De vrouw in de bontjas

Vrijdag, 28 mei, 2021

Geschreven door: Elsa Triolet
Artikel door: Marjon Nooij

Verloren jeugd van een luxepoppetje

[Recensie] In de klassieke novelle De vrouw in de bontjas voert Elsa Triolet een vrouwelijke ik-figuur op, die zich heeft gevestigd in Nice. Duitsland is Frankrijk binnengevallen en op haar vlucht richting het zuiden is het hoofdpersonage alles kwijtgeraakt: de luxe die ze gekend heeft in haar jeugd, haar kamer in Parijs “vol roze, gecapitonneerd satijn”, en de mensen die maakten dat ze zich niet alleen op de wereld voelde. Ook Tony, haar getrouwde minnaar, is in een meinacht in Parijs in rook opgegaan. In de acht jaar dat hun affaire duurde, was ze het wel gewend om altijd op hem te wachten; vele boeken heeft ze in ledigheid gelezen in afwachting van zijn bezoekjes. En nu is haar verteld dat hij is overleden. Hij was het laatste wat ze had en het gemis is groot.

De armoedige omstandigheden waarin ze verkeert, vallen haar zwaar, – “Tony zei altijd dat ik een luxepoppetje en een hedonist was” met name de weinige uren dat ze beschikt over warm water. De gastoevoer wordt veelal na twee uur alweer afgeknepen, met alle gevolgen van dien wanneer het gas na verloop van tijd weer begint te stromen en de bewoners hebben verzaakt om de gaskraan dicht te draaien.De oorlog maakt dat ze bitterhard met zichzelf wordt geconfronteerd, uren in de rij moet staan voor vlees en een klontje boter van amper 25 gram. Ze kan niet anders dan de conclusie trekken dat ze nooit haar handen uit de mouwen heeft gestoken. Zo goed en zo kwaad als ze kan, laveert ze tussen de ongemakken door en probeert ze dapper haar weg te vervolgen, terwijl haar gedachten blijven draaien om haar herinneringen en dromen van vervlogen tijden, en ze zich afvraagt of haar bestaan de moeite nog waard is.

Door gebruik te maken van de stream of consciousness, waarmee ze de gedachtestroom en gemoedstoestand van haar hoofdpersonage met elkaar laat vervloeien, maakt de auteur het verdriet, gemis en de vertwijfeling voelbaar. Toch laat ze de ik-figuur geen klaagzang opvoeren, ze laat haar opmerkzaam en realistisch zijn over de glorie die bezig is te vergaan en nauwlettend de kleinste details opmerken van het gebeuren om haar heen.

Dan spreekt een oude grijsaard haar aan, die haar uitnodigt mee naar zijn huis te gaan, om samen te eten.

Wordt Vervolgd

“Hij ziet eruit als iets wat vergeten in een hoekje van een tweedehands winkel onder een berg andere spullen ligt. Hij draagt een grote, grauwbruine overjas waar de rafelranden van zijn broek maar net onder vandaan steken, zijn handen verdwijnen in de lange mouwen en de kraag komt tot ver over zijn ongeschoren wangen, waar de randen van een morsige, slappe, zwarte hoed overheen hangen.”


In een luxueus ingerichte villa zetten ze zich aan de dis, ruimschoots gedekt met prachtig servies en verfijnde gerechten. De oude man blijkt te beschikken over grote sommen cashgeld en hij biedt haar een bedrag voor haar nertsbontmantel. Te weinig naar haar zin, het is het enige wat ze nog over heeft van haar bestaan van voor de oorlog, maar gedreven door geldgebrek zwicht ze met de belofte terug te komen zodra de weersomstandigheden beter zijn geworden en ze haar warme jas kan missen. Ongetwijfeld had ze bij een andere opkoper meer voor haar jas kunnen beuren, maar ze kent zichzelf als geen ander en weet dat ze het liefst voor de makkelijke weg kiest.

Wanneer ze de boodschap krijgt dat Tony nog in leven zou zijn, is ze zich ineens pijnlijk bewust van haar verloren jeugdigheid en tanende schoonheid – “Zelfs in het donker kan ik onmogelijk illusies over mijn lichaam koesteren” – en bekruipt haar de angst dat haar aanblik hem na al die tijd niet meer zal bevallen. Haar verlangens leggen haar angst en onzekerheden bloot.
“Ik heb in de spiegel gekeken…Er is geen redden maar aan. Het materiaal waar mijn lichaam van was gemaakt, was te kwetsbaar, kwetsbaar als sommige stenen die door de wind worden uitgehold, als sommige zijden lappen die verslijten, als sommige legeringen die breken… Het was mooi toen het nieuw was.”

Voordat ze definitief zal beslissen of ze haar minnaar nog wel onder ogen durft te komen, bedenkt ze dat ze de geweekte peulvruchten nog moet koken. Deze moeten immers uren op staan.

De joodse Elsa Triolet (1896 – 1970) werd geboren in Moskou, dat ze in 1917 verruilde voor Parijs vanwege haar huwelijk met een Franse officier. In 1938 debuteerde ze met haar Franstalige roman Bonjour Thérèse. Op literair gebied bleef ze lange tijd in de schaduw staan van haar tweede echtgenoot Louis Aragon, tot ze in 1944, als eerste vrouwelijke auteur, de prestigieuze Prix Goncourt won. In Nederland is ze veel te lang onopgemerkt gebleven en het is Uitgeverij Vleugels dan ook te prijzen dat deze verrassende novelle in hun fonds is opgenomen. De vloeiende vertaling door Eva Wissenburg is fris, zonder afbreuk te doen aan de tijdgeest van weleer. Een zeer prettige kennismaking met een vergeten auteur.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken

Boeken van Uitgeverij Vleugels zijn direct bij de uitgeverij te bestellen of verkrijgbaar bij de betere fysieke boekhandel.