De mongool

Zaterdag, 10 december, 2011

Geschreven door: Thecla Rondhuis
Artikel door: Marjan Slob

Kijken naar je mongoloïde zoon

Als de jonge studente Thecla Rondhuis zwanger blijkt, slaat haar fantasie op hol. Zal haar kind opgroeien tot geleerde, zal hij muzikaal zijn of juist sportief? Die dromen verdampen zodra Ramon geboren wordt. Haar zoon blijkt een mongooltje.

Ramon is nu 37 en al die jaren heeft Rondhuis – filosoof, schrijver en docent – schriftjes bijgehouden waarin ze haar ervaringen met Ramon heeft opgetekend. Die schriftjes heeft ze bewerkt tot een boek, dat een inkijkje geeft in het gezin waarin snel na Ramon nog drie kinderen worden geboren. Die kinderen zijn inmiddels de deur uit. Ramon is er nog.

Het mooie van dit boek is dat het draait om Ramon en niet om de gevoelens van zijn moeder. Rondhuis heeft het zelfs geregeld over ‘de moeder van Ramon’, om dan op volstrekt natuurlijke wijze weer vanuit zichzelf te praten. Het resultaat is een vreemde, maar effectieve mengeling van precieze observatie en warme betrokkenheid.

De drijvende vraag is: wat gaat er in mijn zoon om? En dat is voor een groot deel gissen, want Ramon praat nauwelijks. “Ik kan niet achter de vensters van zijn ogen kijken en kan niet weten wat hem bezielt. Ik zie slechts gedrag en de omstandigheden waaronder hij dit aan de dag legt”, schrijft Rondhuis. Soms voelt ze wel aan wat er aan de hand is. Maar soms ook niet. Zo loopt Ramon maandenlang rond met een bril waarin het glas verkeerd in het montuur zit.

Wordt Vervolgd

Goed kijken naar Ramon is dus een noodzaak. En dat leidt tot levendige observaties, bijvoorbeeld van Ramons liefde voor rituelen en ceremonieel vertoon, in casu het circus, Sinterklaas en het koningshuis. Of van de manier waarop Ramons geest is gericht op behoud van het vertrouwde. Als de andere drie kinderen gaan puberen en zich afzetten tegen de mores in huis, is dat heel lastig voor Ramon. Hij wil juist doen zoals altijd. “Netjes en gelaten zit hij aan tafel en trekt zich na het eten zo snel mogelijk terug naar zijn eigen kamer.”

Deze uit het leven gegrepen beschrijvingen groeien onder de handen van Rondhuis geregeld uit tot bredere bespiegelingen, waarin ze haar filosofische inslag toont. Zo vraagt zij zich af wat de persoonlijkheid van Ramon is. Wat is er eigen aan hem, los van zijn handicap? Ramon lijkt introvert, maar dat kan voortvloeien uit zijn spraakgebrek. Is het eigenlijk wel mogelijk om een karakter los te zien van omstandigheden?

Of neem deze: zijn moeder wil tevreden zijn met wie Ramon is en wat hij kan. Maar ze wil ook dat haar kind de grenzen van zijn capaciteiten blijft opzoeken. Dus forceert ze hem soms. Doet ze daar goed aan? ‘Dat is ook mijn probleem als opvoeder!’, denk je dan. Zodra je een particulier verhaal vanzelf gaat betrekken op je eigen situatie – die heel anders is maar kennelijk toch ook weer niet – heb je met een krachtig boek te maken.

Rondhuis eindigt haar relaas met een brief aan Ramon waarin ze schrijft: “Ik houd van je, mijn mongoloïde zoon. Maar ik ben geen beschermengel van het syndroom van Down. Mijn liefde betreft slechts jóú, inclusief je handicap, en alleen omdat je mijn zoon bent.” Rondhuis zal nooit sentimenteel zeggen dat ‘mongooltjes je leven zo verrijken’. Ze heeft ook niet de neiging om een stevig standpunt in te nemen in maatschappelijke discussies over verstandelijk gehandicapten. Ergens missen die discussies voor haar het punt. Want zij heeft Ramon gekregen. En sindsdien is zij vóór alles een moeder die haar kind gelukkig wil maken.

Verscheen in de Volkskrant


Laat hier je reactie achter:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.