiërarchie. Maar hij had gelukkig alleen zijn kameraad Daan bij zich.

We kozen een stuk open terrein van een paar vierkante meter. Daar had een brandje gewoed en dat zwarte stuk land was lekker vlak, overzichtelijk en afgebakend, want op de rest van het land stond het kniehoge, vergeelde dode onkruid. Met een beetje fantasie had het wel iets van een podium. Zo bracht ik het tenminste. Het had zeker iets dramatisch, vooral tegen die grijze wolkenlucht en in die regen, maar dat besefte ik toen nog niet zo goed. Ik vond het spannend en trilde van opwinding.

Daar kwam Klaas aangelopen, helemaal alleen. Hij keek schichtig om zich heen. Hij was doodzenuwachtig, en gelijk had ie. ‘Hallo,’ zei hij, bijna formeel en ik geloofde even dat hij mij en Pieter-Bas een hand wilde geven, hij leek ons in ieder geval te polsen. Het maakte dat de bijeenkomst een steeds belangrijker gebeuren leek. Daan, Beetje en Piet stonden er afwachtend bij. Gelukkig ging de regen over in een soort van miezer.

Ik nam het woord, daar was ik immers beter in dan Pieter-Bas, dat wisten we allebei – hij was weer beter in samenzweringen, al stond ik daarin ook m’n mannetje. ‘Klaas,’ zei ik luid, ‘je wil erbij horen en dat begrijpen wij. Maar dan moet je wel een offer brengen.’

We keken allemaal naar hem. Hij knikte kort en nerveus.

‘Ben je bereid?’ vroeg ik, die woorden had ik de dag ervoor van mijn broer Johan geleerd, ik had hem gevraagd naar offers, waarover hij wat wist omdat hij zijn spreekbeurt over ‘wilde Indianen’ deed. Hij vertelde me zelfs dat je eigenlijk ‘offerandes’ moest zeggen en iets over ‘initiatie’, maar die woorden kon ik maar niet onthouden en ik moest natuurlijk geen modderfiguur slaan.

‘Eigenlijk moet het terrein branden,’ verzon ik, ‘of in ieder geval smeulen. Maar omdat het zulk slecht weer is, hoeft dat nu niet.’

‘Goed,’ zei Klaas.

‘Wàt zeg je?’ vroeg Pieter-Bas. ‘Goed?’

Dat was een slimme van Pieter-Bas. Verdomme, waarom was ik daar zelf niet opgekomen?

‘Dank’, herstelde Klaas zich. En je kon hem zien slikken.

Hij – enig kind – woonde tussen wal en schip, aan de Van Zuylen van Nijeveltstraat, die deels de scheiding vormde tussen de middenstandwijken en die van het lagere allooi, in een buurt die bij het oude dorp hoorde noch bij de buurt waarin ik opgroeide. Het markeerde zijn eenzaamheid. Achter hun huis bevond zich het kleine havenkwartier.

‘Je moet,’ zei ik, ‘een lied voor ons zingen…’

‘Goed. Dank.’

Dadelijk deed hij het nog in z’n broek. Dat zou helemaal fantastisch zijn!

Er viel een stilte.

‘Welk lied?’ wilde Klaas toen weten.

Even was ik uit het veld geslagen: ik wist het niet. En ik zag dat Pieter-Bas er ook niet over nagedacht had.

‘Met je broek uit,’ antwoordde ik vlug.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg hij, bij voorbaat gepijnigd.

‘Je moet een lied zingen en dan je broek laten zakken.’

‘Neeh…’

‘Jawel.’

‘Je wil er toch zo graag bij horen?’ zei Pieter-Bas. ‘Nou dan.’

De anderen stonden te gniffelen.

Klaas veegde z’n natte voorhoofd af. Er bleef even een druppel aan z’n neus hangen, maar toen schudde hij zijn hoofd.

‘Goed,’ zei hij toen. ‘Dank.’

Pieter-Bas begon te giechelen. De regen werd weer wat dikker.

‘Bij ons staat op de keukendeur,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Je moet Bij ons staat op de keukendeur zingen.’ Omdat ik hem zag peinzen, vroeg ik: ‘Dat ken je toch wel?’

‘Uhh… Niet precies.’

‘Ja-ah, het moet wel precies,’ vond Pieter-Bas.

Klaas’ lippen begonnen te trillen, maar dat was misschien ook wel van de kou. Waterkou, noemde m’n moeder dat.

‘Oké.’

Weer werd het stil. Het was spannend en het was heel vreemd.

‘Begin dan…’ zei Pieter-Bas.

‘Waarmee?’ probeerde Klaas het vonnis te rekken.

‘Of moeten we je soms helpen?…’

‘Eerst je broek omlaag,’ riep ik met overtuiging, het gezag weer naar me toe trekkend. Pieter-Bas mocht het niet van me overnemen.

‘Alle twee?’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Pieter-Bas.

‘Alle twee,’ antwoordde ik kortaf. ‘Ook je onderbroek.’

Hij deed het, langzaam, maar hij deed het. Eerst z’n broek, die al gauw op z’n enkels zakte, en toen z’n onderbroek, die tussen z’n knikkende knieën bleef hangen. En wij staarden allemaal naar z’n piemel, die een klein boogje vormde en in een herkenbaar smal tuutje eindigde. Zelf keek Klaas in het oneindige voor hem, z’n mond hing half open en z’n blik zag grauw.

‘Zingen,’ zei ik.

Klaas rilde en omklemde z’n bovenlichaam met z’n armen.

‘Zingen,’ drong Pieter-Bas aan.

‘Zingen!’ riepen we toen allemaal.

Ik zette in, om er vanaf te zijn, want ik vond het pijnlijk, om hem wat te helpen en zeker ook om mijn gezag te onderstrepen: een curieuze mengeling van motieven, die ik allemaal tegelijk ergens besefte, wat me in de war bracht. ‘Bij ons staat op de keukendeur…’ bracht ik met verstikte stem uit, meer dreunend, maar dan zonder overtuiging, dan zingend.

Klaas pakte het gelukkig op. ‘Het is niet altijd rozengeur…’

Ook hij zong niet, hij leek het eerder op te lezen, met vlakke stem, zacht ook.

Hadden wij toeschouwers tot dan toe steeds moeite onze lach te onderdrukken, nu keken we minder geamuseerd, er was een troebeling in ons speelse plezier gekomen. Iets raars. Maar we probeerden het voor elkaar te verbergen. Ik tenminste wel. De lach op onze gezichten hadden iets verbetens, iets maskerachtigs, echt en onecht tegelijk.

En m’n vader schreef op het behang…’

Ik voelde Klaas’ eenzaamheid aan den lijve, ik was tot in elke vezel doordrongen van zijn verdriet. En dan de kou. Je kon de rimpels op z’n zakkie zien. Ik herkende ze van zee, als je uit het ijskoude water kwam. Het voelde ook altijd heel ruw. Rubberachtig ook.

Lekker is maar ene vinger lang…’

‘Heel goed,’ zei Pieter-Bas.

Beetje kon het niet aanzien en ging er vandoor. Na ons en vooral mij een vernietigende blik te hebben toegeworpen. Met z’n fiets in z’n hand rende hij het landje af.

Ik zag Klaas’ ogen draaien en hij tolde op z’n benen. Het was fascinerend. Hij deed me denken aan de pin die je door het midden van een langspeelplaat moest steken om hem op het midden van de pick-up te leggen. De zwartgeblakerde bodem, die bijna-cirkel om hem heen, was de plaat. En hij zong!

En mijn moeder buffet… Ehh…’

De machine haperde. Hij was de tekst kwijt.

Niemand wist wat te doen. Klaas stond daar maar, met zijn mond open en met grote verschrikte ogen. Ik probeerde me de tekst te herinneren, maar ik kwam er ook niet op. Dat had ik altijd met liedjes, ik wist alleen het begin maar.

Iedereen keek naar mij.

‘Is het goed zo?’ vroeg Klaas toen met akelige stem.

‘Perfect,’ zei Pieter-Bas. Voor zijn beurt, wat mij betrof.

Ik keek van Klaas naar Pieter-Bas en terug. Ik had nog een troef. Ik bukte en plukte de bruine steel van de half verdorde distel uit de grond. Voorzichtig draaide ik er een kroontje van en zette die bij Klaas op z’n hoofd.

De anderen keken ademloos toe. Bij Klaas ontsnapte er een traan aan z’n oog. Maar dat was niet van de pijn, wist ik, want de prikkels van de distel waren niet zo sterk meer. Waarom hij dan toch huilde, wist ik ook. De anderen keken me een tijdje aan, met een vragende en onvriendelijke blik, maar ook met een zekere bewondering. Ik had een slechte beurt gemaakt, ze vonden me zoiets als weerzinwekkend. Tegelijkertijd, en dat besefte ik dondersgoed, had ik hiermee m’n positie ontzaglijk versterkt. Ik voelde me gestaald, een onverzettelijke kracht. Een standbeeld was ik, groots en trots.

Toen Klaas als een gek zijn broek begon op te hijsen viel de slappe plant van z’n hoofd. Daarna struikelde hij over z’n eigen benen en bleef liggen op de grond, z’n gezicht verbergend.

Wij hadden moeite om niet in schateren uit te barsten terwijl we elkaar aankeken.

 ‘Ik heb slecht nieuws voor je,’ zei Pieter-Bas en hij krulde z’n lippen.

Klaas lag schokkend van het snikken op de grond.

‘Je hoort er niet bij,’ ging Pieter-Bas verder. ‘Hij is te klein…’

Geniaal vond ik het, en ik gloeide van de jaloezie: dat had ik moeten zeggen!

De anderen knepen hun neus dicht en stootten gekke geluiden uit. Pieter-Bas glunderde.

Intussen krabbelde Klaas overeind. Even kreeg hij het voor mekaar ons stuk voor stuk aan te kijken, met een blik in z’n ogen die boekdelen sprak. Z’n ontluistering was totaal. Hij trilde en stootte wat vreemde klanken uit.

Opnieuw huilend koos hij het hazenpad, maar niet na ons nog even verzekerd te hebben het ‘allemaal’ aan zijn vader te vertellen en dan waren we, riep hij met overslaande stem, nog niet jarig want zijn vader zat bij de marine.

Ik zou liegen als ik zei dat ik ’m niet kneep, en wij allemaal wel daar, hoewel we breeduit stonden te lachen. Maar waarschijnlijk heeft hij het hele geval nooit aan z’n vader durven opbiechten want we hebben er nooit meer iets over gehoord en Klaas, die toch eigenlijk een beste jongen was, heeft er als gevolg van dat alles nooit echt bij gehoord. En daar had hij het moeilijk mee, dat kon je aan alles merken, aan z’n gedrag en aan z’n uitlatingen. Hij was erdoor getekend. Zijn voorbeeld was natuurlijk zijn vader, die stoere marine-man die ‘de commando-school’ had gedaan. En hij, hij had voor lul gestaan. Daar kom je moeilijk over heen, over zoiets, dat begreep ik wel. Maar ik, ik had m’n eigen zorgen. Ik ging hem uit de weg, omdat hij verder onbelangrijk was en ik, behalve een vorm van trots, ook zoiets als een schuldgevoel koesterde. Het zat me in ieder geval niet helemaal lekker.

Maar dat was later. Toen keken we hem na en konden we eindelijk hardop in lachen uitbarsten. Ik gaf Pieter-Bas een hand. Wij hadden immers een verbond. Wij waren de leiders.

--

De volgende aflevering:

Vader brengt Sint in verlegenheid en meer dan & van dat

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Het boek verscheen 10 december en is nu te bestellen bij Bazarow

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

 

Thinium breidt verder uit. Audiobooks steeds populairder?

Thinium breidt verder uit. Audiobooks steeds populairder?


Eind 2015 richtten Anouk Boelsma en Stefan van Duyn Thinium op. Dit is een onafhankelijk audioboek bedrijf. Zowel Boelsma als Duyn hadden al jaren ervaring in het vak, na eerst voor Rubenstein en Storytel gewerkt te hebben. Kennis van wat een goed audioboek inhoudt hebben Boelsma en Duyn dus zeker. Nu vijf jaar later kunnen ze hun bedrijf weer verder uitbreiden. Per jaar produceren ze nu ongeveer 450 audioboeken.

De uitbreiding van het bedrijf, die vanaf 1 december plaatsvond, betekent dat ze nu over meer studio’s beschikken wat leidt tot een hogere productie. Hiervoor werkte ze maar met 1 studio. Daarnaast kan er gemakkelijker aan gezamenlijke projecten worden gewerkt. Dit zijn audioboeken waarin verschillende stemacteurs het verhaal voorlezen.

De interesse voor audioboeken lijkt te toe te nemen. Zo moeten Boelsma en Duyn tegenwoordig zelfs geïnteresseerden afwijzen omdat er niet voldoende ruimte is om elk boek op te nemen. Het bedrijf gaat echt op zoek naar de juiste stem voor elk boek. Sinds het Covid-19 virus krijgt Thinium meer aanmeldingen van geïnteresseerden die hun stem willen lenen voor voorlezen, alleen heeft echt niet iedereen een prettige stem en er moet niet onderschat worden dat de kwaliteit van het voorlezen voorop staat. Of zoals Duyn aangeeft “Een mooi stemgeluid is niet genoeg, een voorlezer moet de tekst echt acteren. Als het goed is wordt het verhaal nog mooier dan het op papier al is.”

 

Thinium kan in 2021 in ieder geval weer flink aan de slag met audioboeken produceren. 

--

Door Renske Bakkenes

Een leeslijst voor de Australische minister-president

Een leeslijst voor de Australische minister-president


De Australische denktank Grattan Institute kiest ieder jaar een selectie boeken voor op de leeslijst van hun minister-president, Scott Morrison. Grattan Institute richt zich op het ontwikkelen van een kwalitatief publiek beleid om Australië een goede toekomst in te leiden.

Grattan’s CEO Danielle Wood: “Deze werken bespreken belangrijke en moeilijke uitdagingen voor Australië en one regering - klimaatverandering, het opbouwen van een weerbarstige economie en het verzoeken met inheemse groepen. Maar ze geven ook hoop. Ze schijnen licht op hoe we vooruit kunnen, of dat via publiek beleid, het opbouwen van gemeenschappen of via individuen, vrienden of familie gaat.”

De boeken op de lijst zijn:

- The Carbon Club - Marian Wilkinson

- Fire Front: First Nations poetry and power today - Ed. Alison Whittaker

- Good Economics for Hard Times - Abhijit V. Banerjee, Esther Duflo

- How the dark gets in - Claire Wright

- Max - Alex Miller

- Men at Work: Australia’s Parenthood Trap - Anabell Crabb

Grattan Institute zegt verder deze boeken aan alle mensen aan te raden, niet alleen aan de minister-president.

--

Door Isolde Kors

Lees ook het artikel van Grattan Institute

Lees ook het artikel van The Guardian

 

Lucinda Riley bekroond met twee gouden boeken

Lucinda Riley bekroond met twee gouden boeken


Lucinda Riley, auteur van de razend populaire zeven zussen-serie ontvangt twee Gouden Boeken van het CPNB. Van haar boeken Storm en Schaduw (deel 2 en 3 in de serie) zijn ieder meer dan 200.000 exemplaren verkocht in het Nederlandse taalgebied. Beiden boeken verschenen in 2018. Dit is de eerste keer dat een schrijver voor twee boeken op hetzelfde moment een Gouden Boek ontvangt, meldt het CPNB. Riley’s werk wordt in 34 landen uitgegeven. In totaal verkocht ze in Nederland 3 miljoen boeken.

De Zeven Zussen-reeks gaat over een groep zussen die na de plotselinge dood van hun vader samenkomt in hun ouderlijk huis, een prachtig landhuis aan het Meer van Genève. Na zijn dood hebben ze allemaal een mysterieuze brief gekregen over hun afkomst. Voor eerste deel van de serie ontving Riley eerder dit jaar een Platinum Boek. Op 29 april 2021 verschijnt het laatste boek in de serie, over de zevende zus.

De Gouden, Platina en Diamanten Boeken bestaan sinds 2012. Boeken waarvan meer dan respectievelijk 200.000, 350.000 en 500.000 exemplaren zijn verkocht ontvangen een oorkonde.

--

Door Isolde Kors



Uitgever en recensent Martin Ros overleden

Uitgever en recensent Martin Ros overleden


Uitgever en recensent Martin Ros (1937-2020) overleed gisterochtend aan de gevolgen van corona. Ros was jarenlang creatief directeur bij De Arbeiderspers, waar hij meewerkte aan de publicatie van honderden boeken. In 1997 kreeg Ros een herseninfarct, waarna hij zijn werkzaamheden bij De Arbeiderspers moest staken.

Ros begon toen met schrijven, recenseren en het verzamelen van boeken. Volgens de familie had hij er wel 60.000, die allemaal bewaard zijn in een grote loods. Ros’ eigen schrijfwerk gaat veelal, maar niet uitsluitend over wielrennen. Zo schreef hij een biografie van Fausto Coppi, maar ook een boek over Keizerin Sissi (Elizabeth) en Toussaint Louverture, leider van de Haïtiaanse revolutie.

Op Radio 1 verzorgde Ros op zaterdagochtend zijn eigen boekenrubriek voor de TROS Nieuwsshow. Deze werd wekelijks door wel 800.000 mensen beluisterd. Door zijn enthousiasme is hij een heus fenomeen geworden. Presentator Peter de Bie zegt tegen de NOS dat de luisteraars aan zijn lippen hingen. "Martin was woest geestig, het was cabaret op de vierkante centimeter, de man zat vol anekdotes."  

De laatste jaren woonde Ros in een verpleeghuis in Amersfoort, waar hij nog steeds omringt werd door boeken. Anita Ros, zijn nichtje, omschrijft Martin Ros aan NOS als “Bezeten van boeken: Als je een boek uit zijn kast pakte, kende hij alle details. Dan begon hij te vertellen over de inhoud. Zijn passie voor boeken was ongekend."

--

Door Isolde Kors

Lees ook het artikel van NOS en Boekblad

December-lezersactie Bazarow

December-lezersactie Bazarow


Win een van deze boeken. Doe mee!

Elke jaar krijgt de redactie van De Leesclub van Alles / Bazarow honderden recensie exemplaren opgestuurd. Van veel van deze boeken maken we een recensie. Maar toch blijven er regelmatig mooie boeken over. Sommige boeken krijgen we dubbel toegestuurd, en we kunnen niet alles lezen en bespreken. Om de zoveel tijd halen we onze kasten leeg en kijken we of we deze boeken nog een goede bestemming kunnen geven.

En nu doen we dat in de vorm van deze December-actie

Heb je belangstelling voor een van deze boeken? Stuur dan een mail naar info@bazarow.com en loot je mee voor een van de boeken.

Je kunt maar voor 1 boek meedoen. Je hoeft niet je adres erbijer bij te zetten, alleen je naam. Als je getrokken wordt benaderen wij je voor je woonadres.

En er is nog 1 voorwaarde. Alleen abonnees op Bazarow Magazine kunnen meedoen! Nog geen abonnee, meld je hier aan.

Boek 1.

Avonturiers van de Nederpop.
Veertig jaar eigenzinnige Nederlandse Popmuziek van Edwin Hofman


In Avonturiers van de Nederpop geeft Edwin Hofman het woord aan spraakmakende kopstukken uit de alternatieve Nederpop van de afgelopen decennia. Muzikanten die de Nederlandse pop en rock verrijkten met hun avontuur, creativiteit en lef. Muzikanten die blijvend applaus verdienen. Via persoonlijke ontmoetingen brengt Hofman hun muzikale erfenis uitgebreid voor het voetlicht. Persoonlijke observaties over albums, singles, inspiratiebronnen, het veranderde muzieklandschap en de Nederlandse media.

Boek 2.
Monoloog van een dikke man
Aliza Galkin-Smith


“Dit is het verhaal van een dikke man die onderweg naar eten zijn geluk heeft ontdekt – mijn verhaal. De simpele titel dekt niet de lading van de lange weg die ik heb afgelegd, met de vele hindernissen en kruispunten, een weg vol plaatsen, mensen en verschillende soorten eten.”

Boek 3.
Operatie Vrotte
Een luxe Gouden Boekje

Recensent Rita over dit vrolijke kinderboek: 

“Operatie Vrotte is een vlot geschreven Gouden Boekje, met vrolijke tekeningen waarin het thema eenzaamheid onder ouderen op de laatste bladzijde op een originele wijze verwerkt is. En vooral een plezierig boek om voor te lezen. En wat te denken van de titel als een soort codenaam?”

Boek 4.
Alleen op slechte dagen
Rudolf Bijlsma


In juli 1974, tijdens de jacht van het Nederlands elftal op wereldgoud, krijgt de zeventigjarige Ori Sandberg een aanlokkelijk voorstel. Zijn achtentwintigjarige dochter, Liv, komt hem onverwachts opzoeken en vraagt of hij mee wil naar de finale van het Wereldkampioenschap voetbal in Duitsland. De blijdschap over haar komst wordt al snel overschaduwd door haar vele vragen over zijn verleden uit de oorlog.

Uit de recensie op De Leesclub van Alles: “Het personage van Ori is psychologisch prima uitgewerkt, heeft de nodige diepte. Daartegenover staat het personage van Liv. Dat lijkt een flat character te zijn, maar gaandeweg de roman blijkt juist het tegengestelde.”

Boek 5.
Thuis
Inkeer en de vormgeving van het geweten
Anonymus

Religie: Thuis is ongetwijfeld één van de mooiste contemplatieve traktaten die het westerse monnikendom rijk is. Deze anonieme cisterciënzertekst uit de late twaalfde eeuw, traditioneel aan Bernardus van Clairvaux toegeschreven, is in werkelijkheid een compilatie van teksten van verschillende herkomst, die niettemin één geheel vormen. Het document is tevens één van de oudste verhandelingen uit de hoge middeleeuwen over de problematiek van schuld, het geweten en de eigen verantwoordelijkheid.

Boek 6.
Overgave
Carla van Ommeren


Recent Jan Stoel over deze roman: Carla van Ommen is sterk in sfeerbeschrijvingen. Het sensitieve en de gedetailleerdheid van de natuur beschrijft ze vol tederheid, met gevoel. De diverse culturen komen mooi aan bod. Ze weet de personages een eigen stem te geven. Door voor een wisselend perspectief te kiezen krijgt de ontwikkeling van de personages diepte. Ze gebruikt originele metaforen, die mooi bij de stemming van het verhaal passen. Tal van wijsgerige uitspraken doorspekken het verhaal: “Wie iets wil doen, vindt een middel, wie niets wil doen een excuus;” “De natuur trekt zijn eigen plan. Kan ook de menselijke natuur zijn;” “Drijf op het kompas van je ziel.”

Boek 7.
Overstag
Mieny Bierling


Fieke (29) heeft een afgeronde conservatoriumopleiding, maar komt moeilijk aan de slag in haar professie, ook al omdat het leven haar niet altijd even makkelijk afgaat. Op een dag belt haar succesvolle zus Laura haar met de mededeling dat ze een halfbroertje van tien blijken te hebben, Pepijn, en dat die dringend hulp nodig heeft. 

Boek 8.
Goede vriend
Erna Schröder


In dit boek beschrijft Erna Schröder de speciale band tussen haar en haar paard Tonoes. Die band was er vanaf het eerste moment dat zij hem zag. Vriend en vijand waarschuwden haar: ‘Het kost je je relatie, je wordt namelijk iemand anders. Een paardenvrouw.’ Maar ze kon niet anders, ze was verliefd.

Boek 9.
Overplaatsing 
Thomas Jiskoot


Recensent Jan Stoel over deze roman: Het ontbreken aan vertrouwen in de mensen, de onophoudelijke confrontatie met mensen die zich anders voordoen dan ze zijn is voor Stephan een probleem. Hij moet zichzelf en zijn eigen identiteit zien te ontdekken. Hoe doe je dat? Waar loop je tegenaan? Waar vindt je dat menselijk contact, die warmte, de arm om je heen? Kun je nog wel iemand vertrouwen? Hoe moet je je staande houden in de maatschappij? Wat zijn je talenten en hoe kun je die ontwikkelen? Het zijn allemaal vragen die als een rode draad door deze roman geweven zijn.

Boek 10.
Doornen en sterren
Jacop Pot

Doornen en Sterren
Fantasy. Lang geleden zouden de Sterren zijn afgedaald naar de aarde, om licht te brengen waar duisternis heerste. Ze zouden hebben gewoond onder de mensen, om zich in later tijden terug te trekken achter ondoordringbare doornenhagen.

In deze tijd geloven weinigen meer in de Afgedaalden. Des te groter is de verrassing wanneer de Fondatie van Irkin de nieuwbakken Doorluchtig Doorvorser Bom de opdracht verleent om te onderzoeken of de misschien wel laatste Ster ter wereld inderdaad in het HogeVorstendom van Ardwyn is te vinden. Waarom? Zo doorluchtig is Bom immers niet. Zin in de reis heeft hij al helemaal niet. Hij heeft echter geen keus

The Indie Awards longlist is bekend

The Indie Awards longlist is bekend


The Indie Awards stamt uit 2017 om auteurs die niet verbonden zijn met een uitgeverij extra aandacht te geven. Indie verwijst hier naar de term die in de muziekindustrie voor onafhankelijke muziek betekent. Of te wel zelf publiceren en creëren als onafhankelijke artiest. Voor auteurs is de term self publishing bekender, maar het concept is hetzelfde.  De onderscheiding is het initiatief van Simone Lucchesi en Sanne Hillemans. Beide zijn zelf auteurs en zij wilden het harde werk dat vele indie auteurs doen belonen met een prijs. Auteurs die hun eigen werk publiceren komen steeds meer voor. Ook neemt de kwaliteit van deze publicaties toe. Dat blijkt wel uit de lange longlist voor fictie. De lijst voor non-fictie en kinderboeken komt volgende week uit.

Om op de longlist te komen moeten de boeken wel aan bepaalde voorwaarden voldoen:

  • Het boek moet (voor het eerst) zijn verschenen tussen 1 januari 2020 en 31 december 2020. Heruitgaven zijn uitgesloten van deelname.
  • Het boek moet een ISBN hebben.
  • Er moet een papieren boek en/of een e-book van de titel bestaan.
  • Het boek moet in eigen beheer uitgegeven zijn. De auteur moet zelf beschikken over de exclusieve rechten van de uitgave.
  • Het boek moet (oorspronkelijk) in de Nederlandse taal geschreven zijn.
  • Boeken met veel taal- en spelfouten komen niet in aanmerking.
  • Voor prijzen die personen betreffen (redacteur, coverontwerper) komen alleen Nederlandstalige mensen in aanmerking.

Naast de longlist bepaalt de jury de shortlist, bestaande uit drie boeken voor elke categorie. Er worden onderscheidingen uitgereikt in de volgende categorieën.

  • BESTE BOEK 2020
  • MEEST VERRASSENDE PLOTTWIST
  • MEEST MEMORABELE PERSONAGE
  • BESTE FICTIEBOEK 2020 (publieksprijs)
  • MEEST LEERZAME BOEK (NON-FICTIE) (publieksprijs)
  • LEUKSTE KINDERBOEK (publieksprijs)
  • MOOISTE COVER (publieksprijs)

De shortlists van de categorieën maakt de jury halverwege maart bekend. Stemmen voor de publieksprijzen kan in de maand februari 2021.

In april 2021 maakt de jury alle winnaars bekend. 

 

Bekijk hier de website van The Indie Awards

 

--

Door Renske Bakkenes

Nabestaanden Roald Dahl maken excuses voor antisemitische uitspraken van de auteur

Nabestaanden Roald Dahl maken excuses voor antisemitische uitspraken van de auteur


De Engelse kinderboekenschrijver Roald Dahl is nog steeds een ongekende populariteit. Wat weinig mensen wisten is dat Dahl in interviews van veertig jaar geleden antisemitische uitspraken deed. Zijn kleinkinderen boden dit weekend hiervoor excuses aan. In een recent opgedoken interview uit 1983 zei Dahl onder andere: “In het Joodse karakter zit iets wat vijandigheid oproept. Zelfs een miskleun zoals Hitler koos hen met een reden als doelwit.”. De familie neemt in een verklaring afstand van deze uitspraken.

Antisemitisme staat ook wel bekend als Jodenhaat. Roald Dahl verkreeg zijn roem met zijn vele kinderboeken die vandaag de dag nog gelezen worden zoals De Grote Vriendelijke Reus, Heksen en Matilda. Dat zo’n gevierde auteur ook zulke haatdragende uitspraken deed, druist in tegen zijn kindvriendelijke boeken. Volgens de familie van Dahl zijn de uitspraken “onbegrijpelijk” en meldden zij dat “[z]ulke bevooroordeelde opmerkingen in schril contrast staan tot de man die wij kenden.”

Op internet wordt veel gereageerd op de verklaring van de familie. De reacties zijn wisselend. Sommige mensen vinden het goed dat de familie dit doet, anderen vinden het onzin en vermoeden dat het te maken heeft met zorgen over de inkomsten van de royalties, die de nabestaanden nog ontvangen en die mogelijk nu onder druk komen te staan.

Wat de exacte gedachte achter de verklaring ook mag zijn, het neemt niet weg dat de familie verantwoordelijkheid neemt voor uitspraken die vandaag de dag niet meer kunnen. 

 

Lees hier het artikel van NOS

Lees hier het artikel van The Guardian

 

--

Door Renske Bakkenes


Afbeelding van The Guardian

Nabestaanden van de hoofdpersonen willen dat Elle van Rijn haar historische roman De crèche herschrijft

Nabestaanden van de hoofdpersonen willen dat Elle van Rijn haar historische roman De crèche herschrijft


De recent gepubliceerde roman De crèche van Elle van Rijn staat vol onwaarheden, aldus de nabestaanden van de hoofdpersonen. Zij eisen dan ook dat Van Rijn de delen die niet kloppen volgens de familie herschrijft of verwijdert. Deze aanpassingen moeten voor de volgende druk plaatsvinden, zo eisen de nabestaanden.

De crèche is een roman over verzetsheldin Betty Oudkerk die tijdens de oorlog Joodse kinderen weg smokkelde uit de kinderopvang tegenover de Hollandsche Schouwburg. De zoon van Betty, David Goudsmit zei tegen het Parool: “Het zou een historische roman zijn, maar op de kaft van het boek staat groot: ‘Het waargebeurde verhaal.’ Fictie is feit geworden, terwijl er onwaarheden en onzorgvuldigheden in staan.” 

Goudsmit is niet alleen, zo vindt ook Greta Cune wiens ouders in de roman genoemd worden, dat er onwaarheden in het verhaal staan. Haar ouders worden niet beschreven zoals zij waren, aldus Cune. 

Ook de auteurs van biografieën over de verzetsheldin geven aan dat het boek vol onwaarheden zit. Esther Göbel en Henk Meulenbeld van het boek Betty. Een joodse kinderverzorgster in verzet (2016) en Esther Shaya, auteur van Harry & Sieny (2018) zeggen allen dat er feiten in de roman staan die niet kloppen.

Elle van Rijn zegt zelf tegen het Parool met de grootst mogelijke zorg aan de roman te hebben gewerkt en het vervelend te vinden dat dit nu in opspraak komt. Volgens van Rijn heeft zij tijdens het hele process nauw contact gehad met de nabestaanden en heeft ze schriftelijke bevestiging op haar werk gehad. Op twitter reageert ze als volgt: “Er zijn dagen dat ik me krachtiger heb gevoeld, maar die sterken me juist in mijn missie.” Met de hashtag ‘eerlijkheid duurt het langst’

Of van Rijn haar boek gaat herschrijven voor de tweede druk is nog niet duidelijk, maar kijkend naar haar tweet lijkt erop dat dit niet zal gebeuren. 

 

Lees hier het hele artikel van het Parool.

--

Door Renske Bakkenes

Fans starten campagne om Tolkien’s huis te kopen

Fans starten campagne om Tolkien’s huis te kopen


Fans van de Lord of the Rings auteur J.R.R. Tolkien lanceerden gisteren een campagne om geld in te zamelen zodat ze zijn huis kunnen kopen. Het huis van Tolkien, waarin hij een groot deel van de Lord of the Rings trilogie en de Hobbit schreef, staat namelijk sinds vorig jaar te koop. De groep fans, die het project gedoopt hebben tot Project Northmoor naar de straat waaraan het huis ligt, willen de locatie zien te bemachtigen om er een museum van te maken. Naast een museum met aandacht voor Tolkiens leven en werk, willen de fans ook een literair centrum creëren. 

Verschillende beroemdheden sloten zich aan bij campagne, zoals acteurs Ian McKellen (Gandalf), John Rhys-Davies (Gimli) en Martin Freeman (Bilbo Baggins). De campagne zal drie maanden lopen en afhankelijk van de hoogte van je gift zijn er extra’s die je als donateur kunt bemachtigen. Bijvoorbeeld bij een donatie van 20 pond ontvangt de donateur een certificaat, speciaal gemaakt door de organisatie. Desalniettemin zijn de organisatoren blij met elke donatie, of dit nu klein of groot is. 

Om het huis te kopen is er 4.3 miljoen euro nodig, alles wat mensen extra doneren gaat naar renovaties en onderdelen van het museum. 

 

Bekijk hier de website van Project Northmoor

Doneer hier

 

--

Door Renske Bakkenes

Afbeelding van Project Northmoor

Bazarow vriendenprogramma breidt uit. Niet langer een minimum bestelbedrag nodig

Bazarow vriendenprogramma breidt uit. Niet langer een minimum bestelbedrag nodig


Bazarow werkt sinds de zomer met een vriendenprogramma, een zogeheten affiliatesysteem, waarbij schrijvers, vertalers, uitgeverijen en bloggers die vrienden zijn van Bazarow over bestellingen die via hun websites lopen een deel van het bedrag uitbetaald krijgen. Eerder betaalde Bazarow al 8% uit op alle bestellingen die binnenkomen van meer dan 17,50, vanaf nu krijgen alle Bazarow vrienden altijd 8% uitbetaald op alle bestellingen. We stelden directeur Roeland Dobbelaer wat vragen over het vriendenprogramma.

Wat is het vriendenprogramma precies?

“Veel webbedrijven hebben een affiliate programma. Om meer views te krijgen online vragen we andere websites reclame te maken voor ons en daar staat dan een beloning tegenover. Eerst was bij ons die vergoeding dat affiliates 8% kregen over alle bestellingen boven de 17,50, dat nu is nu opengezet over alle bestellingen ook van onder de 17,50 euro.”

Hoe loopt het vriendenprogramma nu?

“We hebben iets van 120 affiliates, daar zijn we blij mee, het begint allemaal te lopen. We merken dat veel mensen graag affiliate willen worden omdat wij de boekensector steunen. Dat vinden ze belangrijk, dus dan willen ze best reclame maken voor ons.”

Waarom was de grens van 17,50 in eerste instantie noodzakelijk?

“Dat heeft met kosten te maken. Van de verkoop van boeken onder de 17,50 houden wij niet zoveel over. Dat komt omdat de kosten van het Centraal Boekhuis erg hoog zijn. We zien echter dat veel mensen bestellingen van meer dan 1 boek doen, waardoor bestellingen meestal boven de 20 euro uitkomen. Dan kunnen we die enkele bestelling van onder de 17,50 wel meepakken om het voor iedereen mogelijk te maken.”

Waarom kiest Bazarow er nu voor dit bedrag te schrappen? Wat betekent dit?

“Financieel gezien zorgde de grens van 17,50 ervoor dat het voor veel mensen nog niet interessant genoeg was om affiliate te worden. Bijvoorbeeld voor schrijvers en uitgevers van kinderboeken, omdat die vaak goedkoper zijn dan 15 euro. Deze mensen krijgen dan nooit geld van het affiliate programma. Het gaat op dit moment goed met Bazarow, waardoor we een betere marge kunnen geven. We betalen nu meer dan de meeste affiliate programma’s in de sector.”

Denk je dat meer mensen zich de komende tijd gaan aansluiten aan het vriendenprogramma?

“Ja zeker, ik denk dat vooral mensen die iets met kinderboeken doen zich zullen aansluiten. We hoorden uit die hoek van veel mensen dat het programma niet interessant was, dus dat het minimumbedrag nu afgeschaft is zal dat zeker een extra boost geven. We betalen nu ook veel meer dan de grote andere internetboekhandels, wat het ook veel aantrekkelijker zal maken.”

De eerste uitbetaling vindt overigens in januari 2021 plaats.

--

Door Isolde Kors

Lees hier meer over het vriendenprogramma.

De beste boeken van 2020 volgens HP/De Tijd

De beste boeken van 2020 volgens HP/De Tijd


HP/De Tijd publiceerde gisteren een lijst met de beste boeken van 2020 in vier categorieën in hun terugblik op het literaire jaar. Volgens de krant verschenen er extra veel boeken dit jaar vanwege een verhoogde productiviteit van schrijvers door de coronacrisis. Vandaar dat HP/De Tijd ook een categorie ‘wordt verwacht’ in de lijst heeft. 

De beste Nederlandse fictie van 2020

Jeroen Brouwers – Cliënt E. Busken

Sander Kollaard – Uit het leven van een hond 

Gerda Blees – Wij zijn licht

Pieter Waterdrinker – De rat van Amsterdam

Josephine Rombouts – De weg naar Cliffrock Castle

Esther Gerritsen – De terugkeer

Joost de Vries – Rustig aan, tijger

Merijn de Boer – De saamhorigheidsgroep

Anjet Daanje – De herinnerde soldaat 

 

De beste Nederlandse non-fictie van 2020

Gerbrand Bakker – Knecht, alleen

Charlotte Van den Broeck – Waagstukken 

Petra de Koning – Mark Rutte

Richard Groothuizen – Koot & Bie Encyclopedie

Bas Heijne – Mens/onmens

Paulien Cornelisse – Japan in honderd kleine stukjes

Gerard Aalders – Oranje zwartboek

Eva Vriend – Eens ging de zee hier tekeer

Harm Ede Botje en Mischa Cohen – Mijn meningen zijn feiten

 

De beste vertaalde literatuur van 2020

David Mitchell – Utopia Avenue

Javier Cercas – De koning van het schimmenrijk

Emma Cline – Daddy

Julia Phillips – Verdwijnende aarde

Laurent Binet – Beschavingen

Denis Johnson – De naam van de wereld

Ottessa Moshfegh – De dood in haar handen

Maggie O’Farrell – Hamnet

Ali Smith – Zomer

 

9 keer wordt verwacht

Saskia De Coster – De Weddenschap

A.F.Th. van der Heijden – Stemvorken

Hubert Smeets – Een wonderbaarlijk politicus. Hans van Mierlo (1931-2010)

DBC Pierre – Ondertussen in Dopamine City

Geerten Meijsing – Zeven kerstvertellingen

Marcia Luyten – Máxima Zorreguieta. Moederland

Blake Bailey – Philip Roth

Lucebert – Vaarwel

Roos van Rijswijk – De dwaler

---

Door Isolde Kors

Bekijk het volledige artikel op HP/De Tijd

 

Penguin Random House koopt Simon & Schuster

Penguin Random House koopt Simon & Schuster


Het Duitse mediaconglomeraat Bertelsmann, waar ook Penguin Random House onder valt, neemt Simon & Schuster over voor 2 miljoen dollar. Penguin Random House is op dit moment de nummer 1 Amerikaanse uitgever, Simon & Schuster is nummer 3. Samen hebben zij een jaarlijkse omzet die goed is voor 3 miljard dollar, wat hen tot de eerste ‘megapublisher’ maakt, aldus The New York Times. Ook nummer 2 HarperCollins met een omzet van 1.1 miljoen was in de race om overgenomen te worden door Penguin Random House.

Bertelsmann directeur Markus Dohle: “Simon & Schuster sluit volledig aan bij de creatieve en ondernemende cultuur die we koesteren door redactionele autonomie te bieden aan onze uitgevers en door hun zoektocht naar nieuwe verhalen, ideeën en stemmen te financieren en zo het bereik voor onze auteurs te maximaliseren. We erkennen – zoals ons succes heeft aangetoond – dat samenwerking ons allemaal sterker maakt. Door Simon & Schuster aan ons wereldwijde platform toe te voegen, kunnen we hun auteurs en boeken met nog meer lezers in contact brengen.”

Volgens The New York Times draagt de deal bij aan een ‘winner takes all’ mentaliteit in de uitgeverswereld. Hierbij strijden de grootste uitgeverijen voor het uitgeven van de bekendste auteurs om zo gegarandeerde ‘bestsellers’ binnen te harken. Deze ontwikkeling zien we de afgelopen jaren ook in Nederland terug. Gelukkig zijn er ook nog steeds mensen die een eigen uitgeverij beginnen. In het volgende Bazarow Magazine van 19 december spreken we een aantal mensen die een uitgeverij zijn begonnen en vragen we naar hun beweegredenen en wat zij van de uitgeverswereld op dit moment vinden.

--

Door Isolde Kors

Lees ook het artikel van The New York Times

Lees ook het artikel van Boekblad

Tonke Dragt en Rindert Kromhout maken samen een kinderboek

Tonke Dragt en Rindert Kromhout maken samen een kinderboek


Tonke Dragt en Rindert Kromhout werken momenteel samen aan een nieuw kinderboek. Dragt is het meest bekend van haar boek Brief voor de Koning dat in 2021 onderdeel van de actie van ‘geef een boek cadeau’ is. Dragt, werd recent 90 jaar en hoewel het fysieke schrijven voor haar lastig is, zit ze nog vol met ideeën voor verhalen. 

Kromhout is zelf ook een kinderboekenschrijver sinds 1982. Hij en Tonke Dragt zijn al lang vrienden. Volgens hem vindt veel overleg plaats tussen de twee over het boek al zet hij zelf alle woorden op papier. Het boek gaat over alle fantasie ideeën die zij hebben, tevens zullen er veel verwijzingen in zitten naar Dragts eerdere werk. 

 

Het boek moet uitkomen in het najaar van 2021

 

--

Door Renske Bakkenes

Steun voor de fysieke boekhandels steeg dit jaar

Steun voor de fysieke boekhandels steeg dit jaar


Dit jaar steeg de steun vanuit consumenten voor de fysieke boekhandels dat meldt Boekblad. Met name voor kleine en lokale boekhandels is er meer waardering ten opzichte van het voorgaande jaar. Volgens het GfK-SMB-kwartaalonderzoek geeft meer dan de helft van de consumenten voorkeur aan het kopen van een boek in een fysieke en lokale boekhandel boven online. Daarnaast geeft vier op de tien consumenten voorkeur aan een boekhandel waar ze regelmatig komen. 

KVB Boekwerk beargumenteert dat de stijging deels komt door de corona crisis. KVB Boekwerk is een organisatie die probeert de waarde van de boeken sector in kaart te brengen. Dit doen zij door informatie te verzamelen over de boeken sector in culturele, maatschappelijke en economische zin, om vervolgens deze data overzichtelijk en inzichtelijk te maken. 

Juist omdat mensen thuis zitten en niet ver van huis mochten, kochten meer consumenten lokaal. Deze vorm van steun was een van de voornaamste redenen om meer bij de lokale boekhandel te kopen aldus het KVB Boekwerk. Daarnaast gaven consumenten aan dat zij de sfeer in een fysieke boekhandel prettig vinden en het contact met het personeel als positief ervaren. 

Hoewel de stijging een positief effect is van de corona crisis, is het echter niet zo dat alleen de boekhandels profiteerde van de stijging in lezen van het afgelopen jaar. De online gigianten zoals als bol.com profiteerde nog veel meer van de crisis. Zeker 36% van de respondenten geeft aan in 2020 een boek gekocht te hebben bij bol.com. Wat ook een stijging is ten opzichte van vorig jaar. Volgens het KVB Boekwerk, kopen vooral jonge kopers bij bol.com. 

 

In ieder geval is de interesse en steun in de lokale boekhandel dit jaar gestegen. Toch nog een klein positief effect van het vele thuis zitten dit jaar. 

 

--

Door Renske Bakkenes


Lees hier het artikel van Boekblad

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 8

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 8


Nieuwe bedreigingen op school en vader zegt weer héél rare dingen. De eerste, merkwaardige kalverliefde

Op school had ik orde op zaken gesteld. Ik hoorde er bij. Ik was zelfs een van de leiders van de klas, hoorde bij het kleine clubje baasspelers en die positie wilde ik koste wat het kost behouden. Het hielp dat ik, zonder er veel moeite voor hoeven te doen, tot de besten van de klas hoorde. Maar daarbuiten had ik er m’n handen vol aan. Zo deden we in de pauze op het schoolplein veel aan ‘ridder-te-paard’: een soort gevecht waarbij het erom ging je tegenstander van zijn paard te werken. De paarden in kwestie waren de jongens van het lagere echelon. En ik had een uitstekende keuze gemaakt. Mijn stal bestond uit de logge en ook wat trage, maar onverzettelijke Kees Lagedijk en als prijspaard had ik de even dikke als verlegen en onoverwinnelijke Remco Zureroom. Ik noemde hem vaak ‘mijn prachtige, dappere nijlpaard’, wat de ander jongens wel zo grappig vonden en Remco zelf als een eretitel droeg. Hij moest wat, als verlegen jongen die niet uit z’n woorden kan komen. Door al m’n overwinningen, die ik vrijwel volledig had te danken aan mijn ‘paarden’, steeg ik hoger en hoger in de ongeschreven rangorde binnen onze klas. En als het moest deed ik er soms een schepje bovenop in de vorm van een rare act of een bizarre grap. Ook een goed middel was het imiteren van klasgenootjes, daar raakte ik allengs heel bedreven in. En als ik het even niet meer wist dan deed ik Jan Onderhetveld na, die de r niet goed kon uitspreken. Dan vroeg ik naar mijn naam en zei hij met die rare bek van hem – een mond kon je het niet noemen – zoiets als ‘Kuw.’ Of dan vroeg ik wat hij het lekkerste eten vond: ‘Macawoni’. Weer een gevalletje van in tongen spreken! Met dit verschil, dat deze Jan er wel een hele mond of liever gezegd muil van vol leek te hebben, zo groot was zijn spraakgebrek. En tijdelijk was het ook al niet: hij sprak altijd zo raar. Zelfs de schooljuffrouw had moeite met hem te verstaan.

Voor de zekerheid had ik mijn vader gevraagd naar een goed woord met een paar r’s en toen kwam hij, zonder er echt over hoeven na te denken en nog liggend in z’n bed, het was iets van half acht in de ochtend, met de suggestie van ‘drietrapsraket’. Nou, dat was helemaal een succes! ‘Dwietwapswaket.’ Jan maakte er goede sier mee – zíjn overlevingstactiek. En wij maar lachen. Hoe kwam ik toch aan dat wonderbaarlijke woord, wilden m’n klasgenootjes weten. ‘Nou, gewoon, verzonnen,’ antwoordde ik alsof m’n neus bloedde.

Aan de aanvoerkant van mijn verdedigingslinie vroeg mijn vader waarvoor ik zo’n woord nodig had. ‘Nou, gewoon, voor de gein.’ Daarna begon hij over Von Braun, de ‘geniale Duitse rakettenontwerper’, die de v-raketten had ontwikkeld en godzijdank! godzijdank! nu voor de Amerikanen werkte en niet voor de Russen… De drietrapsraket was weer zo’n geweldige uitvinding van hem. Dat bracht ons naar de maan…

‘Stel je voor!’ riep vader, helemaal opgaand in z’n enthousiasme, ‘straks vinden ze God nog aan de donkere kant ervan! Ligt die daar lekker te luieren! Wat kan hem de mensheid verder schelen!’ Hij begon onbedaarlijk te lachen, echt als in een stuip. En dan was er nog die rare blik in z’n ogen. ‘De donkere kant van God…’ sputterde ik, die hier meer van wilde weten. ‘…dat is de duivel,’ vulde mijn vader opeens heel ernstig en bijna angstig aan, er kennelijk geen been in ziend mijn misverstand recht te zetten. Ik liep weg, kon er niet meer tegen. Soms zei hij zùlke rare dingen.

Toch waren er ook op school bedreigingen. Ik was slecht in gym en dat was echt een minpunt. M’n klasgenoten hadden er nog niet veel van gemerkt, maar ik ging altijd met pijn in mijn buik en naar de gymzaal. Als de wandrekken dan werden uitgeklapt, werd ik bijna misselijk van angst: ik kon totaal niet omgaan met m’n hoogtevrees. De eerste de beste keer dat we er overheen moesten klimmen, wel drie meter boven de grond, haalde de leraar me eraf. Ik had een been over het rek heen geslagen maar verlamde in die houding van angst. Ik kon er niet eens op eigen kracht uit klimmen, de meester moest me helpen, wat hij misprijzend mompelend en met z’n hoofd schuddend deed. En toen stond ik daar, te trillen op mijn benen en ik schaamde me rot. Ik durfde de anderen bijna niet aan te kijken, desondanks zag ik ze besmuikt lachen. Ai. Daar was weer werk aan de winkel. Wat was ik toch een stijve hark! – een bijnaam die ik aan m’n broers had te danken.

Het gevaar kon ook uit onverwachte hoek komen.

Henk Noordoost, een verder ongevaarlijke meeloper die ook als het al bijna vroor nog in korte broek op school kwam en zich daarmee vreselijk diskwalificeerde, te meer omdat zijn ouders van die ontzettend stijve vrome trutten waren, gooide op een keer en schijnbaar zomaar in ons groepje: ‘Jouw vader is gek.’

‘Zo. En wie zegt dat?’

‘Mijn vader.’

‘Nou, dat moet jouw vader nodig zeggen!’ blufte ik. ‘Jezus, het moet niet gekker worden! O, nee, dat mag ik niet zeggen, hè: Jezus. Dat mag niet van je vader met z’n monnikenkop.’ Dat was ook een beetje een gok, ik had z’n vader misschien twee keer gezien, maar het werkte, want Henk bond meteen in. Ik keek hem vijandig aan en zag het kettinkje om z’n hals met het opschrift: Ik hou van Jezus. ‘Misschien was het maar een grapje van m’n vader,’ zei Henk hees.

‘Nou, leuke grapjes maakt die vader van je dan. De mijne maakt betere, dan kan ik je wel vertellen! En jij maakt zelf ook geen grappen. Eigenlijk ben je maar een saaie, suffe dakduivel. Een droplul van een apostel… En weet je, als jij van Jezus houdt, dan ben je een homo! Hoor je me, een homo!’ M’n zus had uitgelegd wat een homo nou eigenlijk was: een man die van mannen hield. Iets heel raars.

Hij kon er niet tegenop, tegen zoveel verbaal geweld. De tranen sprongen in z’n ogen. En ik voor mij genoot thuis natuurlijk een uitstekende leerschool in het afzeiken. Ik kreeg zelf ook de smaak al aardig te pakken. Het was eigenlijk iets machtig moois, ontdekte ik. En het luchtte op. ‘Schelden doet geen pijn,’ zei onze moeder wel eens als ze thuis een ruzie in de kiem probeerde te smoren. Nou, ze moest eens weten.

In ieder geval kreeg ik de lachers op mijn hand en was mijn overwinning binnen. Intussen zat ik ’m te knijpen, want m’n vader was inderdaad een gekke man. Het werd me ook duidelijk als ik ergens in het dorp herkend werd door een volwassene. ‘Zo, en jij bent er zeker een van Van Hargen. Van Adri.’ En dan zag je ze meesmuilen.

*

In die tijd diende zich een kalverliefde aan. Een die nieuwe verwarringen met zich meebracht. De allereerste kon ik me nog goed herinneren, dat was op de kleuterschool. Ze heette Hanneke Steen en ze speelde met ministeck, een fijn rooster van plastic waarin je kleurige pinnetjes kunt rangschikken zodat er een figuur ontstaat. Hanneke zat op haar stoel en ik stond naast haar. Ik vond haar lekker ruiken en vond sowieso haar lippen altijd zo mooi glimmen. En nu zag ik haar met haar prachtige vingertjes met schone nagels de pinnetjes vastzetten, heel precies en bedachtzaam. Ze zag mij niet staan en toen drukte ik met mijn vieze afgekloven wijsvinger en duim een paar van die pinnetjes diep in het rooster, zo diep dat je die er, geloofde ik, van je levensdagen niet meer uit zou kunnen krijgen. Ik deed het om haar te pesten, maar veel meer nog om indruk te maken opdat ze me niet zou vergeten. Ja, omdat ik van haar hield.

Ze keek op, dat schattige popje, en veegde haar steile donkere haar achter haar oor. Ik zag dat haar ogen groter leken dan anders: door de tranen, en haar wangen gloeiden, net als haar lippen. Er liepen een paar waterlanders langs haar neus. Ze zei niets, keek me alleen maar aan.

Ik streek heel even met de rug van mijn hand over haar brandende linkerwang en verliefd glimlachte ik terug.

O, ze huilde, dat was jammer, maar ergens ook wel goed, dacht ik en ik genoot van haar tranen en de gloedvolle geur die haar spanning en verdriet met zich meebrachten. Toen liep ik weg. En dat was dat. De eerste vlaag van verliefdheid. Duur: misschien tien, twintig seconden – maar wel indrukwekkende seconden. Het zorgde dagenlang voor een vreemd gevoel. Iets weeïgs en pijnlijks tegelijk, en even heerlijk als afschuwelijk. Het maakte dat ik me, bijna als een schildpad, thuis voor het eerst terugtrok onder de eettafel. Ik ging liggen op de zittingen van de drie stoelen die aan de ene kant van de tafel naast elkaar stonden en wist me beschermd door het tafelblad vlak boven mijn hoofd. Het overhangende tafelkleed zorgde dat ik nog meer aan het zicht onttrokken was. Het was mijn hol. Vandaar uit keek ik naar de anderen, naar mijn zus en broers en, als hij er was, mijn vader. M’n moeder stond in de namiddag meestal in de keuken. Ik keek en dacht na. Ik probeerde alles te begrijpen. Want wat er allemaal gebeurde, had op de een of andere manier iets geheimzinnigs. Ik dacht er ’s avonds in m’n bed als het donker was ook vaak over na. Soms geloofde ik sterk dat iedereen een spelletje met me speelde, dat ik de enige was die in onwetendheid werd gehouden, maar dat het allemaal maar flauwekul was. En ik was er vast van overtuigd dat ze het me op een dag zouden bekennen. Dan mocht ik alles weten en dan zou ik eindelijk alles begrijpen. Ik wachtte op die dag, ik verlàngde naar die dag, het zou een bevrijding zijn. Ik had het er wel eens met m’n moeder over gehad maar die begreep niet waar ik het over sprak. Of nee, die dééd natuurlijk alsof ze het niet begreep. Wat me trouwens wel verdrietig maakte. ‘Je kunt het me toch wel zeggen,’ piepte ik een keer teleurgesteld bij zo’n gelegenheid.

‘Maar wat dan, lieverd?’

‘Nou, gewoon, wat jullie allemaal denken en zo.’

‘Ik snap niet waar je het over hebt….’

‘Over alles.’

‘Over alles… Hm. Dat is nogal veel. Misschien moet je niet zoveel nadenken. Kijk maar naar je vader, die wordt er ook niet beter van.’

‘Heeft pappa dan hetzelfde als ik?’

‘Wat heb jij dan?’

Echt wanhopig: ‘Dat heb ik net gezegd!’

‘Je bent moe, je moet maar eens lekker gaan slapen.’

Dat vond ik zó’n stom antwoord dat ik me woedend omdraaide en het beddegoed over me heen trok.

‘Goed zo,’ zei ze.

Godverdomme!

Die nacht werd ik wakker en zat ik vast. Ik baadde al in het zweet maar nu brak ik werkelijk in paniek uit. Ik gilde. Ik zat in een zak, als een konijn! Als een onschuldig konijn! Ze namen me mee – maar waarheen?! Ik trok en duwde aan alle kanten en vond toen, buiten adem, de opening, boven me. Ik lag in bed. Godzijdank, ik lag gewoon in bed. Terwijl ik had gezworen dat ze me te pakken hadden. Maar wie waren dat, die ‘ze’? Dromen waren zo verwarrend, dat maakte het allemaal nog moeilijker. Vader had wel eens gezegd dat je geheugen net een groot pakhuis van herinneringen was, een pakhuis, voegde hij er ongevraagd aan toe, waarin hij, in zijn geval, de weg kwijt was. Maar het pakhuis van kinderen, zei hij erbij, stelde niet veel voor, dat was nog maar klein, meer een soort van poppenhuis eigenlijk. Goed, dat kon zo zijn, maar hoe zat het dan met dromen? Daarin kon je, terwijl je alles herkende, ook verdwalen. Ze leken daarom misschien meer op een spiegelpaleis, zo een als waar ik die afgelopen zomer op de kermis de uitgang niet van kon vinden. Ik zou dat voorvalletje, hoe onbenullig verder ook, niet licht vergeten. Want het was heel leuk, maar ook best spannend, om niet te zeggen: eng. We mochten van onze moeder nog een keer, maar ik wilde niet meer. (Spiegelpaleis: een woord dat, daar kwam ik natuurlijk pas veel later achter, zelf bijna een dubbelspiegel vormt: spiegel-paleis. Maar, geheel in de stijl van dromen, met een onvolledige, een verwrongen zelfreflectie.)

--

De volgende aflevering:

Een eerste echte liefde: Susanne. En vader die weer van alles in zijn hoofd haalt.

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

 

 

 

Dit is de nieuwe leeslijst Nederlands 2021

Dit is de nieuwe leeslijst Nederlands 2021


Bazarow startte twee weken geleden een enquête onder het leespubliek om de ideale leeslijst van dit moment samenstellen voor middelbare scholieren van nu! ‘De nieuwe leeslijst Nederlands 2021’ voor jongeren met 25 boeken van deze tijd. We kregen meer dan 1100 boekinzendingen. En dit is de top 25:

1. Wees onzichtbaar - Murat Isik

2. De avond is ongemak - Marieke Lucas Rijneveld

3. Confettiregen - Splinter Chabot 

4. Vallen is als vliegen - Manon Uphoff

5. Grand Hotel Europa  - Ilja Leonard Pfeijffer

6. Het boek van alle angsten Emy Koopman 

7. Moeders van anderen - Mirthe van Doornik 

8. Zondagskind - Judith Visser

9. ’t Hooge nest - Roxane van Iperen

10. Een schitterend gebrek - Arthur Japin

11. Leegland - Marjan Brouwers

12. De engelenmaker - Stefan Brijs

13. Alleen met de goden - Alex Boogers

14. Het gym - Karin Amatmoekrim

15. Alles wat er was - Hanna Bervoets

16. Zomerburen - Rianne Robben

17. Zwarte Schuur - Oek de Jong

18. Het moois dat we delen - Ish Ait Hamou

19. Birk - Jaap Robben

20. De helaasheid der dingen - Dimitri Verhulst

21. Joe speedboot - Tommy Wieringa

22. Gebrek is een groot woord - Nina Polak

23. Privacy live - Annet Hulst

24. Rook - Tynke Hiemstra

25. De zwendelprins - Rima Orie

--

Bazarow Redactie

Bazarow zocht de nieuwe leeslijst Nederlands. De resultaten.

Bazarow zocht de nieuwe leeslijst Nederlands. De resultaten.


De afgelopen twee weken voerde Bazarow Magazine een onderzoek uit waarbij we de nieuwe  leeslijst Nederlands voor de middelbare scholen zochten. Dit omdat er de laatste maanden levendige discussies over het vak Nederlands op de middelbare school en de steeds verder achteruit lopende leesvaardigheid onder Nederlandse jongeren waren. Het onderzoek was een groot succes, er kwamen  meer dan 1100 boek inzendingen binnen. We willen iedereen die heeft meegedaan van harte bedanken.

Bekijk hier de top 25.

Er was een breed scala aan inzendingen, waarvan drie hele duidelijke uitstekers zijn. Dat zijn Wees onzichtbaar van Murat Isik op 1, De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld op 2 en Confettiregen van Splinter Chabot op 3. Boeken die van zeer recente datum zijn, elk nog geen vier jaar oud. Daarnaast is het leuk om te zien dat er boeken uit veel verschillende genres zijn ingestuurd. Ook bijvoorbeeld van het YA-genre, of uit het literaire non-fictie genre. 

Opvallend hieraan is wel dat de YA-boeken die in de top 25 staan vrijwel uitsluitend zijn ingezonden door mensen onder de 35 jaar. Logisch, want 20 - 30 jaar geleden toen de 35-plussers jong waren was er nog nauwelijks iets in dit genre. De groep van ouder dan 35 blijkt toch nog veel boeken in te zenden die zij in het verleden lazen, en waar ze misschien mooie herinneringen aan over hielden, zoals boeken van Jan Wolkers of de Max Havelaar. Dit bleef echter bij enkele stemmen. Een andere opvallende observatie is dat ook onder jongeren enkele inzendingen van ‘oudere’ boeken binnenkwamen. De enige stem op De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch kwam van iemand onder de achttien. Van onze top 25 kunnen we in ieder geval zeggen dat ze door zowel mensen van ouder dan als jonger dan 35 jaar werden ingezonden, waardoor we ze als terechte winnaars kunnen beschouwen. Boeken als Een schitterend gebrek van Arthur Japin blijven geliefd onder jong en oud. We zijn blij dat er veel nieuwe boeken in de lijst staan, die in dit jaar zijn uitgegeven. Neem Het boek van alle angsten Emy Koopman of Confettiregen van Splinter Chabot, die allebei bovenaan in de lijst staan. Er staat geen enkel boek in de top 25  van voor het jaar 2000, wat betekent dat we de grote drie, Mulisch (slechts 3 inzendingen), Reve (slechts 7 inzendingen) en Hermans (slechts 6 inzendingen),nu toch echt kunnen afschrijven voor de leeslijst Nederlands. 

Gedurende de looptijd van de enquête hebben we enkele kleine aanpassingen gemaakt. We kregen van verschillende kanten kritische opmerkingen. Aanvankelijk stond er namelijk dat we van ‘Nederlanders’ willen weten welke boeken zij geschikt vinden voor de nieuwe leeslijst, dat werd aangepast naar ‘sprekers van de Nederlandse taal’. Vlamingen zijn natuurlijk ook zeer welkom. De enquête is namelijk niet alleen open voor Nederlanders, maar ook voor Vlamingen of andere sprekers van het Nederlands.

Het is leuk om te zien dat er op social media veel respons was. Zo deelden mensen spontaan op Twitter en op Facebook op welke boeken zij stemden. Zo koos Sue (@boekenz op Twitter) voor Het Gym van Karin Amatmoekrim, Maan en Zonvan Stefan Brijs en Boven is het stil van Gerbrand Bakker. Het Gym is één van de boeken die op de uiteindelijke lijst is gekomen!

Naast veel positieve reacties op de enquête kregen we ook een aantal verbaasde reacties. Zo gaf een aantal leraren Nederlands van de vereniging Levende Talen Nederlands de terechte respons dat lang niet iedere school zich strikt aan de leeslijst houdt. Zij verwezen daarbij naar onderzoek van literatuurwetenschapper Jeroen Dera. Dera is een van de prominentste namen in het onderzoek naar literatuuronderwijs in Nederland. Volgens hem zou literatuuronderwijs niet alleen over dode schrijvers gaan, maar gaat het in veel gevallen over ‘nieuwe boeken’. Bijvoorbeeld de boeken van Alex Boogers, Hanna Bervoets, Philip Huff, Herman Koch, Jaap Robben, Lize Spit. Wij zijn blij om te horen dat jongeren in veel gevallen boeken kunnen lezen die van deze tijd zijn. Ook al horen wel degelijk van lijsten op scholen die te ‘oud’ zijn of te ‘kort’, met te weinig aansprekende boeken van nu. 

Maar het onderuithalen van leraren Nederlands was niet het doel van onze actie. Zoals in eenzelfde onderzoek van Dera genoemd wordt is het concept ‘literatuur’ niet makkelijk te definiëren. Wat precies als literatuur beschouwd wordt is historisch bepaald, en verandert dus door de tijd heen. Zo dacht men in de achttiende eeuw nog dat literatuur over ‘serieuze’ zaken moest gaan, en hoorde fictie daar dus niet bij. Dera zegt over literatuur: ‘Literatuur is datgene wat in bepaalde tijd en bepaalde context literatuur genoemd wordt.’ 

Wat als literatuur gezien wordt hangt niet alleen af van de autoriteiten, maar is een samenspel van verschillende factoren waar ook het publiek toe behoort. Juist om deze reden denken wij bij Bazarow dat een dergelijk onderzoek naar de mening van boekenliefhebbers over welke literatuur van nu relevant is voor jongeren erg nuttig is. Wat als literatuur gezien wordt is een samenwerking tussen zowel de autoriteiten als het publiek. Met deze enquête proberen we die publiekskant meer te belichten. Het is dus geen definitieve lijst waarmee we zeggen ‘dit zijn de enige boeken die nu nog relevant zijn voor jongeren’, maar eerder ‘dit zijn de boeken die op dit moment door een breed lezerspubliek beschouwd worden als relevante boeken voor jongeren.’

Met de nieuwe leeslijst Nederlands hopen we inzicht te geven in de Nederlandse boeken die door een breed leespubliek zijn aangewezen als boeken voor jongeren van dit moment.

Veel leesplezier. We maken er een jaarlijkse traditie van.

--

Redactie Bazarow

 

Literatuurgeschiedenis.org vernieuwd

Literatuurgeschiedenis.org vernieuwd


Afgelopen voorjaar besloten de Koninklijke Bibliotheek en de Taalunie de website literatuurgeschiedenis te vernieuwen. De website was al wat verouderd, maar wordt nog veelvuldig gebruikt voor informatie over literatuurgeschiedenis. Het resultaat mag er zijn. De website is licht, fris en duidelijk. Het biedt nog steeds gratis informatie voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis.

De website werd oorspronkelijk ontwikkeld om leerlingen uit de bovenbouw extra informatie te verschaffen over literatuur. De site stond voor het eerst online in 2002. Er stond toen alleen het tijdvak middeleeuwen op. In 2008 werd de site uitgebreid met de tijdsperiodes van de Goude Eeuw, Achttiende en Negentiende Eeuw. De website bevat nu een volledige literatuurgeschiedenis van de middeleeuwen tot het heden.


Het vernieuwen van de website was niet het enige dat in de planning stond. Zo werken de Koninklijk Bibliotheek en de Taalunie momenteel aan een module voor leraren om de informatie van de website te gebruiken in hun lesprogramma. Deze module zal in het voorjaar van 2021 beschikbaar zijn.

Een aantal voorbeelden van de aanpassingen:

  • frisse, eigentijdse vormgeving
  • verbeterde navigatie- en zoekmogelijkheden
  • geactualiseerde inhoud
  • meer audio- en videofragmenten
  • nieuw: thema’s en literaire stromingen
  • meer verwijzingen naar o.a. DBNL, de Vlaamse literaire canon en Lezen voor de Lijst
  • gratis voor iedereen toegankelijk

 

Bekijk hier de website.

--

Door Renske Bakkenes

De 10 beste boeken van 2020 volgens de New York Times

De 10 beste boeken van 2020 volgens de New York Times


Zoals ieder jaar bracht de redactie van de New York Times Book Review ook dit jaar een selectie uit van de 100 opmerkelijke boeken van 2020 in de categorieen poezie, fictie, non-fictie, memoires en korte verhalen. De lijst bestaat sinds 2004. Van de lijst krijgen 10 boeken de titel ‘beste boek van het jaar’ toegekend. Hiervan zijn 5 fictie en 5 non-fictie boeken.

Dit zijn de 10 beste boeken van 2020 volgens de New York Times

 

Bekijk de volledige lijst hier.

--

Door Isolde Kors

 

Waarom zoeken wij de nieuwe leeslijst? Kritiek van leraren Nederlands op Bazarow initiatief 

Waarom zoeken wij de nieuwe leeslijst? Kritiek van leraren Nederlands op Bazarow initiatief 


Wil je direct naar de enquete? Klik dan hier.

Over twee dagen sluit de enquête waarin Bazarow op zoek is naar boeken voor ‘De Nieuwe leeslijst Nederlands’. De afgelopen twee weken hebben we ontzettend veel inzendingen gehad, waardoor de actie een succes lijkt te worden.

Naast veel positieve reacties op de enquête kregen we ook een aantal verbaasde reacties. Zo gaf een aantal leraren Nederlands van de vereniging Levende Talen Nederlands de terechte respons dat lang niet iedere school zich strikt aan de leeslijst houdt. Zij verwezen daarbij naar onderzoek van literatuurwetenschapper Jeroen Dera. Dera is een van de prominentste namen in het onderzoek naar literatuuronderwijs in Nederland. Volgens hem zou literatuuronderwijs niet alleen over dode schrijvers gaan, maar gaat het in veel gevallen over ‘nieuwe boeken’. Bijvoorbeeld de boeken van Alex Boogers, Hanna Bervoets, Philip Huff, Herman Koch, Jaap Robben, Lize Spit. Wij zijn blij om te horen dat jongeren in veel gevallen boeken kunnen lezen die van deze tijd zijn. Ook al horen wel degelijk van lijsten op scholen die te ‘oud’ zijn of te ‘kort’, met te weinig aansprekende boeken van nu. 

Maar het onderuithalen van leraren Nederlands is niet het doel van onze actie. Zoals in eenzelfde onderzoek van Dera genoemd wordt is het concept ‘literatuur’ niet makkelijk te definiëren. Wat precies als literatuur beschouwd wordt is historisch bepaald, en verandert dus door de tijd heen. Zo dacht men in de achttiende eeuw nog dat literatuur over ‘serieuze’ zaken moest gaan, en hoorde fictie daar dus niet bij. Dera zegt over literatuur: ‘Literatuur is datgene wat in bepaalde tijd en bepaalde context literatuur genoemd wordt.’ 

Wat als literatuur gezien wordt hangt niet alleen af van de autoriteiten, maar is een samenspel van verschillende factoren waar ook het publiek toe behoort. Juist om deze reden denken wij bij Bazarow dat een dergelijk onderzoek naar de mening van boekenliefhebbers over welke literatuur van nu relevant is voor jongeren erg nuttig is. Wat als literatuur gezien wordt is een samenwerking tussen zowel de autoriteiten als het publiek. Met deze enquête proberen we die publiekskant meer te belichten. Het is dus geen definitieve lijst waarmee we zeggen ‘dit zijn de enige boeken die nu nog relevant zijn voor jongeren’, maar eerder ‘dit zijn de boeken die op dit moment door een breed lezerspubliek beschouwd worden als relevante boeken voor jongeren.’

--

Redactie Bazarow

 

Woord van het jaar wordt een lijst van woorden?

Woord van het jaar wordt een lijst van woorden?


Oxford dictionary en van Dale kiezen elk jaar een woord van het jaar. Meestal zijn dit woorden die in dat jaar veel gebruikt zijn, of bedacht zijn. Oxford dictionary gaf deze week echter aan dat ze in plaats van een woord kijken naar een lijst van woorden. 2020 is volgens hen niet samen te vatten in één woord. Teveel woorden hebben dit jaar een opleving gehad, een nieuwe betekenis gekregen of zijn ontstaan. Welk woord beschrijft het beste 2020? Bij Oxford dictionary is de keus lastig te maken.

Ook van Dale brengt elk jaar een woord van het jaar uit. De lijst begon in 2007. In dat jaar was Bokitoproof het woord van het jaar. Refererend naar het incident met de gorilla Bokito. Andere voorbeelden van woorden die bovenaan de lijsten stonden zijn: boomer, selfie en project X-feest. 

 

Tot 30 november 9:00 kun je hier een woord toevoegen aan de lijst. Vanaf 1 december is het mogelijk om te stemmen op welk woord uit de lijst moet winnen. 

--

Door Renske Bakkenes

Batman strip levert 1.5 miljoen op

Batman strip levert 1.5 miljoen op


Een stripboek uit 1939 leverde 1,5 miljoen dollar (1.26 miljoen euro) tijdens een Amerikaanse veiling, dat meldde The Hollywood Reporter afgelopen vrijdag. In deze comic komt de superheld Batman voor het eerst voor. Het gaat om het 27ste nummer van Detective Comics. Het exemplaar is nog nooit gerestaureerd en verkeert in goede staat, dit is zeer zeldzaam.

De 1.5 miljoen dollar is niet het hoogste bedrag dat ooit betaald werd voor een stripboek. Zo leverde een eerste editie van Action Comics uit 1938, waarin Superman voor het eerst te zien was 3.2 miljoen dollar op.

De strip is voor elke verzamelaar een goede investering, de waarde van de strip kan alleen nog maar toenemen.

--

Door Renske Bakkenes

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 6

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 6


Moeder dreigt met weglopen en vader komt zijn bed niet meer uit. Als hij er wel uitkomt is het helemaal een verschrikking

Thuisgekomen kneep ik ’m. Die geur van sigarettenrook. Maar m’n moeder bespeurde niks. De rook uit het brandende vat op het strand maskeerde de tabaksrook. Een geluk bij een ongeluk.

‘Hebben jullie weer fikkie gestookt? vroeg ze verwijtend. ‘Kijk maar uit, straks vliegt de hele boel nog in brand.’ Waarna ze weer overging tot de orde van haar dag. Ze was met het eten bezig.

In de huiskamer kwam m’n zus Mirjam met een priemende vinger op me toegelopen. ‘Ik vind het heel gemeen dat je Geerie zo in de steek gelaten hebt,’ zei ze en keek me indringend aan. ‘Heel gemeen.’

‘Wat weet jij ervan, trut!’ antwoordde ik en liep door naar de trap.

Weinig later hadden Johan en Frans slaande ruzie. Eerst hoorde ik ze beneden bekvechten, maar al gauw klonk er geschreeuw en getier. Toen hoorde ik onze moeder tussenbeide komen.

‘Ben je d’r helemaal een haartje betoeterd!’ krijste ze, tegen ik weet niet wie. ‘Het bloed onder je nagels halen ze vandaan!’

Ze raakte over d’r toeren, dat had ze soms. Dan kreeg ik het altijd Spaans benauwd. De ene keer zette ze het op een wanhopig soort huilen, met lange uithalen en diepe snikken, die diep uit haar binnenste kwamen.  Dan zag je zo: nee, dat is geen kattepis. De andere keer dreigde ze weg te lopen, wat minstens zoveel indruk maakte. ‘Want zo hou ik het niet meer uit!’ En soms liep ze echt weg, dat was het aller-, allerergste. Meestal verstijfde ik dan van de schrik. Zelfs ademhalen lukte dan even niet meer en ik geloofde altijd dat ik ter plekke dood zou gaan. Als moeder ervandoor ging, dan was alles verloren. Alles! Dat besefte ik maar al te goed. Daarom was ik instinctief al een paar keer achter haar aan gehold. Meestal kwam ik haar achter in het laantje al tegen, haar gezicht verbergend in haar handen. Dan omhelsde ze me en liet ze haar hete tranen de vrije loop. Dan ging ik vanzelf ook huilen.

‘Er komt een dag,’ zei ze eens, even moedeloos als onheilspellend rustig, ‘dat ik níét meer terugkom.’

Het klonk te weloverwogen en te beslist. Ik bad tot God dat het niet zo ver zou komen.

Het werd herfst en vader kwam ’s ochtends zijn bed niet meer uit. Hij lag maar te woelen en te roepen. ‘Nee, Adri. Nee! Laat dat!’ De eerste keer dat dat gebeurde zei m’n moeder: ‘O jee, de blaadjes vallen. Daar gaan we weer.’ Je zag meteen een zorgelijke grauwsluier over haar gezicht vallen.

Het was een akelig gehoor dat door merg en been ging.

Wij kinderen begrepen er niks van. Wat is er dan met pappa? vroegen we.

‘O, die heeft het moeilijk,’ zei ze dan, zoveel mogelijk langs haar neus weg. ‘Dat is wel vaker gebeurd. Het gaat wel weer over.’ Onze moeder was goed in geruststellende praatjes, maar die werden steeds sleetser. Ze speelde haar zorgeloosheid zo goed mogelijk, maar best acteren kon ze niet.

‘Maar waar heeft hij het dan precies moeilijk mee?’ informeerde Mirjam.

‘Zeg, je hoeft niet alles te weten, bemoeial. Je mag dan de oudste zijn, maar eh…’

Het ging niet over, de hele week bleef hij brullen en schreeuwen, ook als hij zich met kennelijk veel moeite uit bed had weten te slepen. ‘Nee!’ riep hij dan, ijsberend in de keuken. ‘Niet doen!’ Als ik naar hem keek, liepen de rillingen over mijn rug. Zijn gezicht was sterk vermagerd en zijn ogen bibberden in hun kassen. Vaak hing zijn mond half open en zag je ongecontroleerde spiertrekkingen van zijn kaken naar zijn hals gaan. Hij ademde niet, hij hijgde. Angstaanjagend. Het werd nog erger als hij zich ging scheren. Hij had een stevige baardgroei. Het was sowieso een baardaap, er groeiden zelfs haren op z’n rug. Hij schoor zich heel jachtig, met grote halen. Dan zag zijn hele gezicht wit met rood. Wit van het scheerschuim en rood van het bloed.

Meestal ging hij ergens in de middag toch aan het werk, want de centen hadden we hard nodig, om tegen zevenen, veel eerder dan gewoonlijk, thuis te komen. We waren doordeweeks niet gewend hem ’s avonds nog te zien, dan lagen we al lang in bed. Maar nu kwam hij helemaal van de kaart thuis. Bekaf, schaamteloos ongegeneerd huilend soms. Onbegrijpelijk. Wij jongens werden er allemaal stil van, stuk voor stuk. Nou, dat gebeurde niet gauw.

Dan kreeg hij z’n op de kolenhaard opgewarmde prutje eten. En wij moesten naar bed. Hij kon ons er niet bij hebben, dat was hem werkelijk te veel. En mamma wìlde ons er trouwens ook niet bij hebben.

Als hij in het weekend zelfs niet meer mee naar de kerk ging, wisten we dat het heel erg was. Vlak voor vertrek (‘Opschieten, Pim, en Geerie, trek je schoenen eens aan. En waar is Johan nu weer? ‘Die zit te kakken.’ ‘Nee, hè!’) keek haar hij dan met zijn smartelijkste blik aan en smeekte haar met trillende stem: ‘Bid voor mij, Marja.’

‘Dat zal ik doen,’ antwoordde ze dan ijzig, boos dat hij zich voor het oog van zijn kinderschaar weer zo liet gaan. ‘Kom op jongens, we gaan.’ Ze kon niet verhinderen dat hij zich ook nog tot ons richtte: ‘En zullen jullie dan ook voor mij bidden? Ik heb ’t heel hard nodig. Heel hard…’ Waarna hij begon te grienen. ’t Was griezelig. Wat wàs er met die man?!

En dan gingen we, te voet, in onze zondagse kleren. Weer of geen weer. De kerk was verplicht. Dat zouden we later wel begrijpen, werd ons verteld. Want als iemand ons kon helpen, dan was ’t God wel. Ik hoopte het maar.

We liepen door de Berkheistraat, meer een laan eigenlijk, langs de manege en het oude, chique en ietwat geheimzinnige bejaardenhuis, dat omringd was door bomen en struikgewas. In de Berkheistraat werd onder de kastanjebomen de wekelijkse markt gehouden. Ik keek omhoog naar die bomen met hun aangetaste, grillige stammen waar we speels slingerend omheen dribbelden. Ik zag nog genoeg kastanjes hangen tussen de bruine bladeren.

‘Pappa moet waarschijnlijk weer naar het ziekenhuis,’ zei onze moeder.  ‘Er is iets mis in zijn hoofd. O, ’t is niks om je zorgen over te maken, dat is wel vaker gebeurd. Met een paar dagen is hij weer thuis. Dus laten we inderdaad maar voor hem bidden.’

Op dat moment herinnerde ik me dat ik, lang geleden, als kleuterschooljongen in deze zelfde laan achter bij mijn moeder op de fiets zat. We gingen pappa opzoeken in het ziekenhuis. Het was zomer, de bladeren van de kastanjes, net grote handen, zwaaiden boven ons. Ik hoorde ze ruisend fluisteren in hun geheimtaal en geloofde dat ze me met hun geritsel iets wilden zeggen. Ik was er niet gerust op en het leek alsof mijn moeder, die die dagen toch al anders was dan anders, er ook niet gerust op was, zo hard als ze doortrapte. Ik greep haar steviger vast. ‘Rustig maar, jongen,’ zei ze. ‘Het komt goed. Alles komt goed.’ Haar stem klonk ongewoon, alsof ze pijn had in haar keel of zo. Ze wreef over mijn hand en onderarm. Ik bibberde.

Het ziekenhuis lag ook al tussen bomen. Het was er heel raar, een beetje eng ook, vooral door de grote mensen die er rondliepen als spoken. Sommigen konden alleen maar gekke bekken trekken of bleven maar bewegen, heen en weer en heen en weer. Ik vertelde m’n zus er later over. ‘Die mensen zijn getikt,’ zei ze. ‘O,’ antwoordde ik ‘dus daarom bewegen ze als een klok.’ Toen moest ze heel hard lachen en ze omhelsde en knuffelde me stevig. Mijn vader kreeg ik die middag niet te zien. Ik zag de dokter, een half oog op mij gericht, iets tegen m’n moeder fluisteren. De zuster, een zwarte vrouw, ontfermde zich over mij. Ze gaf me een lolly. Ik vond het prima. Alleen die kussen van haar, met die grote lippen, dat vond ik niet zo fijn. En ze zat maar in m’n blonde krullenhaar te woelen, met die lange vingers van haar met die knalrode nagellak.

 

In de kerk gold eigenlijk maar één regel: je moest je mond houden. Je hoefde niet per se te luisteren naar de pastoor, als je maar wel meedeed met de gebeden die je kende: het Onzevader en het Weesgegroet. Soms klonk er een lied dat best mooi was, hoe onbegrijpelijk de woorden ook waren. Verder mochten we in onze eigen meegenomen boekjes lezen en keken we bijvoorbeeld naar die rare man in de zijbeuk die zijn gebed altijd afwisselde met enorm gegaap. Je was altijd opgelucht als het brood werd uitgedeeld en helemaal als het orgel machtig opklonk, de eerste maten van Bach’s toccata. Beuk heette de man die het bespeelde, en dat is precies wat hij deed: er de beuk in zetten. Geweldig was dat steeds. En daarna lekker weer naar buiten, naar het heldere licht en de frisse lucht!

Thuisgekomen van de kerk zagen we dat pappa nog in z’n streepjespyjama rondliep. Hij had een stoppelige baard en omhelsde ons allemaal. Toen moest ie van moeder gaan rusten, boven, in z’n bed.

‘Maar ik word gèk in mijn bed! Dan lig ik maar te malen. Dwanggedachten, Mar. Dwanggedachten!’

‘Maar je kunt niet zo blijven rondlopen. Ga je dan maar aankleden en een eindje wandelen.’

En dat deed hij. Pas toen het allang donker was keerde hij terug. Hij was de weg kwijtgeraakt, vertelde hij, wist niet meer waar hij was. Hoe kàn dat nou, antwoordde mamma, je woont hier al je hele leven. ‘Ik wéét het niet,’ riep hij, ‘ik weet ’t gewoon niet.’ Hij begon weer te huilen.

Van moeder moesten wij ‘als de donder’ naar bed. Maar van slapen kwam het niet erg. Met toegeknepen keel lag ik te luisteren naar hun onverstaanbare maar akelige geruzie, die ermee eindigde dat ze allebei aan het janken sloegen. ‘Ik weet ’t ook niet meer!’ riep moeder. Dat was het enige wat ik verstond. Onwillekeurig welden er tranen op in m’n ogen en hoezeer ik ook slikte, ik kon ze niet tegenhouden.

--

De volgende aflevering:

Hoe het verder moest met vader. En: jongens, piemels en schrikdraad, een landelijk tafereel

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

 

 

Connie Palmen over I.M. tijdens het Crossing Border festival 2020

Connie Palmen over I.M. tijdens het Crossing Border festival 2020


In aanloop van de tv serie I.M., naar het gelijknamige boek van schrijver en bekende Nederlander Connie Palmen, interviewde journalist Ronit Palache de auteur voor het Crossing Border festival. Palache begint het interview met de vraag wat het betekent voor Palmen nu ineens I.M. weer veel aandacht krijgt. Volgens Palmen is dit altijd fijn. “Juist omdat er weer nieuwe lezers bijkomen, voor een roman waar ik nog altijd achtersta. Als dat komt door een tv serie dan is dat maar zo.” Palmen vertelde dat de keuze om haar relatie destijds te verwerken tot een roman heel bewust was. Juist de literaire structuur die de roman haar bood, hielp haar met de relatie te verwoorden zoals ze graag wilde.

 

I.M. is een roman uit 1998. Palache gaf aan dat zij voor dit interview als voorbereiding een hoop oude recensies las. Lang niet alle recensies zijn positief. Palmen zegt dat dit haar niets uitmaakt. Zo vermeld ze: “Nee, kritiek doet mij niets, ik ben eerlijk gezegd totaal ongevoelig voor kritiek. Een recensent schrijft voor een lezer, niet voor mij als schrijver. Ik heb het boek afgerond, het is uitgeven en dan is het product af, wat mensen er dan van vinden is niet belangrijk voor mij.”

Ook jaren later, kan Connie Palmen nog uitgebreid vertellen over de reden voor deze roman en haar andere literaire schrijfwerk. Bekijk het hele interview hier.

De serie I.M. komt in december op de Nederlandse televisie.

 

--

Door Renske Bakkenes

Douglas Stuart winnaar Booker Prize 2020 voor zijn roman Shuggie Bain

Douglas Stuart winnaar Booker Prize 2020 voor zijn roman Shuggie Bain


Gisteravond is de belangrijke Booker Prize uitgereikt. Dit jaar gaat de prijs naar de schots-Amerikaanse auteur Douglas Stuart voor zijn roman Shuggie Bain, die de jury als “verbazingwekkend” omschreef. Stuart is de tweede Schot ooit die de prijs in ontvangst mag nemen. Hij ontvangt tevens een prijzenbedrag van 50.000 pond. Opvallend is dat Shuggie Bain Stuart’s debuutroman is. De laatste keer dat een debutant de Booker Prize won was de Brits-Indiase schrijver Arundhati Roy in 1997 voor haar boek The god of small things.

Shuggie Bain speelt zich af in Glasgow gedurende de Thatcher-jaren en vertelt het verhaal van een jongen die wanhopig pogingen doet zijn trotse, alcoholische moeder van haar verslaving af te helpen. De roman is gebaseerd op Stuarts eigen jeugd als lid van de arbeidersklasse. Hij benoemt het schrijfproces dan ook als “enorm helend”. ‘Ik denk dat van mannen van de Schotse westkust niet verwacht wordt dat ze erg goed hun gevoelens kunnen uiten of definiëren. Kunst bleek daar heel ontvankelijk voor.’

De Nederlandse vertaling van Shuggie Bain verschijnt in februari 2021 bij Nieuw Amsterdam.

--

Door Isolde Kors

 

National book awards 2020 uitgereikt!

National book awards 2020 uitgereikt!


Eergisteren zijn de Amerikaanse National Book Awards uitgereikt. De National Book Awards zijn een van de belangrijkste Amerikaanse literaire prijzen. De prijzen zijn voor het eerst toegekend in 1950. De National Book Foundation, waarvan het bestuur uit alle hoeken van het boekenvak komt, reikt de prijs uit.

De prijs voor het beste non-fictie boek ging naar Les Payne en Tamara Payne voor hun boek The Dead Are Arising: The Life of Malcolm X. Dit is een historisch werk die de rol van Malcolm X in de strijd voor gelijke rechten voor Afro-Amerikanen bespreekt.

De prijs voor het beste fictieboek ging naar Charles Yu, voor zijn satire Interior Chinatown. Dit boek vertelt het verhaal van Willis Wu, in de vorm van een screenplay waarin hij de rollen van ‘Generic Asian Man’ en ‘Background Oriental Male’ opneemt, maar eigenlijk graag ‘Kung Fu Guy’ zou willen spelen.

In de categorie ‘poëzie’ ging de prijs naar DMZ Colony van Don Mee Choi, een bundel die geïnspireerd is door de postkoloniale geschiedenis van Korea, en hierdoor verloren stemmen terugbrengt in het culturele geheugen.

De prijs voor het beste vertaalde werk ging naar het boek Tokyo Ueno Station van de Japanse auteur Yu Miri en vertaald door Morgan Giles. Dit is een historische roman over een dakloze geest die de treinstations van Tokyo plaagt.

Als laatste ging de prijs in de categorie ‘Young people’s literature’ naar het boek King and the Dragonflies van Kacen Callender, een boek over een zwarte jongen die rouwt om het verlies van zijn broer en tegelijkertijd worstelt met het uit de kast komen.

--

Door Isolde Kors

 

Update nieuwe leeslijst Nederlands

Update nieuwe leeslijst Nederlands


Vorige week startte Bazarow met een actie waarmee we de leeslijst Nederlands willen opfrissen! De laatste maanden waren er levendige discussies over het vak Nederlands op de middelbare school en de steeds verder achteruit lopende leesvaardigheid onder Nederlandse jongeren. Daarom besloot de redactie van Bazarow een enquête op te zetten met de vraag welke boeken van nu een mooie toevoeging bieden aan de (toch wat verouderde) leeslijst Nederlands. Inmiddels zijn we een week verder, en is het tijd voor een update.

Allereerst brengen we het positieve nieuws dat de actie een succes lijkt te worden. De afgelopen week kregen wij steeds meer respons en de eerste koplopers zijn in zicht. Uiteraard houden we nog even geheim welke boeken vooraan staan. Ten slotte kan er nog van alles veranderen in een week. In Bazarow Magazine van 28 november publiceren we uitkomsten met een nieuwe leeslijst Nederlands!

Het is leuk om te zien dat er ook op social media veel respons komt. Zo deelden mensen spontaan op Twitter en op Facebook op welke boeken zij stemden. Zo koos Sue (@boekenz op Twitter) voor Het Gym van Karin Amatmoekrim, Maan en Zon van Stefan Brijs en Boven is het stil van Gerbrand Bakker. Het Gym lijkt in ieder geval populair te zijn...

Ook hebben we een kleine aanpassing gemaakt in de enquête. Voorheen stond daar namelijk dat we van ‘Nederlanders’ willen weten welke boeken zij geschikt vinden voor de nieuwe leeslijst, nu is dat aangepast naar ‘sprekers van de Nederlandse taal’. De enquête is namelijk niet alleen open voor Nederlanders, maar ook voor Vlamingen of andere sprekers van het Nederlands.

Heb je de enquête nog niet ingevuld? Doe dat dan snel! Je hebt nog een week de tijd om jouw 3 keuzes voor de nieuwe leeslijst Nederlands in te dienen. Als je de enquête invult kan je nog  kans maken op een boekenbon ter waarde van 25 euro!

--

Redactie Bazarow

 

Rutger Bregman winnaar van de NS publieksprijs 2020

Rutger Bregman winnaar van de NS publieksprijs 2020


Historicus en schrijver Rutger Bregman ontvangt voor zijn boek De meeste mensen deugen  de NS publieksprijs 2020. Dat maakte NPO 1 gisteren in het programma M bekend. Bregman beschrijft in zijn boek de de jongste inzichten uit de psychologie, economie, biologie en archeologie over de mensheid. Hij neemt ons mee op een reis door de geschiedenis en geeft nieuwe antwoorden op oude vragen. Genomineerde boeken voor de onderscheiding moeten aan diverse criteria voldoen. Zo moet het boek oorspronkelijk in de Nederlandse taal geschreven zijn, mag het niet eerder genomineerd zijn en moet het genre “fictie dan wel factie”, oftewel een verhalend boek met een groot non-fictie karakter zijn.

De auteur won de NS publieksprijs met wel 26% van de stemmen. De leesclub van alles recensent Twan van Lieshout schreef: “De ambitie om op een holistische manier het nog immer actuele neoliberale discours (dat ieder mens een nietsontziende egoïst is) aan te vallen, is zeker te prijzen. Bregman komt met veel aardige anekdotes en heeft behoorlijk wat bewijs bijeen weten te sprokkelen om op zijn minst de meest standvastigen toch te doen twijfelen.”

De meeste mensen deugen ontvangt officieel de titel “Beste boek van het jaar”. Bregman krijgt daarnaast een geldbedrag van 7.500 euro, een sculptuur en een jaar lang gratis reizen bij de NS. Of de schrijver in deze tijden iets aan dat abonnement zal hebben is de vraag, desalniettemin is het een mooie onderscheiding en een mooie prestatie van Rutger Bregman.

--

 

Door Renske Bakkenes

Weer 50 schrijvers en vertalers sluiten zich aan bij Bazarow

Weer 50 schrijvers en vertalers sluiten zich aan bij Bazarow


In september berichtten we dat al 170 schrijvers en vertalers zich aansloten bij Bazarow.com. Inmiddels groeide dit aantal tot ruim 220. 

Bazarow.com is een verkopende boekensite die op diverse manieren de boekensector  ondersteunt. Zo hoeven uitgevers geen hoge inkoopkortingen te geven bij Bazarow. Het redactie- en recensie team van Bazarow en de zustersite De Leesclub van Alles schrijven elke week tientallen artikelen over bekende en minder bekende boeken van bekende en minder bekende schrijvers en vertalers. Op termijn worden bij Bazarow bestelde boeken via boekhandels uitgeleverd, zodat ook de boekhandels extra inkomsten ontvangen.

Voor schrijvers en vertalers van boeken is er het zogeheten schrijvers en vertalers programma, waarmee Bazarow extra inkomsten uitkeert bovenop de normale royalties. Hiervoor moeten schrijvers en vertalers zich wel bij Bazarow inschrijven. Inmiddels zijn er meer dan 220 aangesloten.

Alle andere schrijvers en vertalers zijn natuurlijk ook welkom. Kijk hier wie al zijn aangesloten.

En kijk hier wat het schrijvers/vertalers programma van Bazarow inhoudt: https://bazarow.com/schrijvers_en_vertalers. Je kunt je hier ook inschrijven. 

--

Bazarow redactie

Rotterdamse stripredacteur Arco van Os overleden (1962-2020)

Rotterdamse stripredacteur Arco van Os overleden (1962-2020)


De Rotterdamse stripredacteur en uitgever Arco van Os is overleden. Van Os was vanaf zijn jonge jaren actief bij de stripvereniging Het Stripschap. Vanaf 1986 was hij redacteur van Stripschrift, waar hij later groeide tot eindredacteur en uitgever. Hiernaast runde hij de uitgeverij Stripstift. Van 2005 tot 2014 was hij directeur van het festival De Stripdagen. Van Os staat bekend als Nederlands bekendste stripfiguur en als een wandelende stripencyclopedie.

Van Os overleed aan een hartstilstand. Hij is 58 jaar geworden.

--

Door Isolde Kors

 

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 5

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 5


Broertje Geerie wordt wreed weggestuurd, de eerste sigaretten gerookt. Hitler in de duinen – en op het postkantoor

We liepen naar de klip, de eerste steile duintop, het begin van de weg en het fietspad die naar het strand leidden. Toen we bij het bos onderaan de klip aankwamen, zei ik tegen Geerie dat hij naar huis moest. Hij bleef staan en keek me niet begrijpend aan. De andere jongens leken hun blik af te wenden, maar iets weerhield hen ervan.

      ‘Hoezo?’ wilde hij weten. Hij keek me heel onschuldig aan.

‘Gewoon, omdat dat moet.’ Waarom wist ik ook niet, maar ik wilde niet dat hij verder meeging. Misschien ook omdat ik hem niet altijd maar weer op sleeptouw wilde nemen. Dat was niet goed voor mijn reputatie: daar heb je Cor weer, mèt die Geerie. Zoiets. In ieder geval: ik kon hem niet meer gebruiken en hij moest ook maar eens leren zijn eigen boontjes te doppen. Ja, dat moest hij nou maar eens begrijpen.

Maar hij begreep het niet, Geerie. Verdrietig als een hondje dat door zijn baas wordt weggestuurd staarde hij me aan. Ik was bang dat hij in huilen zou uitbarsten, die kans leek niet gering.

Het was wreed, dat wist ik, ik voelde het aan de brok in mijn keel, maar het was beter zo. Echt. ‘Wegwezen!’ wuifde ik venijnig. Vervolgens nam ik de benen en zette er fors de pas in. Een meter of acht verderop keek ik over m’n schouder.

Geerie bewoog met z’n neus en stond te trekkebenen. Hij wist duidelijk niet wat hij met de situatie aan moest. Toch was dit de eerste keer niet. Zo te zien liepen er tranen over z’n wangen.

‘Kom op, jongens,’ zei ik tegen de anderen, die waren blijven staan. Ze draalden, maar volgden toch. Langzaam en met een zekere tegenzin. Ergens voelde het als een overwinning. Ja, het gaf, hoe wrang misschien ook, een zekere voldoening dit alles. Ik ervoer zoiets als een onderhuidse jubeling, die vreemde juichkreet die in een vlaag van geheimzinnige gemeenheid in mij opklonk. Op dat moment waande ik me een krijger. En als zodanig onoverwinnelijk.

Lang duurde dat niet.

Ik zag nog een keer om. Geerie wreef in z’n ogen en keek ons daarna weer na.

Ik ging naast Jack lopen. Hij zou het misschien begrijpen. Hij had zelf ook een jonger broertje, en ook dat was de vlotste niet. Ze waren gewoon ergerlijk. Maar Jack deed z’n bek niet open tegen me.

Ik voelde me schuldig, vond tegelijkertijd dat dat niet terecht was.

In de war draaide ik me om. Geerie was weg.

De tranen prikten in m’n ogen. Waarom doe ik dit, dacht ik Waarom doe ik steeds zulke dingen?

We liepen de klip op en keken uit over de geestgronden links van ons, waar bollen verbouwd werden. Het was best warm en halverwege de beklimming stopten we. Jack frommelde zo plechtig mogelijk het pakje Gladstone open, haalde er een sigaret uit en stak die tussen zijn lippen. Daarna tikte hij met het pakje op zijn linker pols zodat er enkele sigaretten uitpuilden. Hij presenteerde ze en wij pakten er allemaal een. We zwegen alsof het om een heilig ritueel ging. Kees-Jan streek een lucifer af en we verdrongen ons om het vlammetje. Jack kreeg als eerste vuur. Hij nam een klein trekje en blies de rook onmiddellijk uit. Hij keek er heel ernstig bij. ‘Het zijn goeie sigaretten,’ zei hij. ‘Amerikaans. De beste.’ Daarna maakte hij onwillekeurig paffende geluiden met zijn lippen. Kees-Jan had een nieuwe lucifer nodig om ons van vuur te voorzien en het kostte nog wel zeven lucifers voordat iedereen een brandende sigaret had.

En daar stonden we dan, halverwege die duinheuvel, ieder voor zich volledig in beslag genomen door zijn peuk. We bliezen uit en keken de rook na en deden alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat wij daar zo stonden. Intussen wist niemand zich een houding aan te meten. De een liet de sigaret eerst welhaast professioneel tussen z’n vochtige lippen bungelen maar moest dat direct bekopen met brandende ogen door de rook, de ander hield ’m onwennig tussen z’n middel- en wijsvinger, en Kees-Jan moest als eerste kuchen en liet hem vallen. Toen hij hem opgeraapt had zag ik dat hij bloosde. Z’n sigaret was uit, wat hij eerst niet in de gaten had. Ongeduldig, paniekerig zelfs, zoog hij z’n filter nat. Jack moest grinniken.

       ‘Het zijn klote-sigaretten,’ zei Kees-Jan. ‘Dat komt door dat filter. Mijn vader rookt daarom alleen maar Franse.’ Hij stak een nieuwe op.

        Ik voelde me langzaam maar zeker kotsmisselijk worden, schraapte m’n keel en begon dikke fluimen uit te spuwen. De geur van andermans sigaret kon ik nog wel verdragen, vond ik zelfs wel lekker, maar in je mond voelde het bitter, sterk en vies. Dat ik uitgelachen werd kon me geen zak schelen. Ik zette moedig door en nam weer een nieuwe hijs. Ik zou me niet laten kennen. Louis had minder geluk. Zijn sigaret ging telkens uit en dat maakte hem zichtbaar beschaamd en ongelukkig.

      ‘Je moet niet blázen, maar zuigen, zakkenwasser,’ zei Jack.

We lachten. Daarna liepen we verder, het was anders zo’n raar gezicht als we daar maar bleven staan. We wilden niet opvallen. Juist niet. Onderweg stak telkens weer iemand een nieuwe peuk op. Zo vervolgden we, terwijl dat zwarte bitumen onder ons de hitte van de zon weerkaatste, zwijgend ons pad.

‘Hebben jullie ook zo’n dorst?’ vroeg Kees-Jan even later.

Ja, nu hij het zei. Dat je van roken zo’n dorst kreeg verbaasde ons. Gelukkig wisten we ter hoogte van hotel Duindigt een waterpomp te staan van het duinwaterleidingbedrijf.

We laafden ons en spetterden elkaar nat. We hadden plezier voor tien en waren stiekem blij dat we die sigaretten even konden vergeten. Ik tenminste wel. Het nieuwe plan was om op het strand te gaan kijken. Zomaar. Want daar was altijd wel wat te beleven.

Helaas, het was eb en er was nauwelijks golfslag. Het strand lag er ondanks het aardige weer zelfs bijna verlaten bij. We gingen wat pootjebaden en probeerden elkaar weer nat te spetteren. Daarna hielden we een zandgevecht. Piet vond een kwal waar we met een oude, kromme tentharing een gat in prikten en vervolgens een sigaret in stopten. Het zag er ‘onwijs gaaf’ uit vonden we.

‘Net een long met een sigaret erin, dat is het mooie ervan,’ meende ik. Moeder had tegen vader gezegd dat hij niet moest roken omdat dat slecht was voor je longen of zoiets, dat had ze van iemand gehoord. Maar ze rookte zelf ook af en toe.

‘Hoe bedoel je?’ vroegen Jack en z’n vriend Kees-Jan in koor.

‘Ach, laat maar ook,’ zei ik.

Hetzelfde deden we bij een dode krab. Dat zag er ook geweldig uit, dat beest met een peuk in z’n schaar. En het grote, maar verzwegen voordeel was dat we ook die sigaret niet meer hoefden op te roken. O, we waren het er over eens dat je het moest leren, roken, en dat het ook een kwestie van wennen was. Niettemin voelden we ons hele kerels omdat we het tenminste geprobeerd hadden. En niemand die er echt ziek van was geworden of in z’n broek had gescheten. Want dat was wat er altijd gezegd werd: dat je er subiet diarree van kreeg, dat het zó je broekspijp uit zou lopen. Nou, niks hoor. We waren misschien alleen een beetje misselijk.

‘En ik vond het best lekker,’ zei Kees-Jan. Ik geloofde er geen flikker van, maar zei niks.

‘Zeg, gaan we nu nog fikkie stoken of niet?’ wilde Jack weten.

Maar niemand die het wist. Zelfs Kees-Jan niet.

Jack was teleurgesteld en dat liet hij merken ook. ‘We zouden de  duinen toch in de hens zetten?’ riep hij. ‘Stelletje lafbekken!’

‘Het kan niet,’ zei Kees-Jan, ‘de lucifers zijn bijna op.’

‘Waar slaat dat nou weer op?’

‘Nou gewoon.’

‘Gewoon?’

Ze zwegen.

‘Ik weet wat,’ zei ik. ‘Laten we die oliedrum daar in de hens steken. Daar zit allemaal afval in. Dat wil wel.’

‘Hm, geen slecht idee,’ vond Jack en iedereen sloot zich erbij aan.

Met de laatste lucifers staken we het afval in de fik en we gooiden onze laatste sigaretten erbij, want niemand die nog hoefde.

Uiteindelijk gingen we maar naar huis. Zwijgend. Moe. Zelfs het plan om de bunkers te bezoeken lieten we varen.

Eenmaal weer vlak bij de klip zagen we een oud, versleten wit hempje hangen in een duindoorn. Het prikkelde mijn verbeelding, want hoe kwam dat daar? Misschien nog wel uit de oorlog! Stel je voor! O, d’r was wat afgestreden in de oorlog. Dat had m’n vader me zelf verteld. De duinen waren Sperrgebiet, had hij gezegd. Levensgevaarlijk. Je mocht er niet in en anders werd je meteen doodgeschoten. Zomaar, op staande voet. Ik zag het opeens helemaal voor me.

‘Zie je dat hempie daar?’ vroeg ik.

Ik kreeg geen antwoord.

‘Zie je dat?’ hield ik aan.

‘Ja, wat is daarmee dan?’ antwoordde Jack lijzig.

‘Dat kan best nog wel eens van Hitler geweest zijn,’ antwoordde ik. Met die naam was ik vertrouwd. Vader had zó vaak over hem verteld dat je bijna kon denken dat het om  een familielid ging. En Wassenaar was heel belangrijk geweest in de oorlog, dat had vader  ook vaak gezegd. Dus ergens kon ik het zelf best geloven, dat van dat hemdje. Ik wìlde het ook graag geloven, en mijn vrienden moesten daarin meegaan. Tegelijkertijd besefte ik dat ik mijn hand overspeelde.

En daar had je ’t al: ‘Joh, maak dat de kat wijs,’ schamperde Jack.

‘Nee, ik meen ’t. Echt. Of in ieder geval van een van zijn soldaten. Kijk…’ Ik maakte een zuigend geluid en dacht hard na…. Bah, ik proefde die vieze smaak in mijn mond weer.

‘Hitler is hier nooit geweest,’ zei Kees-Jan.

Ik spuwde een fluim uit. ‘Hoe weet jíj dat nou?’ vroeg ik. ‘Wist je dat Wassenaar toevallig heel belangrijk is geweest in de oorlog? Ze schoten van hier die raketten naar Engeland.’

‘Raketten?’

‘Raketten, ja. En de duinen hier barstten van de bunkers, dat weet je zelf ook wel. Dus het zou zomaar kunnen dat hij hier langs is geweest. Bewijs het tegendeel maar eens! Volgens mijn vader, en die weet alles van de oorlog…’

Jack onderbrak me: ‘Je kunt niet alles van de oorlog af weten.’

‘Nee, oké, niet alles, maar wel heel veel. Echt heel veel. Hij heeft er stapels boeken over gelezen en alle films gezien. En hij spreekt Duits.’

‘Dat is waar,’ viel Piet me bij. ‘Hij deed een keer Hitler na in het postkantoor, toen pappa erbij was, Jack, dat weet je zelf. Het was sprekend. Mijn vader vond het heel knap. Hij hield alleen niet meer op, toen.’

‘Nou, goed, dat zou allemaal wel kunnen…’ sprak Jack. Hij zuchtte.

‘Er is meer gebeurd in de oorlog dan jij denkt, Jack,’ zei ik erg wijs. ‘En vergeet niet dat de oorlog wel vijf jaar heeft geduurd. Mijn vader zegt ook dat er nog nooit zoiets belangrijks gebeurd is.’

‘De atoombom is nog belangrijker.’

‘Ja, dat klopt, maar de atoombom is in de oorlog gemaakt… Ha! Nou heb ik je.’

‘Mij best, hoor,’ klonk Jack vermoeid, ‘als je zo graag gelijk wilt hebben.’

‘Een atoombom kan de aarde in één keer kapotmaken,’ wist Louis.

‘Ja, en er zijn er wel honderd,’ droeg Kees-Jan z’n steentje bij. ‘Vijftig van Amerika en vijftig van Rusland. Maar Amerika zal ’m niet gebruiken. Alleen als de Russen zouden aanvallen. Maar waarom zouden ze dat doen?’

 Niemand die dat wist.

 ‘Kijk,’ zei ik toen we alweer een stuk verder waren, ‘het gaat mij niet om gelijk hebben. Het gaat erom dat het gebeurd zou kunnen zijn. Dat Hitler zijn hemd daar verloren heeft. Ja, dat ie in z’n hemd stond, ha!... Oké, het is onwaarschijnlijk, maar het kan.’

Nou, dat waren ze allemaal met me eens. Hoogstwaarschijnlijk om er van af te zijn, van dat geouwehoer van mij. Ik liet het er maar bij. Want behalve dorst hadden we nu ook honger. Het was dan ook al bijna etenstijd.

--

De volgende aflevering:

Moeder dreigt met weglopen, maar het is vader die pas echt een bedreiging vormt

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

 

 

 

Bette Westera schrijft het kinderboekenweekgeschenk 2021. Mark Janssen verzorgt het prentenboek

Bette Westera schrijft het kinderboekenweekgeschenk 2021. Mark Janssen verzorgt het prentenboek


Bette Westera heeft een geweldig jaar. Zo won ze voor haar poëziebundel Uit Elkaar meerdere onderscheidingen, zoals de Gouden Griffel en de Woutertje Pieterse Prijs. In 2021 mag ze het kinderboekenweekgeschenk schrijven. Iets waar Westera blij mee is, zo zegt ze. “De eervolle vraag of ik het kinderboekenweekgeschenk van volgend jaar zou willen schrijven gooit mijn hele planning overhoop en dat is fijn. Heel fijn zelfs, want ook al houd ik nog zo van orde, voor het scheppen van iets nieuws is chaos nodig. Bij mij is alles netjes op een rijtje hebben dodelijk voor het creatieve proces. Ik spring dus vol vertrouwen en zonder te weten waar ik straks mee boven kom in het diepe.”

Wat de inhoud van het geschenk precies zal zijn, is dus nog niet duidelijk. Het thema van de Kinderboekenweek van 2021 is “Worden wat je wil”. Ongetwijfeld zal haar geschenk hier iets mee te maken hebben.

Naast een het geschenk van Westera is er ook een prentenboek. Mark Janssen zal in 2021 het prentenboek geschenk verzorgen. Janssen werkt sinds 1997 als illustrator van kinderboeken. In 2016 startte hij het initiatief “het eigen prentenboek.”. Dit zijn prentenboeken die hij zelf bedenkt, schrijft en illustreert.

 

De Kinderboekenweek van 2021 vindt plaats van 6 tot en met 17 oktober.

--

Door Renske Bakkenes

Afbeelding van Boekblad

Deutscher Kindertheaterpreis 2020 voor Theo Franz en Andrea Kluitmann

Deutscher Kindertheaterpreis 2020 voor Theo Franz en Andrea Kluitmann


Liebe Grüße”… oder Wohin das Leben fällt wint de Kindertheaterpreis 2020. Theo Fransz is een Nederlandse toneel regisseur, werkzaam in Duitsland. Het is zijn toneelstuk dat de prijs won. De prijsuitreiking vindt eens in de twee jaar plaats en is onderdeel van “Het Bondsministerie voor Gezin, Senioren, Vrouwen en Jeugd” in Duitsland. De prijs kwam in 1996 tot stand, met als doel meer aandacht vestigen op toneelstukken en toneelteksten voor kinderen en jongeren. Andrea Kluitmann vertaalde het toneelstuk uit het Nederlands naar het Duits. De onderscheiding bevat een geldbedrag van 10.000 euro dat Fransz en Kluitmann delen.

Andrea Kluitmann vertaalt al sinds 1994 kinder- en jeugdliteratuur vanuit het Nederlands naar het Duits. Haar eerste vertaling was Poppe en Beer van Jos Lammers en ze ontving sindsdien verschillende literaire prijzen. Naast kinderliteratuur vertaalt ze ook zakelijke teksten, schrijft ze een weblog en ondersteunt ze andere Duitse schrijvers.

De jury koos “Liebe Grüße” … oder Wohin das Leben fällt als winnaar uit meer dan 133 inzendingen.

--

Door Renske Bakkenes

De shortlist van de Booker Prize 2020

De shortlist van de Booker Prize 2020


Over twee dagen is de uitreiking van de Booker Prize 2020. De Booker Prize is misschien wel de belangrijkste literaire prijs ter wereld. De prijs bestaat sinds 1969, en gaat naar het beste origineel Engelstalige boek van het jaar. Over het algemeen is er een grote stijging in verkoop van het winnende boek, ook internationaal gezien. Er hangt dus veel van de winst af. Naast de normale Booker Prize bestaat er ook de International Booker Prize, voor het beste in het Engels vertaalde boek. Deze ging eerder dit jaar naar de Nederlandse Marieke Lucas Rijneveld voor haar boek De avond is ongemak.

Dit is de shortlist van dit jaar

The New Wilderness van Diane Cook (Oneworld Publications)

This Mournable Body van Tsitsi Dangarembga (Faber & Faber)

Burnt Sugar van Avni Doshi (Hamish Hamilton, Penguin Random House)

The Shadow King van Maaza Mengiste (Canongate Books)

Shuggie Bain van Douglas Stuart (Picador, Pan Macmillan)

Real Life van Brandon Taylor (Originals, Daunt Books Publishing)     

Opvallend is dat de shortlist ontzettend inclusief is. Van de genomineerden is er maar één witte man. Volgens De Volkskrant heeft dit te maken met het veranderende literaire klimaat, en de door Britse pers benoemde ”teloorgang van de mannelijke schrijver in de Britse fictie.” Voor witte mannen zou het steeds moeilijker zijn een podium te vinden, omdat uitgeverijen willen diversifiëren en daardoor sneller werk van een vrouw of iemand van kleur uitgeven.

--

Door Isolde Kors



Stagelopen bij Bazarow en De Leesclub van Alles

Stagelopen bij Bazarow en De Leesclub van Alles


Per januari 2021 komen er twee stageplaatsen vrij voor een stagiair(e) journalistiek, marketing of literatuurwetenschappen bij Bazarow/De Leesclub van Alles. Het betreft een stage van tenminste vier dagen per week waarin je jouw kennis en vaardigheden in de praktijk brengt en verder kunt ontwikkelen. Heb jij affiniteit met social media, websites en artikelen schrijven en bovenal affiniteit met boeken? Dan zijn we op zoek naar jou!

Thuiswerken is bovendien volledig mogelijk bij deze stage, mocht dat nodig zijn. 

Tot je taken behoren o.a.:

– Nieuwsberichten, artikelen en recensies schrijven. 

– Samenstellen Bazarow Magazine. 

– Ondersteunen bij de Marketing. 

– Mee helpen met het onderhouden van de website en sociale media. 

– Projectmanagement. 

– Meedenken over de verdere uitbouw van zowel Bazarow als DLVA. 

Vereisten

– Je bent een HBO/WO student(e) met een relevante studie-achtergrond (marketing, communicatie, journalistiek, literatuurwetenschappen etc.)

– Je bent enthousiast, creatief, leergierig en hebt een hands-on mentaliteit;

– Je hebt affiniteit met media;

– Je beheerst de Nederlandse taal in woord en geschrift;

– Je bent beschikbaar vanaf  4 januari 2021 voor de periode van tenminste drie maanden. 

Wat bieden wij?

– Een leuke en afwisselende stage met ruimte voor persoonlijke ontwikkeling. 

– Professionele vakinhoudelijke begeleiding. Je komt hier om te leren.

– Je maakt kennis met een groot aantal aspecten van het boekenvak. 

– Samenwerking in een gezellig en divers team. 

– Doorgroeimogelijkheden. 

– Stagevergoeding.

Solliciteren?

Wil jij deel uit te maken van ons team? Overtuig ons waarom jij dé nieuwe journalistiek en marketing stagiair(e) bent voor Bazarow en De Leesclub van Alles door jouw motivatiebrief (kort) en CV (lang) op te sturen. Deze kun je mailen naar: info@deleesclubvanalles.nl t.a.v. Roeland Dobbelaer. 

Profiel van de organisatie

Bazarow is een verkopende boekensite die werkt aan een betere en eerlijkere verdeling van inkomsten in het boekenvak. We onderscheiden ons daarnaast van andere boekensites door een sterke inhoudelijke kant. Dit gebeurt in de vorm van nieuws, agenda, recensies en vooral het tweewekelijkse, digitale magazine.

De Leesclub van Alles is een recensiesite die over alle soorten boeken recensies plaatst. Er is veel samenwerking tussen Bazarow en DLVA. De voornaamste manier van samenwerken is het doorplaatsen van recensies van DLVA naar Bazarow. 

Meer weten? Bel dan met Roeland Dobbelaer, hoofdredacteur Bazarow Magazine/De Leesclub van Alles: 06-4222445

Zes broers en een zus. Hoofstuk 4

Zes broers en een zus. Hoofstuk 4


Het gevecht om de macht verplaatst zich naar een strijdveldje, waar ook mooi fik gestoken kan worden.

Intussen was de stammenoorlog nog niet beslist. Op dinsdag spraken Pieter-Bas en ik af dat we de strijd op woensdag zouden beslechten. Bij hem op het landje, een braakliggend stuk terrein met kleine heuveltjes waar grote jongens soms met hun Puch of Zündapp gingen crossen.

Direct na school verzamelde ik bij ons in de buurt wat jongens om ten strijde te trekken. Piet ging, als mijn beste vriend, natuurlijk mee en zijn broer Jack en daar weer een vriend van, ene Kees-Jan, had ook wel interesse. Ook kon ik Louis Zisse, nota bene een klasgenoot, overhalen mee te gaan.

Zelfs broertje Geerie mocht mee. Hij was behoorlijk sterk, sterker dan ik in ieder geval en hij wilde er maar wàt graag bij zijn. Want zelf kon hij zich maar moeilijk vermaken en vrienden had hij niet. Zijn verlegenheid zat hem ook in de weg. Zelf was ik eigenlijk ook verlegen, maar ik overschreeuwde dat. Of ik ging raar doen en maakte dan indruk. Excentriciteit als uitweg. Al was het dan een zijweg, maar dat hoefde niemand te weten. Want in latere jaren ontdekte ik dat ik juist veel te gewoon was. Te bang ook. Geen held in ieder geval. Meer een uitslover. En best een gefrustreerd konijn. Maar dat kwam omdat ik zoveel wilde. Veel meer dan anderen in ieder geval. Al  waarschuwde moeder me dat ik niet moest geloven dat ik anders was dan anderen. Bovendien was er op iedereen wel wat aan te merken, zoals ze  meende. ‘Want er is geen koe zo bont of  er zit wel een vlekje aan.’ De mensen moesten eens niet zo op elkaar letten, verzuchtte ze zoals wel vaker. En terwijl ze haar wijsvinger opstak zei ze speciaal tegen mij eens ter geruststelling: ‘Elk huisje heeft z’n kruisje en elk mensje heeft z’n wensje.’ Ja, dat klopt, antwoordde vader toen. ‘Zo wens ik dat je af en toe je mond houdt, met die wijsheden van je.’

Ik kon hoe dan ook altijd op Geerie rekenen. Hij zou zich, net als Piet, volledig voor me inzetten.

Mijn berekening klopte.

We namen stokken mee en kastanjes in hun dop met van die gemene stekels. Op volle oorlogssterkte kwamen we aan bij het landje, dat zo’n twee kilometer verderop lag, vlak bij de kerk. Er was niemand te zien. Een teleurstelling, want we hadden er juist zin in. Ik had al bedacht hoe ik mijn troepen zou verdelen, het aanvalsplan had ik klaar. En toen stonden we daar. Iedereen keek me aan. Wat nu?

Het was stralend weer.

‘De lafbekken,’ zei ik stoer. ‘Maar misschien hebben ze zich verstopt. Want je kan je hier uitstekend verstoppen…’

Jack, de broer van Piet, en zijn vriend overwogen al om terug te keren. Ze wilden gaan vissen. Of gaan inglippen bij Duinrell. ‘Veel leuker.’

Het zinde me niet.

‘Ja,’ vond Jack, ‘Cor die heeft altijd mooi praten.’

‘Hoezo?’ zei ik, balancerend tussen onschuld en agressie.

‘Ach, laat maar ook.’

‘We zouden,’ zei ik, ‘de boel in de fik kunnen zetten…’

Ik keek om me heen, zogenaamd naar het veld dat zich voor ons uitstrekte, maar eigenlijk om hun reactie te zien. Mijn woorden misten hun uitwerking niet. Piet’s ogen twinkelden en hij trok z’n lippen op van voorpret. Jack lachte bij het vooruitzicht en zijn vriend Kees-Jan riep ‘Ja-ah!’ Louis grinnikte. En Geerie, die wreef weer eens over z’n neus. Hij scheen het wel leuk te vinden, maar zag het vooral als een waagstuk.

‘Laten we dan eerst eens de boel verkennen,’ stelde ik voor.

We struinden het terrein af. Over de heuveltjes en door het onkruid. We liepen richting het laantje waar de achtertuinen van de huizen van de Storm van ’s-Gravesandeweg aan grensden. Daar groeide struikgewas. Ik wilde eerst controleren of niemand ons kon zien, want anders zouden we erbij zijn… Ik vond het idee om fikkie te steken zelf ook maar zozo. Je wist maar nooit. Maar ja, vuur is wèl een machtig gezicht. Dus moest ik ervoor zorgen dat iemand anders het aanstak. En waarmee trouwens? Hadden we wel vuur bij ons?

Ineens zag ik een hut. Ik bleef staan en spreidde mijn armen. ‘Sjttt,’ fluisterde ik.

Mijn hart ging tekeer.

Een hut, onmiskenbaar. En ik hoorde stemmen. We zakten door onze knieën.

Het was een lage hut, een bouwsel van wat planken, dik karton en stevige plastic zakken.

‘Zullen we hem in de fik steken?’ stelde Kees-Jan voor.

Jack proestte van het lachen. Piet gaf hem een por.

‘Ben je gek!’ zei ik. ‘Veels te link. Dadelijk gaan ze dood. Heb jij vuur bij je?’

‘Ikke niet,’ antwoordde Kees-Jan.

‘Nee,’ zei Jack, ‘wie wil hier nou de baas spelen?’

Ik ging er niet op in. Ik zei: ‘Ik hoor geen stemmen meer. Laten we erop afgaan.’ Ik wees naar de hut, die een paar meter verder stond.

We slaakten een paar schreeuwen en stoven op ons doel af. De gammele deur, die door wat ijzerdraadjes bij elkaar gehouden werd, viel al gauw uit elkaar. Ik kroop naar binnen, voorgegaan door Piet. Het was er tamelijk donker en het rook er intens naar aarde en bos, naar schimmel ook. We konden er niet allemaal in, Geerie bleef buiten en Jack en Kees-Jan hielden het algauw voor gezien. De ruimte was niet veel groter dan een box. Staan kon je er sowieso niet. Maar, zo vroeg ik me af, waar waren onze vijanden gebleven? Ik vroeg Piet of hij het wist.

‘Hier,’ zei hij, en wees op een luik in een zijwand. Hij haalde het luik weg en riep in het donker daarachter: ‘Kom maar te voorschijn, we hebben jullie al lang gehoord!’ Net zoals bij verstoppertje eigenlijk.

En daar kwamen ze, op handen en voeten uit hun gang gekropen. Het waren Pieter-Bas en Daantje. Ze zaten onder het zand, kuchten wat en klopten hun kleren zo goed en zo kwaad als dat ging af.

‘Zijn jullie maar met z’n tweeën?’ wilde ik weten.

‘Ja,’ zei Pieter-Bas. ‘Deze hut is van mij.’

‘Daar vroeg ik niet naar.’

‘Jij mag de baas zijn, hoor. Maar Daan is mijn vriend. Hè Daan?’ Het klonk eerder slijmerig dan samenzweerderig, maar de boodschap was duidelijk.

Daan knikte. Daan was een vriendelijke jongen, zijn ogen glommen altijd zacht en hij had een ietwat weke mond. Een lieve jongen, dat zag je zo. Toch had hij ook iets stoers over zich. En verlegen was hij ook, maar dat was eigenlijk iedereen wel.

‘Ik heb sigaretten voor jullie,’ zei Pieter-Bas toen.

‘Sigaretten?’

‘Ja, sigaretten, ja.’

‘Hoe kom je daar dan aan?’

‘Omdat mijn vader ver… ver… vertegenwoordiger is. Hij gaat langs bij alle zaken waar ze sigaretten verkopen.’

‘Wil je ze zelf niet hebben dan, die sigaretten?’

‘Jullie mogen ze hebben.’

‘Ja, maar waarom dan?’

‘Om op te roken natuurlijk!’

Daar had ik even niks op te zeggen. Die Pieter-Bas was een slimme gozer, dat bleek wel. Maar ik hoefde die sigaretten niet, ik wist niet eens hoe je moest roken.

Piet roerde zich. ‘Jack!’ riep hij. ‘Jack! Er zijn sigaretten! Dat wou jij toch?’

Jack wurmde zich de hut in. ‘Sigaretten? vroeg hij met overslaande stem.

‘Ja, sigaretten, ja. Daar ben jij toch stiekem voor aan het sparen?’

‘Van wie zijn die dan?’ wilde hij weten.

‘Van ons,’ antwoordde ik. ‘Het is onze oorlogsbuit.’

We werden er even stil van. Het was een bijna plechtig moment.

‘Zullen we nu dan vrede sluiten?’ vroeg Pieter-Bas.

‘Ja,’ antwoordde ik, en op m’n knieën gezeten reikte ik hem de hand. Ook Daan schudde ik de hand. ‘En dan mogen jullie onze kastanjes hebben.’

‘Dank je,’ zei Pieter-Bas. ‘Wat zijn het er veel…’

‘Wij moeten gaan,’ zei ik.

‘Hier zijn de lucifers’ zei Daan, met iets van tegenzin in zijn stem. ‘Die heb ik van m’n pa gepikt.’

Ik dankte hem en kroop naar buiten. Opgelucht haalden we adem, want het was hartstikke bedompt daarbinnen, hoe fraai de hut verder ook was. We bekeken de buit, het pakje sigaretten. Gladstone. Ik hield het als een echte trofee voor me uit.

‘En we hebben lucifers!’ jubelde Kees-Jan. In een flits trok hij het pakje uit mijn hand en stak het triomferend in de lucht.

‘Maar we gaan ze hier niet oproken,’ zei ik beslist. ‘Dadelijk ziet Pieter-Bas’ vader ons, als je begrijpt wat ik bedoel…’ Ik wist het zelf niet eens precies.

Maar Kees-Jan zei: ‘Maar dat bedoel ik ook helemaal niet. Ik bedoel uh… dinges.’

‘Fik!’ riep Jack.

‘O dat,’ antwoordde ik zachtjes en afzijdig.

‘We steken de boel aan de andere kant aan,’ ging Jack verder. ‘Daar zijn we toch ook voor gekomen?’

‘Nee, dat is niet zo,’ bracht ik ertegenin. ‘We kwamen hier voor het gevecht.’

‘En voor het vuur,’ hield Jack voor, en hij kreeg bijval. Ja, zeiden ze, Louis, Piet en zelfs Geerie, we waren gekomen voor het gevecht, maar toch beslist ook om fikkie te steken. Zij allemaal wel tenminste, misschien ik niet, dat kon, maar toch.

‘Geef mij die sigaretten nou maar.’ En hij griste het pakje uit m’n handen.

Hij nam het van me over, alles. Dat had je nou altijd met oudere jongens. Je kon ze niet vertrouwen, nooit niet. Ik baalde als een stier maar kon niks doen. Met vechten zou ik zeker van hem verliezen. En op Piet kon ik ook niet rekenen als ik ruzie ging maken met zijn broer.

Aan de andere kant van het veld werd wat hout gesprokkeld en rondslingerend papier bijeengezocht. Veel was het niet en tot mijn gelukzalige wrok wilde het ook niet erg branden. De ene na de andere lucifer werd verspild. Totdat er iemand kwam aanzetten met een verfblik, waarvan de binnenwand nog vochtig was. Dat vatte meteen vlam en toen wilde het gras ook wel. Na een paar minuten brandde er een plek zo groot als een wagenwiel.

Maar het zette niet door. De rook verdween en de brandplek veranderde in een weinig indrukwekkend smeulend vuurtje. Het had iets intens triests. Het was één grote mislukking.

‘We kunnen het net zo goed uitpissen,’ vond Kees-Jan en hij voegde meteen de daad bij het woord. Hij liet zijn broek en z’n onderbroek zakken en hield zijn pik vast. Ik wist niet wat ik zag. Hij ging daar gewoon in het openbaar, tussen ons in, staan pissen. Dat durfde ik niet. Hij stond er gewoon bij te grijnzen. En toen volgde Jack, die er helemaal plezier in had, zijn voorbeeld.

‘We steken de duinen in de fik,’ zei Kees-Jan na hun bluspartij. ‘Dat gaat veel beter, want daar is het veel droger.’

‘Goed idee!’ vond Jack.

--

De volgende aflevering:

Cor stuurt broertje Geerie weg, rookt zijn eerste sigaretten en vertelt over Hitler in de duinen.

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

 

 

 

 

 

Chimamanda Ngozi Adichie verkozen tot ‘winnaar van de winnaars’ van de Women’s prize for fiction

Chimamanda Ngozi Adichie verkozen tot ‘winnaar van de winnaars’ van de Women’s prize for fiction


Ter ere van het 25-jarig bestaan van de Women’s prize for fiction kon het publiek eenmalig een stem uitbrengen op hun favoriete winnende auteur van de afgelopen 25 jaar. Chimamanda Ngozi Adichie kreeg voor haar boek Een halve gele zon de meeste stemmen, en is daarmee bekroond tot ‘winnaar van de winnaars.’

Chimamanda Ngozi Adichie won voor Een halve gele zon in 2007 de Women’s prize for fiction. Dit boek gaat over de Nigeriaanse burgeroorlog in de jaren 60 van de 20e eeuw. Het volgt de levens van drie mensen. Ugwu, een jongen uit een arm dorp die als huisknecht voor een universiteitsprofessor werkt. Olanna, die haar luxe leventje in de Nigeriaanse hoofdstad Lagos achter zich laat om bij de charismatische professor te gaan wonen. En de derde hoofdpersoon Richard, een verlegen Engelsman die in de ban raakt van Olanna’s geheimzinnige tweelingzus. Tegen de achtergrond van de gruwelijke burgeroorlog worden deze drie personages op onverwachte wijze met elkaar geconfronteerd. De explosieve situatie stelt hun idealen en hun loyaliteit aan elkaar zwaar op de proef.

Adichie over haar winst: 'Ik ben in het bijzonder ontroerd dat ik tot ‘winnaar van de winnaars’ vernoemd ben omdat dit de prijs is die als eerste een breder publiek naar mijn werk trok - en me introduceerde aan het werk van veel getalenteerde schrijvers.’

Kate Mosse, de oprichtster van de Women’s prize for fiction zegt dat ‘de winst van Chimamanda fantastisch is, omdat veel jonger publiek haar werk nu pas ontdekt.’ Mosse heeft zelf alle 25 winnaars opnieuw gelezen. ‘Het is een erg, erg goed boek, en het was een groot plezier om het opnieuw te lezen.’

--

Door Isolde Kors

Brief voor de koning gekozen voor geef een boek cadeau 2021

Brief voor de koning gekozen voor geef een boek cadeau 2021


Gisteren was Tonke Dragt jarig. De bekende Kinderboekenschrijfster werd 90 jaar. Vandaag maakte Boekblad bekend dat haar bekendste boek, Brief voor de Koning, gekozen is voor de actie ‘geef een boek cadeau’. Dit is een actie van het Leesoffensief en dit betekent dat Brief voor de koning voor 2,50 in de boekhandel verkrijgbaar is vanaf 5 februari 2021.

Tonke Dragt is geboren in Nederlands-Indië in 1930. Na de Tweede Wereldoorlog kwam zij met haar familie terug naar Nederland. Na teken diploma’s gehaald te hebben werd ze tekenlerares. Aan haar klas vertelde ze vaak verhalen om hen te inspireren tot tekeningen. Uiteindelijk leidde dit tot haar auteurschap. Verhalen van de tweelingbroers kwam in 1961 uit. Een jaar later publiceerde ze Brief voor de koning, een van haar meest bekende boeken. In 1963 kreeg dit boek de onderscheiding voor het beste Kinderboek van dat jaar. Deze onderscheiding was een voorloper op de Gouden Griffel. Geheimen van het Wilde Woud is het tweede deel in de serie. In 2004 kreeg Brief voor de koning de Griffel der Griffels, een speciale onderscheiding voor het 50 jarige bestaan van de Kinderboekenweek. 

Inmiddels zeven jaar geleden kreeg haar boek een Engelse vertaling en is sindsdien ook internationaal popular. Naast een Engelse vertaling kent De Brief voor de koning ook verfilmingen zoals de verfilming van Pieter Verhoeff uit 2008. In 2020 kwam op Netflix tv series uit. De serie baseert zich echter losjes op het oorspronkelijke verhaal. 

Naast Brief voor de koning is Max en de Maximonsters van Maurice Sendak verkrijgbaar voor dezelfde prijs als prentenboek. Een mooi initiatief van het Leesoffensief om zo toch meer mensen aan het lezen te krijgen. 

--

Door Renske Bakkenes

Oek de Jong winnaar Boekenbon Literatuurprijs 2020

Oek de Jong winnaar Boekenbon Literatuurprijs 2020


Oek de Jong is met zijn boek Zwarte schuur de winnaar van de Boekenbon Literatuurprijs 2020. Hij ontvangt een bedrag van 50.000 euro. De Boekenbon Literatuurprijs is een prijs voor Nederlandstalige literatuur, uitgereikt door de Stichting Jaarlijkse Literatuurprijs. De prijs draagt de naam van de sponsor van dat jaar. Voorheen waren dat ECI en AKO, dit jaar is dat Boekenbon.

De jury van de Boekenbon Literatuurprijs bestaat uit Jan Dertaelen, Sofie Gielis, Sebastiaan Kort, Daan Stoffelsen, Jeroen Vullings en Jeroen Kans.

De jury prijst Zwarte Schuur als een “Toonbeeld van de rijkdom en de reikwijdte van de literaire roman.”

“Met zijn geconcentreerde, sterk psychologische aanpak heeft Oek de Jong een mens en een decor neergezet die de lezer moeiteloos opeisen en dwingt om na te denken over de dunne lijn tussen seksualiteit en agressie, mannelijke identiteit en de al dan niet genezende kracht van kunst,” aldus de jury.

DLVA recensent Marnix Verplancke over Zwarte schuur: "De Jong is de man van de haarscherpe observatie, die zijn verhaal opluistert met precies de juiste details en steeds met strakke hand de regie voert. Zwarte schuur is enerzijds een zintuiglijk boek, waarbij erotiek en seks – of net het gebrek eraan – belangrijke drijfveren blijken voor de personages. Anderzijds houdt de Jong die personages ook heel strak in de hand. Dat dit nergens geforceerd of nep aanvoelt en je als lezer helemaal meegaat in hun vrijheid in de bepaaldheid, is een teken van meesterschap. “Mag ik op je hand plassen?” vraagt iemand in een cruciale scène. Als je dit hier ziet staan lijkt het misschien raar, maar de Jong heeft je dan al zo ver binnengeleid in zijn Zwarte schuur, dat je samen met Maris “Ja, doe maar,” zou willen antwoorden."

Andere genomineerden zijn:

Marcel Möring - Amen (De Bezige Bij)

Koen Sels - Gloria (het balanseer)

Stephan Enter - Pastorale (Van Oorschot)

Charlotte Van den Broeck - Waagstukken (Arbeiderspers)

Naar aanleiding van de publicatie van de shortlist ontstond in september ophef over het gebrek aan inclusiviteit van de Boekenbon Literatuurprijs. Hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde in Leiden Yra van Dijk uitte in een facebook bericht kritiek op de sterk overwegend mannelijke shortlist en jury. Volgens van Dijk zou de Boekenbon Literatuurprijs niet bewust omgaan met wetenschappelijk onderzoek waaruit bleek dat werken van mannelijke auteurs sneller als literatuur bestempeld worden.

--

Door Isolde Kors

Winnaar 23ste Knack Hercule Poirotprijs bekend

Winnaar 23ste Knack Hercule Poirotprijs bekend


Rudy Morren ontvangt de 23ste Knack Hercule Poirot onderscheiding voor zijn boek Sneeuwspoor. De prijs is een jaarlijkse onderscheiding voor het beste misdaadverhaal in Vlaanderen en sinds 2016 wordt er ook een variant uitgereikt voor het beste thrillerdebuut, de Fred Braeckman Award. De Knack Hercule Poirotprijs ontstond oorspronkelijk in 1998 om Vlaamse thrillerauteurs een steuntje in de rug te geven. Aan de onderscheiding is een geldbedrag van 5000 euro verbonden. 

De jury over Sneeuwspoor: “Morren bevestigt met Sneeuwspoor de grote verwachtingen na zijn debuut: dit is een auteur die volop durft te schrijven en je tot op de laatste bladzijde in de ban houdt. In Sneeuwspoor verrast hij opnieuw met een strak plot en personages van vlees en bloed.”

Vorig jaar kwam het debuut van Morren uit: Wild Vlees. Dit boek werd positief ontvangen zowel in Vlaanderen als Nederland.


Naast de Knack Hercule Poirotprijs is er ook nog de Knack publieksprijs en de Fred Braeckman Award. De publieksprijs gaat dit jaar naar Uitgekookt van Pat Craenbroek. Jeanne Bertens, recensent bij Perfecte Buren schreef “Uitgekookt balanceert tussen een literaire en een psychologische thriller. Pat Craenbroek diept haar karakters goed uit. Met name het karakter van Margaux Bakker maakt een mooie ontwikkeling door.” 

De Fred Braeckman Award gaat dit jaar naar Marc Cloostermans voor zijn boek Conscience, de terugkeer. Deze maand is het tweede deel De Finse Weduwe verschenen. Recensent Jan Stoel over de debuutroman Conscience, de terugkeer: “Met gevoel voor sfeer, detail en in mooie taal weet Cloostermans de tweede helft van de negentiende eeuw op het platteland opnieuw tot leven te breng. Hij combineert het met een spannend verhaal.”

 

Dit jaar lijkt met deze voorbeelden een geslaagd jaar voor het thrillergenre in Vlaanderen. 

--

Door Renske Bakkenes

Ger Fritz-prijs 2020 naar Jos Versteegen

Ger Fritz-prijs 2020 naar Jos Versteegen


Jos Versteegen heeft de Ger Fritz-prijs 2020 gewonnen voor zijn gedicht Vrienden. De Ger Fritz-prijs is een jaarlijkse prijs voor het mooiste eenzame uitvaart gedicht. Eenzame uitvaart is een initiatief waar verschillende Nederlandse dichters aan meewerken. Zij maken persoonlijke gedichten voor de uitvaarten van mensen die eenzaam gestorven zijn. Versteegen schreef dit gedicht voor eenzame uitvaart 254 op 20 augustus 2020. 

De jury bestaat uit enkel Ger Fritz. Hij is een gepensioneerd medewerker van Bureau Uitvaarten van Gemeentewege van de Gemeente Amsterdam.

De jury over het gedicht: “Bij het lezen van het gedicht ‘Vrienden’ van Jos Versteegen maakte ik in gedachten even een reis terug in de tijd; naar de periode dat ik als ambtenaar, met enkele collegae, belast was met de uitvoering van de Wet op de Lijkbezorging. (…) Een van de regels die ik hierbij hanteerde was: Wij oordelen en veroordelen niet. Ook dacht ik na over het woord eenzaam. Wat is dat eigenlijk precies en hoe manifesteert zich dat? Voor mijzelf kwam ik tot de volgende conclusie: Eenzaamheid kan je overkomen. Je kunt het over jezelf afroepen door – al dan niet dankzij een stoornis - dermate deviant gedrag te vertonen dat de maatschappij je laat vallen. Ook kan je ervoor kiezen. Talloos zijn de keren dat ik te horen kreeg dat een eenzame uitvaart zielige mensen betrof. Ik heb er altijd op gewezen dat dit niet op in alle gevallen hoeft te gaan. Versteegen geeft dit goed weer in het gedicht.”

Vrienden

Voor meneer W.

 

Het moet een jaar of twee geleden zijn.

U was een dag niet in ’t café geweest,

als in een smartlap bleef uw barkruk leeg.

Er werd gebeld en u kreeg veel bezoek:

de brandweer aan de deur, en de politie,

terwijl u, ziek, alleen maar zat te lezen.

Er woonde nog familie in het zuiden,

een neef of nicht kwam ooit nog bij u langs,

het moet een jaar of tien geleden zijn.

Als in een smartlap was u ook gescheiden

en lag u in het ziekenhuis, eenzaam,

verlangend naar de vrienden in uw boeken,

die elke dag het volle leven waren.

Ik weet niet wat u weggedronken hebt

of welk bestaan u lezend wilde smoren.

Vaststaat: er woonden vrienden in uw huis,

honderd, duizend, het was er al die jaren

onopgemerkt een drukte van belang.

 

Jos Versteegen

 

--

Door Isolde Kors

Afbeelding: De eenzame uitvaart



Winactie met De nieuwe stilte van Lander Deweer en Jan Swerts

Winactie met De nieuwe stilte van Lander Deweer en Jan Swerts


In De nieuwe stilte gaan Lander Deweer en Jan Swerts op verkenning uit in het akoestische Wilde Westen. Twee vrienden. De ene reporter, de andere pianist. Samen, als in een quatre-mains, gaan ze op zoek naar een antwoord op de vraag die hen allebei benauwt: wordt de stilte met uitsterven bedreigd?

Hun zoektocht brengt hen langs verlaten dorpjes en miljoenensteden, sauna’s en stiltegebieden, kerkhoven en concertzalen. De trage, verstillende pianomuziek van Ólafur Arnalds, Jóhann Jóhannsson en Max Richter wijst hun de weg, ze biedt bescherming tegen het snelle, luide leven.

Deweer en Swerts luisteren naar de neoklassieke muzikanten, maar ook naar filosofen, cardiologen, geestelijken, stadsplanners en toevallige passanten. Wat richten we aan met ons lawaai? Hand over hand maakt hun irritatie plaats voor hoop. Op verhelderende wijze laten ze zien hoe de wereld niet almaar lawaaieriger wordt, zoals ze altijd dachten, maar juist stiller. De nieuwe stilte ontvouwt zich als een inspirerend reisverhaal en werpt een nieuw licht op onze toekomst: de kentering is ingezet, het helse kabaal gaat eruit.

--

Lees hier het interview van Marnix Verplancke met beide auteurs

WIN dit boek! 

Deel dit artikel op sociale media en maak kans op een exemplaar van De nieuwe stilte

  • Zorg dat het account van Bazarow getagd wordt zodat wij weten dat je kans wil maken.
  • Onder de delers en taggers verloten wij de boeken. 
  • Heb je geen social media? In dat geval kun je het artikel delen via email met minimaal vijf mensen én renske@deleesclubvanalles.nl zodat wij zien dat je wil winnen. 
  • Meedoen voor De nieuwe stilte kan tot en met vrijdag 13 november
Zes broers en een zus. Hoofstuk 3

Zes broers en een zus. Hoofstuk 3


Cor vecht zich omhoog in de hiërarchie van schoolvriendjes

Die klasgenootjes, dat was nog een probleem. De meesten zagen me niet staan en velen waren nieuw voor me omdat de klassen aan het begin van het nieuwe schooljaar door elkaar gehusseld waren. Ik klaagde er bij mijn moeder over in de keuken, met m’n rug tegen de proviandkast. Ze was niet onder de indruk.

      ‘Joh, dat gaat vanzelf weer over. Je moet nog even wennen. Je bent ook zo’n gevoelig jongetje… En,’ zuchtte ze, ‘vreselijk ongeduldig. En zo mogelijk nòg koppiger.’

       Bij m’n broers hoefde ik ook niet aan te kloppen, die hadden op school zo hun eigen sores. Ik moest het zelf maar uitzoeken.

Het allerergste was dat een andere jongen in m’n nieuwe klas de leider wilde spelen. Joost. Hij was niet eens de sterkste – wat mij verdomd goed uitkwam – maar ook de slimste niet, dat had ik al gepeild. Dus dat kon ik niet over mijn kant laten gaan. In de pauze en na school vochten we het uit. De anderen stonden erbij, keken ernaar en moedigden ons als opportunisten in de dop om de beurt aan. Het was trouwens ook meer ravotten dan echt vechten, het ging erom je te laten gelden, je plaats te bepalen. Apengedoe. Tot mijn schrik sloeg ik hem evengoed per ongeluk een bloedneus.

‘Niet tegen de juffrouw zeggen!’ riep ik meteen. Want die juf, hoe klein van stuk ook, was een bitse tante. Twee van m’n broers en zelfs m’n moeder hadden me al voor haar gewaarschuwd. Nou, meteen de eerste schoolweek al trok ze zo hard aan m’n oor dat dat er twee dagen van gloeide. Alleen maar omdat ik bij de eerste schrijfles een beetje uitgeschoten was met de inkt. M’n moeder is toen, terwijl dat eigenlijk niks voor haar is, meteen verhaal gaan halen. En ze waarschuwde me nog maar een keer: ‘Je moet oppassen met dat secreet.’ Ze leek er zelf van te schrikken, want zulke uitspraken waren ook al niks voor haar. En dat woord secreet zou ik niet gauw vergeten, zo mooi vond ik het. Het was vast een soort gemeen, griezelig insect.

Ik had geluk dat het gebeurde op de naschoolse vrijdagmiddag. We stonden op het schoolplein, vlak bij de overkapte fietsenstalling. Joost, m’n tegenstrever, m’n concurrent, zei niks terug maar holde met beide handen op z’n neus weg. De anderen keken me zwijgend en glazig aan. Ik nam ze een voor een aandachtig op, maar ik las geen ontzag in hun ogen, niets, hun blikken waren leeg. Ze leken niet te weten wat ze ervan vonden. Zelf wist ik het trouwens ook niet. Maar de maandag erop was het meteen weer raak. Niet met Joost, want die liet zich niet zien en werd later die week overgezet naar de andere klas, waarom weet ik niet. Ik merkte het al toen ik het lokaal binnenkwam, er werd druk gefluisterd. Er werd naar me gewezen met iets van voorpret. Wat glommen die ogen nu! Mijn greep naar de macht was mislukt, zoveel was wel duidelijk, en ze zouden me, straks in de pauze, te grazen nemen. Pieter-Bas Vinken en Daantje van Velden zaten daarbij. En zo nog een paar. Ik kende hun namen niet eens! En dan had je ook nog Bernard Vuurland, die ik nog het meest vreesde, met z’n onverzorgde uiterlijk en gemene hyena-blik. Zijn reputatie was hem vooruitgesneld: het leek m’n moeder geen goed idee als ik met hem vriendschap sloot. Maar mij leek dat om precies dezelfde reden juist wel weer handig. Moeilijke dingen waren dat. Prakkiseren geblazen.

Ik vroeg de juffrouw of ik naar de wc mocht. ‘Nou, vooruit dan,’ klonk het snibbig.

Op de gang liep ik langs de andere klas en probeerde stiekem de aandacht te trekken van Piet van Zursem. Zijn juffrouw had gelukkig niks in de gaten, maar die slome zelf ook niet! Degene die naast hem zat zag mij en gaf hem een elleboogstootje. Piet keek blij verrast op en knikte. O, hij zou op alles geknikt hebben. Hij was eenzaam, zelfs zijn broer ontweek hem, zo slaapverwekkend kon hij zijn. Maar ik kon hem nu mooi gebruiken. Die jongen zou voor me door het vuur gaan.

Zodra de bel klonk vluchtte ik de klas uit en kwam ik Piet al tegen op de gang. Hij begreep onmiddellijk waar het om ging en had zelfs al een paar anderen geronseld om me te helpen. Zoveel voortvarendheid had ik niet achter hem gezocht, maar het luchtte me op. Ik voelde zelfs iets als dankbaarheid. Ik maak ’t met je, beloofde ik hem stilzwijgend.

We renden over het schoolplein naar de zijkant van het gebouw, waar een klein bordes was: een prima strategische plek! We zouden er hoger staan dan onze vijanden en we konden er niet omsingeld worden, want links verrees de machtige zijmuur van het schoolgebouw en rechts liep de muur die de kloostertuin van onze school scheidde.

Oudtijds werd er op onze school onderwezen door nonnen, maar daar waren er niet veel van over. Ik zag ze wel eens lopen in hun tuin, waar ze groenten en bloemen teelden. Oude vrouwtjes, in mijn ogen. Voor de oorlog was mijn opa van moederskant de conciërge en de stoker van de school. In de winter beheerde hij de kolenvoorraad en zorgde er in het koude seizoen voor dat de school om acht uur ’s ochtends al lekker warm was. Mijn moeder had het me vaak verteld en met een zekere trots. Maar een prettig baantje was het niet. Want in het stookhok was het snikheet en stoffig van het vette kolengruis en haar vader was toch al ziekelijk. Astma en alles had die man. Toch moet het hem ook met eer vervuld hebben om te mogen stoken, want het was een imposant gebouw dat welhaast oogde als een kasteel. En toch was het ook modern. Een kubistisch kasteel van rode baksteen. Vader had verteld dat het in het begin van ‘de jaren twintig’ was opgetrokken. De jaren twintig: dàt klonk oud. De Haagse architect maakte  er (‘Opgelet jongens!’) school mee.

Het had wel iets middeleeuws, iets strengs ook, lichtte vader toe. Dat kwam waarschijnlijk door de kleine ramen waardoor het er altijd wat somber en halfdonker was. Dat vond hij wel zo slim van die architect, die dat allemaal bedacht had, want daardoor boezemde het gebouw je als kleine jongen ontzag in. Imposant, noemde hij het. En hij herhaalde het. ‘Ja, imposant. Een machtig mooi woord van zichzelf.’ De gangen waren betegeld met merkwaardig glanzende plavuizen, net alsof die stenen  bloosden. Glazuur heette dat, wist Johan me dan weer te vertellen. Het was hetzelfde spul dat je tanden deed glimmen. Het trappenhuis baadde wèl in het licht door de grote raampartij, en dat vond ik dan ook het mooiste van het hele gebouw.

Maar nu stonden we buiten op dat bordes. Ik had buikpijn van de angst en stond te trillen op m’n benen. Waarom deed ik toch de dingen die ik deed, waarom moest dat alles? Ik wilde naar huis, naar m’n moeder toe. Ik moest verdomme eens beter naar haar leren luisteren. Want zij wist beter dan ik hoe de dingen gingen en ze had het beste met me voor, dat wist ik zeker. Waarschijnlijk was ik zelfs haar lievelingetje – ik deed er alles aan om dat te zijn en te blijven, maar de concurrentie, m’n broers, zat ook niet stil – ze had het alleen een beetje druk. Waarom hield ik me niet gewoon gedeisd? Ik had het allemaal aan mezelf te danken. Stomme zak die ik was!

En daar kwamen ze, een hele troep! Wel een jongen of acht, negen. Gillend en joelend kwamen ze op ons afgerend. Ik keek naar Piet die grote ogen opzette waar het plezier van afspatte. Onbegrijpelijk. Ik slikte. En waar waren onze helpers nou?!

Piet ging door roeien en ruiten en schopte wild voor zich uit. Onze vijanden weken uit, ze hadden niet terug van mijn geheime wapen! Zelf deed ik slechts voor de vorm mee. Het mooie was dat daardoor plotseling alle aandacht uitging naar Piet. Ze keken naar hem als jagers naar een wild beest, wat hij op dat moment in feite ook was, en ze wachtten op een moment van onbedachtzaamheid. Maar Piet was voor geen kleintje vervaard en maaide met zijn lange benen over het voetvolk voor ons. Toen een van hen zijn been te pakken kreeg en hem onderuit haalde, slaakte Piet een pijnkreet waarna hij wild gebarend weer overeind kwam. Met dubbele kracht ging hij verder te keer. En we kregen hulp! Twee jongens uit onze buurt sprongen ons bij. Ik kende ze niet goed maar lachte ze toe. Ik zat gebakken met zulke formidabele knechten.

Op dat moment trapte een van onze tegenstanders in een spijker die dwars door de zool van zijn gympie ging. Hij gilde het uit en de strijd werd gestaakt. Geholpen door z’n vriendjes deed hij zijn schoen en sok uit en bestudeerde de wond. Z’n hele voet zat onder het bloed. Hij begon te janken en riep om z’n moeder. Sommigen hadden moeite om hem niet uit te lachen. En ook al was hij een bijfiguur, toch werd de strijd definitief gestaakt. We wisten allemaal dat je van een verroeste spijker dood kon gaan. Bloedvergiftiging! Pieter-Bas riep het ten overvloede wel tien keer.

Ze dropen af, met hun gewonde medestander kermend van de pijn tussen hen in. Wij op het bordes klapten elkaar op de schouder. Piet zei: ‘Mag ik nou je vriend zijn?’

‘Tuurlijk’, zei ik, ‘maar dat was je toch al?’ Ik speelde m’n verbazing perfect.

Later die middag ben ik met hem en een paar andere buurtjongens gaan voetballen met m’n nieuwe bal. Op het veldje aan de Hofcampweg. Geerie mocht ook mee van mij. Ik was in een milde bui. En ik scoorde er punten bij m’n moeder mee: ‘Lief van je.’

--

De volgende aflevering: 

Cor’s strijd om de macht gaat door

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

 

 

Mary Wollstonecraft heeft een eindelijk standbeeld

Mary Wollstonecraft heeft een eindelijk standbeeld


Na tien jaar sparen en donaties verwerven is het zover. Een beeld ter ere van Mary Wollstonecraft in Newington Green, Londen. Een feministische auteur uit de 18de eeuw, die maar weinig mensen kennen. Als ze haar al kennen dan is het als de moeder van Mary Shelley, de auteur van Frankenstein. Wollstonecraft was zelf echter ook schrijver, haar meest bekende werk A Vindication of the Rights of Woman werd gepubliceerd in 1792. Het is dit werk dat ook zorgde voor haar verdwijning uit het literaire veld, tenminste voor een langere periode. Zoals auteur Bee Rowlatt, starter van het project voor het standbeeld, uitlegt aan The Guardian. “Mensen hebben zelden van Mary Wollstonecraft gehoord, maar wanneer je meer over haar te weten komt is dit eigenlijk heel apart. [...] Haar reputatie werd met de grond gelijk gemaakt door misogynie.” Wollstonecraft, was een voorstander van gelijke rechten voor vrouwen in veel verschillende velden en kwam hier zoals haar werk aangeeft, openlijk voor uit.

In de 18de eeuw was auteursschap, en zeker op het gebied van filosofische essays een vak waarbij mannen het voortouw hadden. Vrouwen hadden in deze sfeer niets te zoeken. Mary Wollstonecraft doorbreekt dat, ze wordt vandaag de dag ook wel de ‘de moeder van het feminisme’ genoemd. Maar destijds werd haar kritiek en filosofische blik niet gewaardeerd. Een motief om haar zwart te maken. Iets wat veel gebeurde en dit is volgens Rowlatt dan ook de reden dat weinig mensen haar naam en werk vandaag de dag kennen. Redenen genoeg om een project op te zetten voor een standbeeld. Een groep auteurs, activisten en mensen die overtuigd zijn van het belang van de nalatenschap dat Wollstonecraft creëerde, voerde lang actie om voldoende donaties te verzamelen om het standbeeld waar te maken.

Vanwege de corona maatregelen in Londen vindt er geen feestelijke onthulling plaats . Wel is de onthulling vanavond te volgen via internet. Rowlatt geeft aan dat "het standbeeld ruimte opent voor discussie, iets Mary Wollstonecraft haar hele leven deed." Een mooi eerbetoon aan een van de eerste feministische auteurs die Groot Brittannië kende.  

 

Op de facebook van de organisatie staat meer informatie over het volgen van de onthulling. 

--

Door Renske Bakkenes


Foto van organisatie Mary on the green

De Jonge Jury maakt 10 leestips 2021 bekend

De Jonge Jury maakt 10 leestips 2021 bekend


Elk jaar stelt De Jonge Jury een lijst met 10 leestips voor jongeren samen. De Jonge Jury is een jaarlijks gekozen groep jongeren met een passie voor lezen in de onderbouw van de middelbare school. Op de lijst met leestips staan de ‘leukste, grappigste, spannendste en mooiste’ boeken van dat jaar. De Jonge Jury bestaat sinds 1998 en is een initiatief van Stichting Lezen en Passionate Bulkbook. Met De Jonge Jury trachten zij jongeren aan het lezen te krijgen en hen daarbij een eigen mening te laten vormen over de boeken die ze lezen. 

Dit zijn de leestips van De Jonge Jury van dit jaar: 

Blauwe dagen – Caja Cazemier

Janna (14) zit al een tijdje niet zo lekker in haar vel. Als haar vriendje het uitmaakt, komt dat hard aan. Zie je wel, denkt ze, ik ben niet de moeite waard… Steeds dieper zakt ze weg in de leegte. Het is alsof er een grauwe mist over haar hele leven heen hangt en ze kan nergens meer van genieten. Uiteindelijk krijgt ze psychologische hulp. Gek genoeg lijkt haar moeder daar helemaal niet zo blij mee te zijn. Wat is hier aan de hand?

De weg uit het dal is lang en zwaar, maar uiteindelijk leert Janna zichzelf te accepteren zoals ze is. En ze ontdekt wie ze is.

Een aangrijpend verhaal over depressie.

Fake trip – Margje Woodrow

Fake it till you make it…

Een vierdaagse schooltrip naar Barcelona. Iedereen hoopt te chillen op het strand en wil stiekem het nachtleven verkennen. Helaas staan er verplichte excursies op het programma.

Dan gebeurt er een afschuwelijk ongeluk in de Sagrada Familia. Gruwelijke details worden verspreid via social media. In een duizelingwekkend tempo komen geheimen bloot te liggen. Maar wat is echt en wat is fake news?

Kunnen Demi en Billy deze ramp stoppen? Of volgen er meer slachtoffers?

Genadeloos – Jennefer Mellink

Genadeloos gaat over vader Ernst, moeder Mildred, dochter Lenthe en zoon Clemens. Mildred maakt zich ernstige zorgen over Clemens als hij zich steeds meer terugtrekt en zelfs in huis een bom laat ontploffen. Ernst denkt dat het wel goed komt met hun puberende zoon. Lenthe stort zich op het uitgaansleven en bemoeit zich zo min mogelijk met haar tweelingbroer. Dan verdwijnt er een meisje. De zaak krijgt veel media-aandacht en alle sporen leiden naar Clemens...

DLVA-recensent Peter van Bavel over Genadeloos: “Ik vind het een genadeloos goed boek. Naast een YA-thriller is het ook een pedagogisch verhaal voor ouders die soms het begrip dreigen te verliezen voor het gedrag van hun kinderen. Waarmee het impliciet een aanrader is voor jong en oud. We leven immers allemaal nog, iedere dag.”

Het pungelhuis – Annet Huizing

“Bleek ik toch al die jaren een opa te hebben. Eentje. Maar daar kwam ik pas achter op de dag dat hij doodging.”

Waarom heeft niemand Ole ooit verteld dat hij nog een opa had? En waarom krijgt hij nu alleen maar te horen dat het een vreselijke man was? Voor Ole komt het verleden tot leven als hij met zijn vader terugkeert naar opa’s huis in de bossen van Brabant, vlakbij de grens met België. Daar woedde in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een hevige strijd tussen botersmokkelaars en commiezen. Langzaam maar zeker ontdekt Ole waarom zijn vader nooit over zijn opa wilde praten.’

Het zusje van – Carlie van Tongeren

Het zusje van gaat over Liv: een gewoon meisje op een gewone school, waar ze gewoon gelukkig is. Tot haar broer Alex in het ziekenhuis belandt door een auto-ongeluk. Niet alleen is Alex zwaargewond, het meisje dat hij aanreed heeft het niet overleefd. Zoë heette ze, en ze zat bij Liv op school.

Vanaf dat moment is Liv niet langer Liv, maar “het zusje van”. Van die dronken automobilist die de lieve, vrolijke Zoë heeft doodgereden. Ze wordt genegeerd, nagewezen en lastiggevallen. Alsof zij die avond achter het stuur zat. En dan heeft ze ook Alex nog: hij blijft haar broer, maar moet ze voor hem opkomen terwijl ze wat er met Zoë gebeurd is net zo erg vindt? En wie komt er eigenlijk voor haar op?

Ik moet dit doen – Maren Stoffels

Ik kijk naar de stoeptegels onder mijn gympen.

Linkertegel, boventegel, rechtertegel, ondertegel, middentegel.

Tik, tik, tik, tik, tik.

Simon heeft een dwangstoornis. Hij moet altijd alles controleren en ontwijkt bepaalde getallen. Tijdens een dwang-kamp leert hij Jasmin kennen, een meisje met extreme smetvrees. Als Jasmin wegloopt, is Simon de enige die haar kan vinden. Alleen moet hij daarvoor wel eerst zijn eigen dwang opzijzetten…

Jacht – Cis Meijer

Kun je wegrennen uit een nachtmerrie?

Op de computer van haar docent, probeert Sam haar cijfers aan te passen. Diezelfde dag breekt er brand uit op school. De politie vermoedt kortsluiting, maar Sam twijfelt. Ze gaat op onderzoek uit, vooral ook omdat haar docent ernstig gewond in coma ligt. Dan ontvangt Sam een dreigbrief; iemand zet haar zwaar onder druk.

Een paar dagen later vertrekt de klas naar de Duitse bossen voor een dropping met een ritueel. Al snel verandert de reis in een onheilspellende nachtmerrie: Sam voelt zich opgejaagd. Heeft iemand reden om haar uit de weg te ruimen?

DLVA-recensent Ramona van der Berg over Jacht: “Het verhaal laat zich makkelijk lezen en de verschillende kleuren hoofdstukken en de thema’s van nu zorgen voor een spannende thriller die zeker gelezen moet worden.”

Leugenaar leugenaar – Herman van de Wijdeven

Op de ochtend van haar dertiende verjaardag ontdekt Charlie dat haar vader voorgoed is vertrokken. Ze voelt zich bedrogen en in de steek gelaten. Aan haar moeder heeft ze niets. Haar vriendin praat liever over iets anders. En in de klas haalt Kat haar het bloed onder de nagels vandaan. Tot overmaat van ramp moet Charlie naar een “praatdokter’, omdat ze zo moeilijk “uit haar schulp komt’. Charlie voelt zich steeds verder in het nauw gedreven. Op de dag dat er brand uitbreekt op school, ontstaat er kortsluiting in haar hoofd. Ze maakt een keuze die het leven van iedereen om haar heen overhoop haalt.

Offerkind – Rob Ruggenberg

Aïn vlucht van haar familie vandaan omdat ze iets ergs heeft gedaan waar ze zeer zwaar voor zal worden gestraft. Een meisje alleen kan niet overleven in het Nederland van vierduizend jaar geleden, dus is ze blij dat Kraai met haar mee is gevlucht. Kraai voelde zich een buitenstaander omdat zijn vader van een andere stam is en hij er anders uitziet. Samen met hem moet ze uit handen van de achtervolgers kunnen blijven. Maar kunnen ze wel op tegen de wraak van de moerasgodin?

Inspiratiebron voor dit spannende verhaal was de vondst van een graf uit de bronstijd vlak bij Wassenaar op een plek waar Rob Ruggenberg als kind vaak speelde. In dat graf lagen twaalf kinderen en volwassenen die een gewelddadige dood hadden gevonden.

DLVA-recensent Jaap Friso over Offerkind: ‘Offerkind is niet geschikt voor de al te tere kinderziel maar gruwelijkheden staan er in het werk van Ruggenberg nooit vanwege het effect. Hij beschrijft het zoals hij denkt dat het gebeurde in die tijd, en daar deed hij telkens grondig onderzoek naar. Zijn nalatenschap is bijzonder en hopelijk blijven zijn boeken gelezen worden. Ze zijn het waard. Offerkind is een van zijn beste boeken en een fraaie laatst loot aan de stam.’

Wij blijven bij elkaar – Martine Letteri

Er dreigt oorlog. Sonni en haar broertjes en zusjes worden door hun moeder op de trein naar Nederland gezet, in de hoop dat ze daar veilig zullen zijn. Niets is minder waar. Sonni heeft maar één wens: zorgen dat zij en haar broertjes en zusjes bij elkaar kunnen blijven. Ze heeft nog geen idee dat deze treinreis nog maar de allereerste is.

Er zullen er meer volgen, die hen naar kamp Westerbork en uiteindelijk naar Bergen-Belsen brengen…

Martine Letterie reisde naar Israël om de kinderen Birnbaum (inmiddels op hoge leeftijd) te ontmoeten en hun verhaal van binnenuit te vertellen. 

DLVA-recensent Rita Pontororing over Wij blijven bij elkaar: ‘Dit boek trekt je als lezer het verhaal in. Ze schrijft alsof elk lid van de familie zelf aan het woord is in dit boek. Letterie deelt naast de persoonlijke belevenissen van de familie veel informatie over Joodse gebruiken en tradities. Ze laat zien dat de familie door hun geloof en de Joodse tradities kracht proberen te vinden in hun moeilijke omstandigheden. “Tot volgend jaar in Jeruzalem” is een wens die hoop uitspreekt. Het is een afsluitende wens van het Joodse Paasfeest.

Die hoop lees je in dit boek. Een boek over de oorlog die door deze persoonlijke verhalen maakt dat je het verhaal ingetrokken wordt. Een boek om te beleven en van te leren.’

Naast de tien boeken die de jonge jury al gekozen heeft is er ook een wildcard die de jury nog toekent aan een jeugdboek. Voor deze wildcard kunnen jongeren hun stem uitbrengen, dat kan hier

 --

Door Isolde Kors

 

 

 



Ilja Leonard Pfeiffer ontvangt Gouden Boek

Ilja Leonard Pfeiffer ontvangt Gouden Boek


Vorige week reikte het CPNB de Gouden Boek onderscheiding uit aan Ilja Leonard Pfeiffer voor zijn boek Grand Hotel Europa. De roman was in 2019 de bestverkochte Nederlandstalige roman. De Gouden Boek onderscheiding betekent dat er meer dan 200.000 exemplaren van het boek zijn verkocht. Het CPNB, oftewel Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek reikt het Gouden Boek uit sinds 2012. Deze stichting zet zich in voor leesbevordering en boekenbezit. Bekende evenementen van het CPNB zijn onder andere de boekenweek, de kinderboekenweek en De Nationale Voorleesdagen. Eerdere winnaars van het Gouden Boek zijn onder andere De meeste mensen deugen van Rutger Bregman, Huidpijn van Saskia Noort en Lieve Mama van Esther Verhoef.

Grand Hotel Europa gaat over een schrijver die zijn intrek neemt in het illustere maar in verval geraakte Grand Hotel Europa om te overdenken waar het is misgegaan met Clio. Zijn liefde uit Genua en met wie hij in Venetië is gaan wonen. Hij reconstrueert het meeslepende verhaal van liefde in tijden van massatoerisme. 

Recensent bij De Leesclub van Alles, Just Houben schreef: “De roman kent veel essayistische passages, soms woordelijk elders als essay gepubliceerd, zoals het verslag van het bezoek aan de tentoonstelling van Damien Hirsts Treasures from the Wreck of the Unbelievable. Maar Grand Hotel Europa kun je zeker geen lang uitgevallen essay noemen. Je zou daarmee voorbijgaan aan de kwaliteiten die het als roman zeker heeft.”

 

De bekendmaking vond plaats tijdens een nieuwsradio uitzending van NPO 1.

--

Door Renske Bakkenes

Luister hier het nieuwsfragment van NPO 1.

Lees hier de hele recensie van Just Houben.

Winactie met Mijn lichaam. Mijn baby. Mijn keuzes.  Bevallen als een feminist, van Milli Hill

Winactie met Mijn lichaam. Mijn baby. Mijn keuzes. Bevallen als een feminist, van Milli Hill


Dit boek is zowel een inspirerende gids voor zwangere vrouwen als een strijdkreet. Het legt uit waarom vrouwen de belangrijkste beslissers zijn bij de bevalling, waarom ze hun rechten moeten kennen, actief keuzen moeten maken, en waarom ze hun stem moeten vinden en hun zegje moeten doen in de bevalkamer, net zoals ze dat al hebben gedaan in de directiekamer en de slaapkamer.

Bevallen is de feministische kwestie waar niemand over spreekt – het door feminisme vergeten land – maar dit boek wil dat veranderen. Geschreven door de oprichter van de wereldwijde Positive Birth Movement en auteur van Positief over bevallen.
 
Milli Hill illustreert hoe de medicalisering en de systemen van een patriarchale samenleving zich zo hebben ontwikkeld dat ze vrouwen op de drempel van het moederschap machteloos maken en zelfs ontmenselijken. Dat doet ze door middel van wetenschappelijk onderzoek, haar persoonlijke verhaal én dat van honderden moeders met haar. Vervolgens bereidt ze de huidige generatie vrouwen voor en zet ze hun vaak veronachtzaamde mogelijkheden en rechten uiteen.
--
Lees hier de voorpublicatie in Bazarow Magazine
 
--

WIN dit boek! 

Deel dit artikel op sociale media en maak kans op een exemplaar van Mijn lichaam. Mijn baby. Mijn Keuzes. Bevallen als een feminist

  • Zorg dat het account van Bazarow getagd wordt zodat wij weten dat je kans wil maken.
  • Onder de delers en taggers verloten wij de boeken. 
  • Heb je geen social media? In dat geval kun je het artikel delen via email met minimaal vijf mensen én renske@deleesclubvanalles.nl zodat wij zien dat je wil winnen. 
  • Meedoen voor Mijn lichaam. Mijn baby. Mijn Keuzes. Bevallen als een feminist kan tot en met vrijdag 13 novembe
De Grote vriendelijke podcast wint Dutch Podcast Award

De Grote vriendelijke podcast wint Dutch Podcast Award


Gisteren en vandaag zijn de Dutch podcast awards uitgereikt. Dit is een prijs voor de beste Nederlandse podcast in 10 verschillende categorieën. Zowel het publiek als de jury bepalen de winnaar van de award. Hierbij telt de stem van het publiek voor 70% mee en de stem van de jury van 30% mee. Dit jaar gaat de prijs voor de beste podcast in de categorie Cultuur & Muziek naar De Grote Vriendelijke podcast.

De Grote Vriendelijke Podcast is een podcast over jeugdliteratuur. De makers van de podcast zijn recensenten Jaap Friso (jaapleest.nl) en Bas Maliepaard (Trouw). De Grote Vriendelijke Podcast probeert leraren, ouders, mensen uit het boekenvak en jeugdliteratuur liefhebbers te enthousiasmeren voor alles wat jeugdliteratuur te bieden heeft.

De vakjury over de Grote Vriendelijke Podcast: ‘Een mooie opsteker voor de literatuur, deze sympathieke podcast.’

Bekijk hier het filmpje waar de makers verrast worden met de prijs door presentator Michiel Veenstra.

--

Door Isolde Kors



World Fantasy Awards 2020 bekend!

World Fantasy Awards 2020 bekend!


Afgelopen weekend reikte de jury van de World Fantasy Awards verschillende prijzen uit. Deze onderscheidingen zijn onderdeel van de jaarlijkse World Fantasy Convention. Deze conventie bestaat sinds 1975 en zet zich in voor het fantasy genre. Iedereen geïnteresseerd in fantasy is welkom. Dit jaar was de conventie, vanwege het coronavirus, volledig online. 

Het belangrijkste onderdeel van de conventie is toch wel de uitreiking van de World Fantasy Awards, daarnaast is er op de vrijdagmiddag/avond een grote signeersessie als activiteit, waarbij vele auteurs en artiesten hun werk signeren. Andere activiteiten zijn bijvoorbeeld de Dealerroom en de Art show. In de Dealerroom kunnen bezoekers bij ongeveer 50 kramen kijken wat er de laatste aanbiedingen zijn in literair en artistiek werk met fantasy als genre. De Art show bevat zowel werk dat gekocht kan worden als werk dat alleen tentoongesteld wordt. Meedoen met de Art show kan alleen als het werk goedgekeurd wordt door een jury en aanmelden hiervoor moet ver van te voren. Voor iedereen is er wat te vinden, zowel voor professionals als voor fans. Het bestuur van de World Fantasy Convention benadrukt wel dat de beurs vooral voor mensen is die professioneel met het genre bezig zijn. Het is dus niet een conventie waarbij mensen verkleed zijn of er veel aandacht is voor games. 

 

De volgende winnaars zijn bekend:

Prijzen
Beste roman: 
Queen of the Conquered, Kacen Callender (Orbit US)

Beste novelle: 
Silver in the Wood, Emily Tesh (Tor.com Publishing)

Beste korte verhaal: 
Read After Burning, Maria Dahvana Headley (A People’s Future of the United States)

Beste verhalenbundel:
New Suns: Original Speculative Fiction by People of Color, Nisi Shawl, ed. (Solaris US & UK)

Beste collectie:
Song for the Unraveling of the World, Brian Evenson (Coffee House)

Beste illustrator:
Kathleen Jennings

Special Award – Professional:
Ebony Elizabeth Thomas, for The Dark Fantastic: Race and the Imagination from Harry Potter to the Hunger Games (New York University Press)

Special Award – Non-Professional:
Bodhisattva Chattopadhyay, Laura E. Goodin and Esko Suoranta, for Fafnir – Nordic Journal of Science Fiction and Fantasy Research

--

Door Renske Bakkenes

De Kookboekenweek gaat morgen van start!

De Kookboekenweek gaat morgen van start!


Morgen start de kookboekenweek 2020. Dit is een initiatief van het CPNB, tijdens de week staan kookboeken en lekker eten centraal. “Van beginnende koks tot culinaire toptalenten, van fitgirls tot taartenbakkers: allemaal te zien, te proeven en te beleven in uw boekhandel en bibliotheek.” Voorheen stond de Kookboekenweek bekend als de Kookboeken7daagse, die georganiseerd werd door Fusina Verloop, oprichtster van de website www.kookboekennieuws.nl

Tijdens de kookboekenweek zijn verschillende evenementen. Deze staan op de website van de Kookboekenweek. Aan de vooravond van de week is de uitreiking van het gouden kookboek. Dit is de prijs voor het beste, oorspronkelijk Nederlandstalige, kookboek. We schreven eerder over de longlist, die kan je hier bekijken. Het Gouden kookboek wordt toegekend door de ‘jury van fijnproevers’. Deze jury bestaat uit verschillende experts op het gebied van kookboeken. De jury maakt verschillende gerechten uit de kookboeken waarna ze hun oordeel uitbrengen.

De ‘jury van fijnproevers’ bestaat dit jaar uit: Bart van Aken (boekhandel Paard van Troje in Gent), Daan van der Valk (boekhandel De Vries Van Stockum in Haarlem), Jonneke de Zeeuw (Culinair publicist en influencer), Makkie Mulder (voorzitter en voormalig hoofdredacteur van Delicious) en Sarriel Taus (culinaire duizendpoot en ondernemer). 

De kookboekenweek loopt van 6 t/m 15 november 2020.

--
Door Isolde Kors

Penguin: pandemie zorgt voor stijging in verkoop van dikke klassiekers

Penguin: pandemie zorgt voor stijging in verkoop van dikke klassiekers


Dat de corona crisis leidde tot een toename in boekverkoop was al een tijd duidelijk. De engelstalige uitgeverij Penguin werpt een blik op welke boeken er dan meer gelezen worden in de pandemie. Volgens de uitgeverij is er een grote stijging in de verkoop van dikke klassiekers zoals Don Quichote van Miguel de Cervantes, en Tolstojs Oorlog en vrede en Anna Karenina.

De grootste toename in verkoop was voor Oorlog en vrede. Dit boek heeft 1440 pagina’s in de Penguin Classics editie. Volgens Penguin is de verkoop van het boek in het Verenigd Koninkrijk gestegen met 69%. Ook andere dikke klassiekers zoals Don Quichote (1056 pagina’s, 53% toegenomen), Anna Karenina (865 pagina’s, 52% toegenomen), George Eliot’s Middlemarch (880 pagina’s, 40% toegenomen) en Misdaad en straf van Dostojevski (720 pagina’s 35% toegenomen) zijn een stuk vaker verkocht. 

Penguin Classics hoofd editeur Jess Harrison: “We dachten dat er een toename zou zijn in misdaad of komische boeken, maar in plaats hiervan leidde de lockdown er blijkbaar toe dat men de grote literaire werken ging lezen. Het gaat om boeken die mensen misschien altijd al wilden lezen, maar tot nu nooit de tijd voor hadden om aan te beginnen”. Dit blijkt ook uit initiatieven als #TolstoyTogether, waar een groep mensen onder leiding van auteur Yiyun Li samen War and Peace lazen. De auteur gaf de opdracht om over 86 dagen iedere dag 10-15 pagina’s te lezen.

--

Door Isolde Kors

Lees ook het artikel van The Guardian

Winactie met Druks van Francien Regelink

Winactie met Druks van Francien Regelink


“Dit boek is het bewijs dat ik een superpower heb”

De meeste mensen kennen ADHD als ‘Alle Dagen Heel Druk’. En druk zijn is zeker een onderdeel van de Attention Deficit Hyperactivity Disorder, maar dat is wel een héél eenzijdig beeld. Francien Regelink stelt dat beeld graag voor je bij.
Want wat is ADHD eigenlijk? Wat zijn de voordelen, nadelen en de vooroordelen? Helpen pilletjes, of juist helemaal niet? Hoe zorg je dat je om kunt gaan met alle prikkels van het dagelijks leven?
Francien vertelt je recht voor zijn raap over haar leven en ervaringen met ADHD.

Lees hier het interview uit Bazarow Magazine met Francien

WIN dit boek! 

Deel dit artikel op sociale media en maak kans op een exemplaar van Druks

  • Zorg dat het account van Bazarow getagd wordt zodat wij weten dat je kans wil maken.
  • Onder de delers en taggers verloten wij de boeken. 
  • Heb je geen social media? In dat geval kun je het artikel delen via email met minimaal vijf mensen én renske@deleesclubvanalles.nl zodat wij zien dat je wil winnen. 
  • Meedoen voor Druks kan tot en met vrijdag 13 november
Zes broers en een zus. Hoofstuk 1

Zes broers en een zus. Hoofstuk 1


Op een feestavondje wint de jonge Cor een prijs bij de voetbalvereniging. Zijn jaloerse broers gaan ermee aan de haal.

Die zaterdagochtend stond ik vroeg op, van de opwinding kon ik niet meer slapen. De avond ervoor had ik bij de loterij op de voetbalclub de hoofdprijs gewonnen: een leren bal. Ik had, zoals wel meer jongens, mijn voetbalkousen aan en het leek me slim het lotje onder de kous te stoppen omdat ik altijd alles kwijt was.

      ‘Numero tweu-en-zestig,’ zei de man in het dure blauwgrijze pak, onze burgemeester. ‘Ik herhaal: numero tweu-en-zestig… Waar is de winnaar van de lederen bal?’

      Dat zei hij zo: de lederen bal. Pas toen drong het tot me door.

Ik kreeg het er opeens warm van in de toch al benauwde kantine, waar de condens van de ruiten af kronkelde en de rook bijna te snijden was. Met trillende vingers haalde ik het lot uit mijn kous tevoorschijn en stak hem, ongelovig nog, in de lucht. De jongen naast me begon te gillen: ‘Hij hep hem! Hij hep hem! Cor hep hem!’

Toen ik opstond werd er tegen me geduwd en aan me getrokken. Ik strompelde de rij uit om daarna op onvaste benen het trapje van het podium te beklimmen. Stijf van de zenuwen stelde ik me op naast die chique man.

De burgemeester keek me vriendelijk aan. Ik mocht hem meteen, met z’n mooie witte haar. Alleen praatte hij zo raar en zo bekakt. Ik kon hem niet eens goed verstaan. Hij reikte me de hand. Een zeer verzorgde hand met schone nagels en keurige nagelriemen. Zijn colbertjasje plooide mooi symmetrisch bij z’n elleboog en daaruit schoot de smetteloos witte mouw van z’n overhemd met een blinkende manchetknoop. Zelf hield ik mijn zweterige handen met de kapotgebeten nagels op mijn rug. Ik durfde  niet. De man lachte me toe en tilde me op met een zwaai. ‘Unze winnaar!’ riep hij. De zaal jubelde en juichte, nog eens extra opgezweept door de trainers en kantinemedewerkers.

Het was een prachtige bal. En hij rook ook heel lekker. ‘Hij is echt,’ zei een andere jongen toen ik weer naar m’n plaats ging en iedereen de bal van dichtbij wilde zien of aanraken. ‘Laat hem erdoor!’ riep een jongen uit mijn elftal. ‘Ach wat,’ vond een ander, ook van mijn elftal, ‘hij ken geeneens voetballen.’ En anderen vonden dat ook. ‘Hij is bang voor de bal en nou heppie een leren, wat mot ie ermee?’

‘Ja, dat uitgerekend jij een bal moet winnen, zeg,’ schamperde Pim, m’n  oudste broer, toen ik ermee thuiskwam.

‘Zullen wíj er anders morgen mee gaan voetballen?’ opperde Frans en hij keek naar mijn oudere broers. Dat klonk alsof ik niet eens mee mocht  doen, terwijl ik er toch zeker wel de baas over was. Wat zouden we nu beleven?!

Toch leek het me niet verstandig dat te zeggen.

Mijn moeder doorzag de situatie en fluisterde me in de bal te verstoppen. Intussen wilde vader alles weten over de burgemeester, die Molly Geurtsema bleek te heten, wat ik op de een of andere manier een onvergetelijk grappige naam vond.

‘En wat zei die dan? En wat zei jij toen? Niets?! En heb je nog gezegd waar je woont?...’ Ik zag de teleurstelling op zijn gezicht. ‘Je had die kans moeten grijpen,’ zei hij mijmerend, meer tegen zichzelf dan tegen mij eigenlijk.

‘Ik heb de bal toch?’ antwoordde ik.

‘Zo is het,’ bracht moeder in het midden. ‘En hou er nou maar over op, Adri.’

Haastig at ik een beschuitje met jam, klokte een glas melk weg en poetste  mijn tanden. Ik wilde naar buiten, de bal proberen. Eigenlijk mocht het niet van m’n moeder, want een leren bal is alleen voor gras, meende ze, maar ik wist aan haar aandacht te ontsnappen. Zij was in de weer met de witte kookwas – buiten stond de zinken wasketel waar de damp van afsloeg al af te koelen – en met schoenen poetsen. Om de ochtend poetste ze, op haar knieën, van iedereen de schoenen, en die van vader zelfs elke dag.

De straat was nog verlaten, er stond ook geen enkele auto. Wel vuilnisbakken, sommige voorzien van een slordig witgeverfd kruis of zomaar een lik groen, andere met een keurig huisnummer erop. Wij hebben er twee, die ik meteen herkende aan de paar stickers die mijn broertje Geerie en ik er van moeder op hadden mogen plakken. Ik las de naam van ons dorp dat in beide klapdeksels gestanst was: Wassenaar. De deksels konden niet dicht, zo vol zaten ze. Mijn vader noemde ze altijd asemmers. Waarom wist ik niet, hij gebruikte wel vaker rare woorden.

Ik gooide de bal tegen een muurtje en controleerde na elke worp of ie er niet door beschadigd raakte. Moeder had ons goed ingeprent zuinig te zijn op onze spullen.

Toen hoorde ik een merkwaardig geluid, als van een enorme krekel. Het kwam dichterbij. Ik moest er even over nadenken, maar opeens wist ik het, en tegelijkertijd zag ik de man aan komen lopen. Hij had een pet op en een soort cape om en hield met zijn rechterhand een houten apparaat vast waarmee hij slingerde. De ratel. Ik wist waarom. Hij waarschuwde degenen die vergeten waren hun vuil aan de straat te zetten dat de vuilniswagen er nu toch echt aankwam. Mijn vader had verteld dat opa, zijn vader, vroeger ook zoiets deed, eerst met zijn stem en later met een houten klepper. Dorpsomroeper heette dat beroep. Nog weer later ‘ging hij in de kranten’, zoals vader zei, terwijl hij er dan heel mismoedig bij keek. Ja, wij, z’n jongens, moesten het beter doen, wij zouden wèl de kans krijgen, daar ging hij zijn stinkende best voor doen: hij werd nooit moe dat te zeggen.

Ik stelde me keurig op de stoep op, met de bal in mijn armen geklemd.  Op het moment dat de man met de ratel me passeerde gaf hij me een knipoog. En daar kwam de vuilniswagen al! De vuilnismannen pakten de zinken emmers op bij het hengsel en een seconde later hoorde ik het lawaai dat daarmee gepaard gaat. Ze werkten de straat in vliegende vaart af, veel vuilnisbakken stonden er dan ook niet, daar aan het begin. Ze leken door de lucht te vliegen, die bakken, zo snel ging het. Ongeduldig liep ik op de wagen af. De mannen in hun overalls glimlachten naar me. Even later zag ik hun grimassen terwijl ze de volle bakken kletterend aan de haak achter de wagen hingen, waarna ze paarsgewijs werden omgekiept. Ik kon nu ook de licht zoete, weeë stank ruiken die oprees uit de ingewanden van die haast monsterlijke en daardoor interessante wagen, die deed denken aan een gigantisch insect. De mannen gutsten wat water in de emmers, haalden er gauw een halfronde borstel door en zetten ze daarna, klengel-de-bengel, weer op de stoep. Op naar de volgende. Ik liep met ze mee. Ik vond het een machtig gezicht. En al die herrie! De huizen weerklonken ervan. Geweldig!

Ik wilde later vuilnisman worden, maar dat mocht niet van mijn vader. Mamma zei voorzichtig: ‘Dat zien we dan wel weer.’ Mijmerend keek ik ze na tot in de volgende straat, waarna het lawaai langzaam verstomde. Toen ik terugkeerde naar m’n muurtje zag ik mijn drie broers het laantje uit komen. Ze grijnsden en keken met grote ogen naar mijn bal.

O nee. O nee!

Ze pakten hem af en begonnen onderling te voetballen. Er kwamen steeds meer grote buurtjongens bij en ik wist niet wat ik moest doen. Mijn broers en hun vriendjes lachten me in m’n gezicht uit. Ik verbeet mijn tranen en ging op een muurtje zitten. Dat nare, vreemde gevoel van onmacht drong zich weer op, het idee dat alles zomaar gebeurde en zich onttrok aan mijn wens en wil. Alsof alle anderen onder één hoedje speelden en iets wisten wat ik niet wist. Iets waar ik de vinger niet op kon leggen. Hoe zat het? Dit alles was niet echt. Dat kon gewoon niet. Het was een spel. Een raar soort spel waarvan ik de regels niet doorzag. Ik speelde het mee, maar als figurant. Er moest zoiets zijn als een geheim. Hoe moest ik het anders noemen? Zoals moeder me soms aanstaarde. Vriendelijk, ja, lief glimlachend. En vader die me soms met iets van pijnlijke herinnering opnam. Mijn broers die me vanuit hun ooghoeken bekeken, alsof ze dachten: heeft hij het in de gaten? Heeft hij ons door? Ze déden allemaal wel alsof alles heel normaal was, maar dat was het niet. Ik wist het gewoon. Toch was ik niet volledig zeker van mezelf en ik was er al helemaal niet gerust op.

‘Wat dan voor een geheim?’ vroeg moeder toen ik dat eindelijk een keer waagde tegen haar waagde te zeggen. Ik zat op de rand van mijn bed en keek naar mijn tenen. ‘Ik weet niet… Het levensgeheim,’ antwoordde ik. ‘Het levensgeheim?’ lachte ze een beetje geschrokken. (Waarom schrok ze? Wist zij er soms meer van?!) ‘Wat bedoel je dáár nou mee? Van wie heb je dat?’ Ze probeerde mijn blik te vangen. ‛Gekke jongen toch.’ Ik wendde mijn hoofd af. Ik wist ook niet wat ik precies met dat woord bedoelde, ik moest het ergens hebben opgevangen en ik vond het wel een mooi woord. Maar belangrijker, het dekte de onbekende lading.

Toen begon ze over God. Dat alleen Hij het geheim van het leven kende, als er al zo’n geheim was. Maar Hij was er, daar twijfelde ze niet aan en daar moest ik ook niet aan twijfelen. Dat deed ik ook helemaal niet.

God was voor mij een soort super-opa, die kòn je helemaal niet met mensen vergelijken. Over God dacht ik niet veel na, die was er gewoon, ergens. God kon je niet begrijpen, dat had de pastoor uitgelegd, maar ik wou mezelf en anderen wel graag begrijpen. Maar moeder maande me: ‘Ga nu maar slapen.’ Ze was er kennelijk niet gerust op, want ze kwam wel drie keer kijken of ik al sliep – en dan gaf ze me een knuffel. Alleen al daarom probeerde ik wakker te blijven.

De volgende aflevering:

Cor mag mee voetballen. Maar het loopt niet goed af.

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

 Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Uit elkaar en De fantastische vliegwedstrijd bekroond

Uit elkaar en De fantastische vliegwedstrijd bekroond


Bette Westera ontvangt de Boekenleeuw 2020 voor Uit Elkaar. De dichtbundel werd eerder dit jaar al bekroond met een Zilveren Griffel en een Gouden Griffel. Daarnaast ontving Westera ook de Woutertje Pieterse Prijs voor Uit Elkaar. De Boekenleeuw is de Vlaamse variant van de onderscheiding voor het beste Nederlandstalige kinderboek. De onderscheiding bestaat sinds 1986. Tot 1989 reikte de jury meerdere Boekenleeuwen per jaar uit, maar daarna is dat veranderd naar een enkele onderscheiding en verder alleen nominaties. 

Naast de Boekenleeuw is er ook nog de Boekenpauw. De Vlaamse onderscheiding voor het beste Nederlandstalige prentenboek. Dit jaar gaat de prijs naar Sebastiaan Van Doninck voor zijn boek De fantastische vliegwedstrijd

Jaap Friso, De Leesclub van Alles recensent over De fantastische vliegwedstrijd: “Van Doninck houdt van de grote lijnen en opvallende constructies maar is ook goed op zijn plek in de kleine ruimte. Veel details vallen pas op bij een volgende lezing, bijvoorbeeld de blije toeschouwers en de jury op de achtergrond.” 

Andere genomineerden waren:
Nominaties Boekenleeuw

+ 6 jaar:

Stefan Boonen met Veer: een dag in de kou, geïllustreerd door Jan Van Lierde – Van Halewyck

Janneke Schotveld met Avonturen van de dappere ridster, geïllustreerd door Milja Praagman – Unieboek/Het Spectrum

+12 jaar:

Lida Dijkstra met Het beest met de kracht van tien paarden, geïllustreerd door Djenné Fila – Luitingh Sijthoff 

 

Nominaties Boekenpauw   

Categorie prentenboek:

Yvonne Jagtenberg met Hup, Herman! - Rubinstein

 

Categorie geïllustreerd boek:

Pieter Gaudesaboos met Klein verhaal met een hart, geschreven door Elvis Peeters - Lannoo 

Astrid Verplancke met Vissenkind, geschreven door Tim Gladdines - De Eenhoorn

--

Door Renske Bakkenes

Remieg Aerts wint de Nederlandse Biografieprijs 2020

Remieg Aerts wint de Nederlandse Biografieprijs 2020


Afgelopen zaterdag op 31 oktober, maakte de jury de winnaar van de Nederlandse Biografieprijs bekend. Remieg Aerts ontvangt de prijs voor zijn boek Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman. De Nederlandse Biografie prijs is een tweejaarlijkse onderscheiding, die in het leven geroepen is om meer aandacht te besteden aan het vele werk dat in een biografie gaat zitten. Tegenwoordig zijn biografieën niet alleen maar meer droge boeken vol met feitjes, maar hebben de boeken zich ontwikkeld tot een volwaardig genre. Een genre dat in Nederland in opmars is aldus de Stichting Nederlandse Biografieprijs. Eerdere winnaars waren onder andere Onno Blom met zijn biografie over Jan Wolkers Het litteken van de dood (2018) en Elisabeth Leijnse met Cécile en Elsa. Strijdbare freules (2016). 

Dit is niet de eerste prijs die Aerts ontvangt voor zijn boek, zo werd de biografie eerder al bekroond met de PrinsjesBoekenPrijs (2018) en genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.

Karin de Leeuw, recensent bij De Leesclub van Alles schreef: “Het is de verdienste van Aerts dat hij zijn best heeft gedaan van meer te verhalen dan de staatsman en van de mythe. Aerts beschrijft ook het privéleven, waaronder het huwelijk met de veel jongere Adelheid Solger.” 

Normaal vindt de prijsuitreiking en bekendmaking van de winnaar plaats in het Hodshon Huis in Haarlem, vanwege de corona maatregelen gebeurde dit nu tijdens het radioprogramma NieuwsWeekend. 

--

Door Renske Bakkenes

 

Lees hier de hele recensie van Thorbecke wil het. 

Luister hier de aflevering van het NieuwsWeekend

De mooiste boekcovers van 2020 volgens de Academie Brits Cover Design

De mooiste boekcovers van 2020 volgens de Academie Brits Cover Design


Vorige week reikte de Academie Brits Cover Design (ABCD) de prijzen uit voor de mooiste boekcovers van 2020. Cover ontwerpers konden zelf hun ontwerpen insturen, waaruit door de jury een shortlist van zes boeken per categorie is samengesteld. Er zijn in totaal 10 categorieën: Kinderboeken 0-5, Kinderboeken 6-12, Young Adult, SciFi/Fantasy, Mass Market, Literaire Fictie, Crime/Thriller, Non-fictie, Series ontwerp en Klassieker.

Dit zijn de winnende ontwerpen

Young Adult

David Yoon - Frankly in Love

Ontworpen door Owen Gildersleeve en gedirigeerd door Theresa Evangelista

 

Sci-fi/Fantasy

Jeff Vandermeer - Dead Astronauts 

Ontworpen door Jo Walker en geïllustreerd door Alicia Rainaud

 

Non-fictie

Michael H. Kater - Culture in Nazi Germany

Ontworpen door Alex Kirby

 

Serie ontwerp

Junot Diaz - Cheater’s guide to love

Ontworpen door: meerdere ontwerpers, gedirigeerd door Donna Payne

 

Klassieker

Kurt Vonnegut - Bluebeard

Ontworpen en geïllustreerd door Jack Smith, gedirigeerd door Julian Humphries

 

Kinderboek 0-5

Thereza Rowe - We all have feelings

Ontworpen en geïllustreerd door Thereza Rowe, gedirigeerd door Thereza Rowe, Claudio Ripol, Yeonju Yang

 

Kinderboeken 6-12

Susie Day - Max Kowalski didn’t mean it

Ontworpen door Dominica Clements, geïllustreerd door Andrew Bannecker, gedirigeerd door Jacqui McDonough & Anna Billson

 

Literaire fictie

Nell Zink - Doxology

Ontworpen door Jack Smyth, gedirigeerd door Julian Humphries

 

Misdaad/Thriller

Anthony Good - Kill

Ontworpen door Mark Swan, gedirigeerd door Richard Evans

Mass market

Candice Carthy-Williams - Queenie

Ontworpen en gedirigeerd door Lucie Stericker, geillustreerd door Gerrel Saunders

--

Door Isolde Kors

Zes broers en een zus. Proloog

Zes broers en een zus. Proloog


In de Proloog gaat de jonge hoofdpersoon met zijn vader op bezoek bij familie waar oma ligt opgebaard. Hij moet er iets vreselijks doen.

De kamer hangt vol rook. Blauwgrijze rook, die even weelderig als warrig door de ruimte zweeft. Daar zitten ze, als altijd. De beide ooms op hun kleine, eenvoudige leunstoelen met zwarte skai-bekleding. Ze dragen bijna identieke kleding: een vrij strak donker pak met smalle revers, een wit overhemd en een zwarte stropdas. Hun schoenen glimmen. Ome Thijs  kijkt met zijn lodderige blik over de krant, z’n sigaret plakt op zijn onderlip. De ander, ome Jan, aait de kat op z’n schoot. Tussen hen in staat, als een bokaal, de glimmende asbak. Tante Bets zit tegenover hen, naast de schoorsteen. Op de mantel daarvan zie ik het stenen schaaltje met snoep, chocolade en koekjes al staan. Zij stopt met breien. Alle drie kijken ze me op een licht verontrustende manier aan.

Mijn kleffe hand glijdt langzaam van de deurkruk. Dan krijg ik een duwtje in de rug. ‘Goedemorgen,’ zegt mijn vader, op bijna zakelijke toon. De anderen groeten ook zogenaamd onaangedaan terug. ‘Morguh, Adri…’

Achter me sluit m’n vader de kamerdeur. Daar staan we. Even weet niemand iets te zeggen. Raar. Ome Thijs schraapt zijn keel en ome Jan laat de kat gaan. De wandklok tikt.

‘Goh, wat word je toch groot,’ merkt tante Bets op en ze knikt me allervriendelijkst toe. ‘Zes jaar en al een hele vent.’

Dan richt ze zich tot vader en vraagt: ‘Wil je koffie?’

‘Nee,’ antwoordt vader, ‘eerst maar es…’

Zij knikt en sluit geruststellend haar ogen even. Ze is een lieve vrouw. En ome Jan vind ik ook aardig, maar ome Thijs is op de een of andere manier altijd wat chagrijnig. Ik kijk naar het fotoportret van de man die mijn opa was, dat op een bijzettafeltje staat. Ik zie een man met een joviale snor en een guitige twinkeling in z’n ogen. Niet zo’n koude, harde blik als oma. Ik kan me niets van hem herinneren.

Opnieuw geeft vader me een duwtje in de rug.

‘Adri, zou je dat nou…’ Tante Bets maakt haar vraagzin niet af. Ome Jan zucht.

Met zijn handen op mijn schouders word ik richting de zijkamer gedirigeerd.

Daar brandt een kaars en daar ruikt het ook naar. Maar ook naar nog iets anders. Het is er schemerig, want de gordijnen van het kleine raam zijn dichtgetrokken en die kaars is de enige verlichting. Dan knipt mijn vader het licht aan en zie ik opeens, vlak voor me, als was het een explosie, het bed met oma erop: alles wit en strak, zelfs haar gezicht.  Ik schrik en slik. Haar ogen zijn gesloten en haar kin puilt naar voren, of eigenlijk: naar boven. Ze ligt er onbeweeglijk en onecht bij. Tussen haar gevouwen vingers kronkelt een rozenkrans. Haar huid is niet wit, zie ik dan, maar geel. En ze heeft minder rimpels nu. Met moeite kan ik mijn tranen bedwingen. Niet van verdriet, maar omdat ik bang ben. Ik wist dat ze dood was, het was me verteld, maar dat was voor mij nog een leeg woord. En nog steeds eigenlijk nu ik het dan zie. Ik vind het alleen maar vreemd zoals ze erbij ligt en iedereen doet ook zo… anders.

‘Doe maar een weesgegroetje,’ fluistert m’n vader me dan toe. Hij staat vlak achter me. Ik voel de tocht van zijn adem.

Ik kan het niet. Mijn ogen knijpen zich even dicht.

‘Toe dan,’ spoort hij me aan en geeft me een duwtje tussen m’n schouderbladen.

‘Dag oma…’ piep ik.

‘Nee, stommerd! Een weesgegroetje!’

Waarom doet hij dat zelf niet? Hij kan het ook veel beter dan ik. En nu kan ik al helemaal niet op de woorden komen… Ik begrijp er ook niks van, van dat rare rijmpje, die wonderlijke spreuken. Vrucht van uw schoot en zo.

En dan begint hij warempel, m’n vader: ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade. De Heer is met u…’

Ik val in en brabbel wat mee, ik doe echt mijn best.

Maar hij werkt het staccato af, ongeduldig ook: ‘…Gij zijt de gezegende onder de vrouwen. En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood…’ Hij klinkt opeens hees… ‘Amen.’

Ik kijk naar oma, naar haar neus en de haren daarin. Ze is heel anders. Maar wat is er, behalve dat ze zo stil ligt, verder toch zo vreemd aan haar?

Vader is begonnen met het Onzevader op te dreunen Mij gaat het te snel, maar ik hoor mee brommende stemmen uit de andere kamer.

Ik weet het: ze heeft geen bril op! En juist die bril gaf haar ogen iets zachts. Ik wil het tegen m’n vader zeggen, maar durf het niet goed. Bovendien is hij nog bezig met het Onzevader.

‘…behoed ons voor het kwaad,’ briest hij en dan zwijgt hij en ademt uit zijn mond, alsof hij zich net heel erg heeft ingespannen. Verder hoor ik alleen het tikken van de klok in de andere kamer. Waarom maken klokken eigenlijk altijd geluid, vraag ik me opeens af. Ja, zelfs horloges maken geluid als je je oor ertegen drukt, zoals ik wel eens deed met mijn vaders horloge. Ik moest het hem eens vragen, maar niet nu. Ik kon het trouwens beter aan mijn moeder vragen, of aan m’n zus of een van m’n broers.

‘Móéduhhr!’ roept mijn vader opeens uit. Ik schrik ervan. Hij begint ook nog eens te huilen, daar kan ik al helemaal niet tegen. Het zweet breekt me uit. Weglopen kan ik niet want vader houdt me bij mijn schouders beet. Hij knijpt erin, hàrd, alsof hij zich aan mij vastklampt.

Ik hoor tante Bets in de andere kamer iets zeggen. En daarna ome Jan: ‘Wàt dan?’ Kennelijk staat hij op want ik herken het geluid dat de stoel maakt, een soort van knerpen. Ome Jan heeft wel eens verteld dat dat komt omdat het leer van varkenshuid is gemaakt en dat het knorren daardoor knerpen is geworden. Ome Thijs zei toen geërgerd dat dat ‘klinkklare nonsens’ was. ‘Ze zijn van imitatieleer,’ zei hij. ‘Namaak. Wat jij zegt is klinkklare nonsens. Klinkklare nonsens!’ Hij leek opeens wel boos. Ja, hij wàs boos. Maar eigenlijk is hij altijd boos.

 Ik spits mijn oren en hoor zelfs ome Jan’s schoenen kraken, maar dat duurt maar kort. Hij komt me kennelijk niet te hulp. Wat let hem?

Plotseling voel ik de hand van mijn vader in m’n nek en hij duwt me naar voren. Hij is opgehouden met snikken en brengt mijn gezicht tot vlak bij dat van oma. Hij doet me pijn. Ik zie haar huid, de blauwige vlekken eronder, de pukkel naast haar neus, haar neusharen. Ik kan haar ruiken, al is het anders dan anders en het allergekste is: ze is volkomen bewegingsloos, ze ademt niet. Doodgaan, had moeder gezegd, betekent dat je geen adem meer haalt.

‘Kus haar,’ zegt hij streng en knijpt me nog harder, drukt mijn hoofd naar beneden.

Ik sta duizend angsten uit maar kan geen kant op. Ik sluit mijn ogen. Mijn lippen raken haar lippen, die koud, stijf en droog en naar aanvoelen. Ik word misselijk en draaierig. Het lijkt eeuwen te duren. Zijn hand omklemt me mechanisch, ik kan geen kant op. Maar dan laat hij los en meen ik hem sorry te horen zeggen, heel zachtjes. Hij aait me over m’n bol. ‘We gaan, jongen,’ zegt hij. En dan, snikkend: ‘Ik kon het niet...’

Kokhalzend sta ik naast haar doodsbed. Ik vind normaal gesproken de kussen van mijn tantes al vies, maar dit slaat alles en dit kàn ik niet ontwijken. Ik ben zo gefocust op mijn lippen, dat ze wel lijken te branden, alsof er blaren op zitten. En het bonst in mijn hoofd. Ik zie er scheel van. Oma’s lippen voelden onaangenaam, ja, huiveringwekkend koel aan, en droog, droog als zeem. Het vreemde is dat ik eigenlijk wil spugen – gewoon op de vloer, kan me niks schelen – maar zelf ook opeens een droge mond heb. Terwijl ik me daar zorgen over maak (zoiets is toch niet besmettelijk?!), legt mijn vader zijn hand op mijn schouder en dirigeert me terug naar de woonkamer.

Daar zie ik de verschrikte gezichten van mijn ooms en tante. ‘Mijn god, Adri, wat dééd je?’ zegt tante Bets. Ome Jan draait zich om en kijkt naar buiten. Het is somber weer, grijs maar rustig. Ome Thijs blaast rook uit en kijkt die glazig na.

‘Man man man man…’ zegt ome Jan hoofdschuddend en hij kijkt over zijn schouder naar zijn jongste broer. ‘Wat heb je ons weer laten schrikken.’

Ons? Mij, zul je bedoelen! Want wie is hier nou geschrokken? Ze vergeten je waar je bij staat, die volwassenen. Zó stom.

Op dat moment vraagt tante Bets met een heel lieve stem: ‘Cor, wil je een snoepje?’ Ze houdt haar armen open, maar ik bewaar toch een beetje afstand. Je weet maar nooit. Een snoepje wil ik wel. Liever nog twee, een heleboel. Ja, ik wil héél graag iets zoets proeven, weer iets van smaak in mijn mond gewaarworden, want dat droge voelt helemaal niet goed.

‘En Adri dan maar een kopje koffie?’ klinkt het welwillend.

Ze gebaart dat ome Jan er een stoel bij moet halen uit de keuken.

M’n vader gaat zitten en verbergt zijn gezicht in z’n handen. Opeens kijkt hij op en zegt: ‘Maar ze ligt er wel mooi bij. Dat wel.’

Instemmend gemompel. Tante Bets schenkt hem koffie in. Het lijkt erop dat hij opnieuw gaat dreinen en ze geeft hem een bemoedigend schoudertikje. Ik sta er maar zo’n beetje bij, sabbelend op m’n frambozensnoepje. Lekker zoet en zuur tegelijk. Ik kijk naar mijn ooms. Die ochtend hebben m’n broers me uitgelegd, en ook laten zien, wat een uitroepteken is. De stropdassen van mijn ooms, met de knoop als punt, zijn omgekeerde uitroeptekens, zie ik nu. Zij beginnen te praten over allerlei zaken waar ik niks of weinig van begrijp. Allemaal saaie zaken. Ik vraag waar de poes is. ‘Buiten.’ Ik durf niet te vragen of ik ook naar buiten mag.

Mijn vader neemt slobberend en plotseling ongeduldig een slok van zijn koffie, bedankt, staat op en neemt me mee. Naar huis.

‘Maar je koffie…’ probeert tante Bets nog.

‘Sorry Bets, ik moet gaan, ik heb nog werk te doen.’

‘Je kent hem toch,’ zegt ome Thijs.

--

De volgende aflevering:

In hoofdstuk 1 kan de jonge Cor zijn geluk niet op als hij een prijs wint. Maar zijn broers gaan ermee aan de haal.

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

De shortlist van de Jenny Smelik-IBBY Prijs 2020 gepubliceerd

De shortlist van de Jenny Smelik-IBBY Prijs 2020 gepubliceerd


Zes boeken staan er dit jaar op de shortlist van de Jenny Smelik-IBBY Prijs 2020. De tweejaarlijkse prijs wil boeken onder de aandacht te brengen ‘waarin culturele diversiteit een vanzelfsprekende rol speelt en waarin het beeld van de verschillende culturen opbouwend in plaats van problematiserend is.’

Ibby of International Board on Books for Young people, is een internationale organisatie die probeert kinderen waar dan ook op de wereld, literatuur van hoge kwaliteit te bieden. In Nederland vindt dit doel de uiting door onder andere de Jenny Smelik-IBBY Prijs uit te reiken. De organisatie is momenteel actief in 65 landen, verspreid over alle werelddelen.

De shortlist:
Simon van der Geest – Het werkstuk of hoe ik verdween in de jungle
Eva heeft elf tenen, één beroemde moeder, en nul vaders. Oké, ze heeft wel een vader, maar haar moeder wil niets over hem vertellen.

Alyssa Hollingsworth – Van niets naar iets
Sami is met zijn grootvader - zijn baba - uit Afghanistan gevlucht. Het lukt ze redelijk een nieuw leven op te bouwen, en als de heimwee toch de kop opsteekt hebben ze altijd de rebab nog - het traditionele Afghaanse instrument van baba dat hun barre tocht heeft overleefd.

Jessica Love – Julian is een zeemeermin
Julian ziet op een dag drie zeemeerminnen.Vanaf dat moment is niets meer wat het was … Hij heeft maar één grote wens: een zeemeermin worden.

Recensent voor De Leesclub van Alles, Jaap Friso zei “Soms zijn het een paar woordjes die het doen […]Je hoeft dingen niet per se te benoemen om elkaar te begrijpen. Oma snapt dat als geen ander.” 

Zanib Mian – Planeet Omar : problemenmagneet
In Planeet Omar: problemenmagneet maak je kennis met Omar, die net verhuisd is én naar een nieuwe school moet.

Benjamin Alire Saenz – De onverklaarbare logica van mijn leven
Het is de eerste dag van Sals laatste jaar op de middelbare school en alles staat op het punt te veranderen.

Sanne Wortman, recensent bij De Leesclub van Alles over De onverklaarbare logica van mijn leven: “Salvador dacht dat hij wist waar hij hoorde in de wereld. Maar als hij geconfronteerd wordt met zijn veranderende gedrag, begint hij meer en meer na te denken over zijn verleden, heden en toekomst. […] Dat dit boek van dezelfde schrijver als Aristoteles en Dante ontdekken de geheimen van het universum komt, is goed te merken.”

Janneke Schotveld – De kikkerbilletjes van de koning
Dit is een sprookjesboek van allemaal verschillende verhalen. Lees over de prinses die een prins moet kiezen maar niet de juiste kan vinden, maak mee hoe een koning die van kikkerbilletjes houdt een kikker wordt en lees over een lettervreter die de schrik is van elk boek!

De bekendmaking van de winnaar zal plaatsvinden op 6 november tijdens de jaarlijkse Ibby vriendendag. 

--

Door Renske Bakkenes

De Leesclub van Alles publiceert 10.000ste artikel

De Leesclub van Alles publiceert 10.000ste artikel


In 2009 ontstond De Leesclub van Alles in zijn eerste vorm. Zes vrienden die elke maand samen kwamen om een boek te bespreken dat iedereen las. Literatuur, maar ook veel non-fictie, boeken over alle onderwerpen, zeker zes jaar lang kwam deze club bijeen om zoveel mogelijk boeken te bespreken. Hoewel de oorspronkelijk club niet meer bestaat, mede door het overlijden van twee van de leden, wilde Roeland Dobbelaer oprichter van de club het idee voortzetten. En zo werden de gezamenlijke avonden over literatuur en boeken een recensie website. 

De Leesclub van Alles bestaat sinds 2016 in de huidige vorm en vandaag plaatste de site het 10.000ste artikel, de recensie van Bas Aghina over Songbook van Ruud de Wild. Het team van de website is inmiddels flink gegroeid en kent vele vaste recensenten en tien redacteuren verzorgen elk een domein. Allemaal met een voorliefde voor boeken en lezen. 

cover songbook

Zes vragen voor de hoofdredacteur Roeland Dobbelaer:

Had je verwacht dat het zo ver zou komen toen je in 2009 de club met vrienden begon?
'Nee, helemaal niet. Ik was de jaren daarvoor druk geweest met kinderen en werk, en toen de kinderen ouder werden kwam er weer meer tijd om te lezen. Om er met vrienden over te praten is het mooiste wat er is. Het plan voor de website kwam pas toen De Leesclub van Alles als vriendenclub uiteenviel. Eerst als persoonlijke blog, daarna ben ik vrienden en kennissen gaan vragen ook hun recensies en interviews over boeken op DLVA te plaatsten. Het bijzondere van DLVA is dat we ook veel non-fictie doen. Zeker de helft van de artikelen gaat over boeken over filosofie, natuurwetenschappen, geschiedenis en kunst.'

De Leesclub van Alles website bestaat nu vier jaar ben je trots op hoe ver de site gekomen is en wat zijn je toekomstplannen
'Zeker,  het is natuurlijk prachtig te zien dat we nu een vaste waarde in boekenland zijn geworden. Ook nu met de aan DLVA gelieerde verkopende boekensite Bazarow. We bouwen beide sites uit en kijken wat de toekomst ons brengt. Het is in ieder geval een prachtig avontuur.' 

Heb je iets waar je graag op wil focussen met DLVA?
'We willen boeken uit alle genres  bespreken, zeker het laatste jaar zijn er veel domeinen bijgekomen, maar nog niet alle domeinen zijn goed ondervangen, zoals managementboeken, sportboeken en reisboeken. Dus die gaan we zeker nog aanhaken.'

Wat is je favoriete genre en wat maakt volgens jou de leukste recensies?
'Dat is een hele moeilijke vraag. Onze boekenclub hebben we destijds niet voor niets De Leesclub van Alles genoemd, omdat we allerlei soorten boeken lezen en willen bespreken. Ik lees net zo graag filosofie, geschiedenis, economie, natuurwetenschappen als literatuur en poëzie. Ik denk dat de grote liefde toch altijd wel filosofie en literatuur blijven. Dat zijn de voornaamste bronnen waar ik uit heb gedronken.'

Ga je nu eindelijk een keer fantasy lezen?
'Dat zal altijd met mate blijven. Helaas, ik ben een verwoed literatuur lezer,in literatuur worden vele opties van het leven geschetst. Dat geeft altijd weer nieuwe inzichten. Daarom heb ik geen draken, elfen of trollen op verre planeten nodig om mij te boeien. Het ‘echte’ leven is interessant genoeg.'

Welk boek lees je op het moment?
'Ik lees altijd diverse boeken tegelijk. Ik ben nu eindelijk begonnen aan deel twee van de verzamelde essays van Herman De Coninck, ik lees het boek over de geschiedenis van De Groene Amsterdammer van Rob Hartmans, erg goed, ik ben bezig in een hagiografie over Bernard van Clairvaux, een middeleeuwse denker en e denker en zojuist las ik het eerste deel, Zes broers en een zus, van de driedelige Autobiografie van een romanpersonage van Marc Schoorl. Het is een soort Het Bureau maar dan over een problematisch en arm katholiek gezin in het Wassenaar van de jaren. Erg grappig en voor een deel herkenbaar, Marc is uit hetzelfde bouwjaar als ik. Zondag starten we met een feuilleton over het boek. Mis het niet.'

--

Door Renske Bakkenes

Hebban en De Gouden Strop introduceren thrillerschrijfwedstrijd De Zilveren Strop

Hebban en De Gouden Strop introduceren thrillerschrijfwedstrijd De Zilveren Strop


Hebban en De Gouden Strop maakten vandaag bekend dat zij een nieuwe schrijfwedstrijd organiseren. De wedstrijd heet De Zilveren Strop en is een wedstrijd voor korte spannende verhalen. Hebban en De Gouden Strop kwamen tot dit plan omdat er nog geen algemene Thriller schrijfwedstrijd is in Nederland, terwijl de Thriller het meest gelezen genre is in de Lage Landen. De Gouden Strop is een stichting die ieder jaar een prijs uitreikt aan het beste thriller (De Gouden Strop) en het beste thrillerdebuut (de Schaduwprijs). Hebban is een bekend lezers-platform wat regelmatig schrijfwedstrijden organiseert. 

Voorzitter van de Stichting Gouden Strop Charles den Tex over de prijs: ‘Dit is een belangrijke uitbreiding, met de Zilveren Strop kunnen we de toegankelijkheid en de aantrekkelijkheid van de misdaadliteratuur nog verder vergroten.’

Hebban-wedstrijdcoördinator Martijn Lindeboom over de prijs: ‘Er zijn veel schrijfwedstrijden in Nederland, maar er bestond geen grote onafhankelijke schrijfwedstrijd voor spannende verhalen. Dat vonden we eigenlijk gek voor zo’n groot en belangrijk genre. We zijn er trots op dat we dit nu in nauwe samenwerking met De Gouden Strop op Hebban.nl kunnen gaan organiseren.’

De Zilveren Strop is open voor iedere schrijver, ervaren of niet. Het verhaal mag uit 7500 woorden bestaan. De winnende auteur ontvangt een bedrag van 500 euro en de vijf beste verhalen verschijnen in een gratis te downloaden bundel. Je kan vanaf 1 februari 2021 je verhaal inzenden en op 1 juni wordt de prijs uitgereikt.

--

Door Isolde Kors

Lees ook het bericht van Hebban



Bazarow herintroduceert met trots en plezier: een ouderwets maar splinternieuw feuilleton

Bazarow herintroduceert met trots en plezier: een ouderwets maar splinternieuw feuilleton


Het feuilleton: dat was een mooie traditie. In de 19e eeuw werden bijvoorbeeld de boeken van Balzac en Dickens in die vorm voorgepubliceerd. En in Nederland werk van Couperus. Bazarow herintroduceert het genre met de voorpublicatie van Zes Broer en een zus, het eerste deel uit een trilogie van de hand van Marc Schoorl. Twee keer per week, elke zondag en woensdag om 09.00 uur, zal er een aflevering te lezen zijn. Net zoals vroeger voorzien van een korte inleiding en een nog kortere uitlui. Veel leesplezier!

De eerste aflevering verschijnt aanstaande zondag.

Zes broers en een zus

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur: Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op de website van Bazarow. Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

Het Boekhuis, hofleverancier in Friesland

Het Boekhuis, hofleverancier in Friesland


Vincent Stumpel eigenaar van Het Boekhuis, een 300 jaar oude boekhandel uit Workum, krijgt deze week het Predicaat Hofleverancier zo meldt Boekblad. Een blije gebeurtenis, maar wat is zo’n predicaat exact? 

In 1815 voerde Koning Willem I dit predicaat in. Bedrijven, ondernemingen en instanties kunnen dit aanvragen als zij “een zeer belangrijke plaats innemen in hun regio en daarnaast minimaal 100 jaar bestaan. De bestuurders en de onderneming moeten van onbesproken gedrag zijn.”  Daarnaast is het belangrijk dat de ontstaansgeschiedenis geen onduidelijkheden bevat. Tot 1987 was zelfs mogelijk dat andere leden van het koninklijk huis dit predicaat verleende met toevoeging van hun eigen wapen en naam. Dit stelsel veranderde na 1987 en tegenwoordig kan alleen het staatshoofd het predicaat nog verlenen.

Bedrijven met het Predicaat Hofleverancier hebben verder geen directe connecties met het koninklijk huis. Zij zijn dus geen echte leveranciers voor het staatshoofd en familie. Het predicaat geldt voor een periode van 25 jaar, daarna kan verlenging aangevraagd worden. 

Stumpel, die Het Boekhuis in 1981 overnam, onderzocht het ontstaan van de boekhandel in Workum. De eerste 150 jaar waren makkelijker terug te vinden, daarna begon een zoektocht in archieven. Stumpel ontdekte dat de winkel oorspronkelijk uit 1719 komt. De winkel is dus zeker 300 jaar oud en misschien wel de oudste boekhandel van Nederland, al durft Stumpel dat niet met zekerheid te zeggen. 

Het was de bedoeling dat de uitreiking van het predicaat vorig jaar tijdens het jubileum plaatsvond. Onverhoopt bleef de aanvraag liggen en nu zal de winkel de onderscheiding dit jaar ontvangen. Door Corona gaat de feestelijk viering van zowel het jubileum (dat een jaar uitgesteld was), als het predicaat niet zo groots door als in eerste instantie het plan was, maar de viering vindt nu plaats in een kleine groep.

--

Door Renske Bakkenes


Bekijk hier de lijst met ondernemingen die het Predicaat Hofleverancier hebben.

Winactie met Revolutionaire tijden van René Koekoek

Winactie met Revolutionaire tijden van René Koekoek


In de tweede helft van de achttiende eeuw vonden er wereldwijd verschillende revoluties plaats. Deze tijd wordt door historici ook wel aangeduid als het ‘revolutietijdvak’. De revoluties die plaatsvonden worden gezien als de eerste stappen naar de democratische rechtsstaat van vandaag de dag. In Revolutionaire tijden bespreekt René Koekkoek vier van deze revoluties. De bekendste hiervan is de Franse Revolutie van 1789–1799. Met deze revolutie werd de absolute machthebber Koning Lodewijk XVI afgezet, waarna Frankrijk een republiek werd. Hieraan voorafgaand was de Amerikaanse Revolutie van 1776-1783, waarin Amerikaanse koloniën voor onafhankelijkheid streden van Groot-Brittannië. De andere revoluties die René Koekkoek bespreekt zijn wat minder bekend. In de Haïtiaanse Revolutie van 1791-1804 maakte de toenmalige Franse kolonie Saint-Domingue zich onafhankelijk, waaruit de staat Haïti ontstond. De Bataafse Revolutie van 1795-1801 was de Nederlandse stap richting een meer egalitaire samenleving. In werd er tussen 1783 en 1787 door patriotten steeds meer weerstand geboden tegen het oligarchische regime onder stadhouder Willem V van Oranje. Velen vluchtten naar Frankrijk, waarna zij hulp kregen van de Fransen om ook in Nederland een revolutie te beginnen. Nederland was door de Bataafse Revolutie tot 1806 een republiek. Omdat de republiek maar van korte duur was, wordt ook deze revolutie vaak vergeten.

--

Lees hier het interview van Isolde Kors met René Koekoek

WIN dit boek! 

Deel dit artikel op sociale media en maak kans op een exemplaar van Revolutionaire tijden

  • Zorg dat het account van Bazarow getagd wordt zodat wij weten dat je kans wil maken.
  • Onder de delers en taggers verloten wij de boeken. 
  • Heb je geen social media? In dat geval kun je het artikel delen via email met minimaal vijf mensen én renske@deleesclubvanalles.nl zodat wij zien dat je wil winnen. 
  • Meedoen voor Revolutionaire tijden kan tot en met vrijdag 16 oktober
Pieter van Os met Liever dier dan mens winnaar Libris Geschiedenis Prijs

Pieter van Os met Liever dier dan mens winnaar Libris Geschiedenis Prijs


Vanochtend maakte de jury van de Libris Geschiedenis Prijs tijdens een live uitzending van het programma OVT de winnaar van dit jaar bekend. Pieter van Os wint met Liever dier dan mens de prijs en ontvangt het bijbehorende geldbedrag van 20.000 euro. 

Het was dit jaar de veertiende keer dat de Libris Geschiedenis Prijs werd uitgereikt. De onderscheiding heette in 2007 Historisch Nieuwsblad/Volkskrant Prijs. In 2008 veranderde dit in de Libris Geschiedenis Prijs. De uitreiking van de onderscheiding vindt in de maand oktober plaats, tijdens de maand van de geschiedenis. De Libris Geschiedenis Prijs is een initiatief van Historisch Nieuwsblad, Libris, Nederlands Openluchtmuseum, Rijksmuseum Amsterdam, VPRO en de Volkskrant.

Liever dier dan mens van Pieter van Os gaat over het onwaarschijnlijke overlevingsverhaal van een uitzonderlijke vrouw. De jury over het boek: "Liever dier dan mens laat zien dat de mens tot alles in staat is, van goede tot hele slechte dingen."

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden