De nacht is zo mooi met zijn koerende kogels

Vrijdag, 10 juni, 2022

Geschreven door: Guillaume Appolinaire
Artikel door: Nico van der Sijde

Intrigerende experimentele gedichten over de loopgraven tijdens WO I

[Recensie] Onlangs kreeg ik van mijn echtgenote de dichtbundel De nacht is zo mooi met zijn koerende kogels cadeau. Voor mijn verjaardag, maar vooral omdat ik soms zo gedeprimeerd raak van het huidige oorlogsgebeuren. Want de gedichten in deze bundel gaan over de loopgraafgevechten tijdens WO I, en doen een opmerkelijke poging om het onbevattelijke oorlogsgeweld vanuit nieuwe poëtische perspectieven te bezien. Dat zoiets mogelijk is leek haar troostrijk voor gretige lezers, dus ook voor mij, en ook in de huidige rare tijden. Welnu, een mooiere motivatie voor een verjaardagscadeau heb ik zelden gehoord. Dus ik las de bundel meteen. En met grote tevredenheid.

Ik ben om te beginnen heel blij omdat dit een tweetalige bundel is, zodat je de vertaling en het Franse origineel met elkaar vergelijken kunt. Ik ben zelfs nog blijer met de verhelderende inleiding en aantekeningen van Kiki Coumans, en vooral met haar zo heldere en vindingrijke vertaling. De titel is een citaat uit een van de gedichten: in vertaling “Deze nacht is zo mooi met zijn koerende kogels”, in het Frans “Cette nuit est si belle où la balle roucoule”. Mooi dat die Franse regel ook is opgenomen, al was het maar vanwege de mooie – en in het Nederlands niet letterlijk vertaalbare- klankverwantschappen tussen “belle” en “balle” (= kogel), die (door te eindigen met “- le”) ook weer doorklinken in “roucoule” (= “koert”, of iets letterlijker “roekoekoet”). Fraai zijn bovendien de “oe- klanken” van “où” en “roucoule” die het koeren van de kogels benadrukken. Maar zonder de Nederlandse vertaling ernaast had ik die zin minder goed begrepen, zodat ik ook minder van het klankspel had genoten. Bovendien staan er in de Nederlandse regel weer andere, ook lang niet verkeerde klankeffecten: de alliteratie “koerende kogels”; de klankverwantschap tussen “kogels” en “vogels” ; de – o’s van “zo”, “mooi” en “kogels”.

Kortom, de zin aarzelt tussen klank en betekenis, zowel in het Frans als in Nederlandse vertaling. Precies die spanning tussen klank en betekenis is volgens Paul Valéry en Martin Heidegger wezenlijk voor poëzie, iets wat Apollinaire vast ook heeft gevonden. Dus is het mooi om te zien – nee: te horen! – hoe Apollinaire, dankzij Kiki Coumans, ook in het Nederlands klinkt en zingt. Ook is het mooi om te zien hoe Apollinaires opmerkelijke typografische experimenten, zijn “kalligrammen” waarbij met woorden of letters een soort schilderijtje getekend wordt, in het Nederlands eveneens volop werken. Zoals zinnen over regen waarin de woorden – ja, zelfs de lettergrepen van die woorden- niet naast, maar onder elkaar staan: zinnen dus die ook door hun vorm herinneren aan steeds maar neervallende regenstralen. In die naar beneden regenende zinnen zie je ook woordgroepjes over “soldaten verloren tussen de Spaanse ruiters” of “zieltogend Vlaanderen”. En die zien er wel heel weemoedig uit, omdat de woorden allemaal in stukken uiteenvallen (“ziel to gend Vlaan de ren”), omdat deze stukken niet naast maar onder elkaar staan, en omdat deze woorden door deze typografische trucs bijna onderdeel lijken te worden van een voortdurende regenval. Met elk woorddeel als regendruppel.

Wel was ik eerst wat argwanend door de titel: een nacht die mooi is vanwege zijn “koerende kogels”, komt dat niet gevaarlijk dicht in de buurt van esthetisering van oorlogsgeweld? De inleiding van Coumans overtuigde mij echter snel van het tegendeel: de meeste van deze gedichten schreef Apollinaire toen hij zelf aan het front meevocht, te midden van chaotisch en overweldigend en angstwekkend geweld, dus in onvoorstelbare omstandigheden. En precies die onvoorstelbaarheid poogde hij op te roepen in zijn vaak opmerkelijk fragmentarische gedichten, die vol staan met adrenaline en angst, maar ook met verbrokkelde zinnen en met zeer ongewone en ongerijmde beelden. Aldus Coumans. De boven aangehaalde “regenzinnen” vind ik daar zelf al een voorbeeld van: de conventionele typografie en de eenheid van de woorden worden daarin, in mijn beleving, doorbroken om “iets” zichtbaar en voelbaar te maken dat aan onze woorden en talige conventies ontsnapt. Smaken verschillen, maar MIJ raakt dat. En dat geldt ook voor het beeld van de “koerende kogels”: die vreemde woordcombinatie frappeert mij door zijn ongerijmdheid, en doordat hij zo nadrukkelijk over iets anders gaat dan de “koerende vogels” die ik wel meen te kennen. Zodat ik ook extra ervan doordrongen raak dat die nacht, die volgens Apollinaire nou juist door de “koerende kogels” zo “mooi” is, dus een heel andere soort schoonheid moet bezitten dan de schoonheid die ik meen te kennen. En ook DAT raakt en intrigeert mij. Wat is dat voor schoonheid? Wat is dat voor nacht? Wat is dat voor vreemde wereld, waarin kogels kunnen koeren?

Nog indringender vind ik zelfs het gedicht “Watten in de oren”. Dat opent als volgt: “Zoveel explosies hier VITAAL!”. Waarbij “vitaal” ook nog eens in extra groot lettertype en vet is gedrukt, net als het uitroepteken. Die typografie, en de over de pagina zwervende onsamenhangende woorden en zinnen er onder (waartussen je o.a. de opmerkelijke zin “schrijf een woord als je durft” herkent, maar dan wel schuin, kringelend, en op zijn kop), roepen bij mij meteen al de sensatie op van oorlogsrumoer, verwarring en chaos. Temeer omdat de titel al verwijst naar lawaai. Die indruk wordt nog versterkt door een vetgedrukt vraagteken, door een vreemd over de pagina krioelende zin over “De inslagpunten in mijn ziel” , en door het groot en vetgedrukte woord “OMEGAFOON” onder aan de pagina. Een woord dat verwijst naar de “megafoon” waardoor de soldaten hun orders toegeschreeuwd kregen. Je kunt het lezen als “O, megafoon”, maar misschien ook als toespeling op “omega”: de megafoon als het alfa en omega voor de soldaten, die niets anders konden dan de toegeschreeuwde orders opvolgen? Of als alfa en omega van hoe een strijdend leger functioneert? De laatste letters van dat woord zijn bovendien beduidend kleiner afgedrukt dan de eerste: alsof de klank van de “omegafoon” uitdooft aan het eind. Zou dat verwijzen naar het sterven van soldaten, voor wie de geschreeuwde orders onhoorbaar worden en die al stervend bovendien hun eigen stem verliezen? Misschien wel, misschien niet, maar na het woord “omegafoon” staat er wel: “Zij die terugkeerden uit de dood/ Verwachtten meer van hetzelfde/En al wat uit het noorden kwam/ Verduisterde bijna de zon”. Zinnen vol dood en verduistering, die naar mijn smaak prachtig aansluiten op het aan het eind uitdoven van de klanken van de “OMEGAfoon”. Bovendien staat dit gedicht vol met naar mijn smaak fraaie formuleringen. “Toen was daar die bloem zonder naam/ Nauwelijks een ademteug een herinnering” staat er bijvoorbeeld ineens: een door de ontbrekende interpunctie behoorlijk jachtige passage, niettemin vol van weemoed. Een naamloze bloem te midden van al dat oorlogslawaai….. Hoeveel weemoed kan een mens samenballen in één beeld? Al herlezend vielen mij bovendien steeds meer de klankassocaties (o.a. stafrijmen) op met fr, fl, tr, cr, cl, br- klanken: is dat een weergave van het voortdurend knetterende geschut? Niet in betekenisvolle woorden, die er in dit soort chaos nauwelijks zijn, maar door klank?

“De nacht is zo mooi met zijn koerende kogels” is kortom een rijke bundel, vol met experimentele taalvondsten, typografische trouvailles, verrassende klankassociaties, vreemdsoortige woordcombinaties en ongewone beelden. Apollinaire was duidelijk een dichter die in gefragmenteerde en niet- conventionele taal reageerde op de onbeschrijfelijke chaos om hem heen, en die precies daardoor een indringend beeld van die chaos gaf. Hij legde zich dus niet neer bij de onbeschrijfelijkheid, maar poogde die onbeschrijfelijkheid te vatten in experimentele taal en in vernieuwingen van zijn poëtisch instrumentarium. Alleen al die poging vind ik heroïsch. Bovendien is het hem naar mijn smaak ook heel aardig gelukt. Ik ben kortom blij dat ik deze bundel gekregen en gelezen heb.

Eerder verschenen op Hebban

Dit boek is te koop bij de betere boekhandel of rechtstreeks bij Uitgeverij Vleugels

Archeologie Magazine