De ziel, een cultuurgeschiedenis

Zondag, 8 april, 2018

Geschreven door: Ole Martin HØystad
Artikel door: Marnix Verplancke

Nieuwe studies over God, Allah en de ziel

Reza Aslan poogt mensen te overhalen soefi te worden. Ali Rizvi ziet hen liever als atheïsten door het leven gaan. Beiden strijden ze voor de ziel van de moderne moslim. En ongewild ook een beetje voor een westerse, individualistischere invulling ervan, zo blijkt.

[Essay] Toen Henri Breuil begin twintigste eeuw in een Franse grot een rotstekening vond van een mensenfiguur met de poten van een beer, de romp van een gazelle, de ogen van een uil en een hertengewei op het hoofd dacht hij dat dit een sjamaan moest zijn. De vroege mens probeerde macht uit te oefenen over zijn omgeving en tooide zich daarom met dierenattributen. Na lange gesprekken met collega’s kwam hij echter tot een ander besluit. Deze figuur verwees niet naar de concrete leefwereld van die vroege mens, maar wel naar wat erachter stak. De sjamaan was geen sjamaan, maar wel de eerste bekende afbeelding van god, tussen de 18.000 en de 20.000 jaar oud.

Volgens de Iraans-Amerikaanse godsdienstwetenschapper Reza Aslan werd met die eerste afbeelding van god meteen ook de toon gezet voor alle andere afbeeldingen die nadien zouden volgen. God nam keer op keer de gedaante aan van een mens. Soms kreeg hij het hoofd van een jakhals of een kat, zoals in Egypte, maar het was toch altijd weer die mens die eronder zat. Hoe zou dat komen, vraagt Aslan zich af in God, een menselijke geschiedenis, en van bij aanvang zet hij daarbij de bakens uit. Aslan wil het bestaan van god bewijzen noch weerleggen. Daar gaat het hem niet om. Zowel gelovigen als atheïsten moeten immers een boodschap hebben aan zijn boek. Het gaat dus niet over de vraag waarom God de mens naar zijn evenbeeld heeft geschapen, noch waarom die mens zichzelf een god geschapen heeft naar zijn eigen beeld, maar wel over de vraag waarom de mens die abstracte, immateriële god zich altijd en overal voorstelt met menselijke trekken.

Tempels

Boekenkrant

Zo plaatste die mens zich op een voetstuk en kon hij zich verheven voelen boven de rest van de natuur, draagt Aslan een van de redenen aan, maar het is ook daar dat alles fout is gegaan. De aanbidding van die menselijke goden leidde tot het bouwen van tempels, wat bijdroeg tot de overgang van jager-verzamelaars naar landbouwers. Voor de fysiek was dat geen goede zaak. Het aantal gevallen van bloedarmoede nam toe, slechte oogsten leidden tot voedselgebrek, er waren meer ziektes en mensen gingen vroeger dood. Het opvallendste gevolg was dat de mens kromp, niet minder dan 15 cm tijdens de eerste paar duizend jaar van de neolithische revolutie.

De psychische gevolgen van het vereren van een god met mensentrekken, die na verloop van tijd ook een monotheïstische god werd, waren nog erger. Die god gaf de mens niet alleen het idee dat hij de aarde kon exploiteren naar eigen goeddunken, maar dat hij ook zijn medemensen mocht overheersen of bestrijden. Ook al is het voor een moslim verboden een afbeelding van Allah te maken, toch wordt deze in de Koran steevast beschreven met menselijke trekken. Voor Aslan is het een van de redenen voor haat en terrorisme.

Aslan is zelf een soefi, een aanhanger van een open, vredelievende en kosmopolitische tak van de islam die Allah als een abstractie ziet en precies omwille daarvan fel bestreden wordt door IS. In feite is zijn boek een apologie van het soefisme, en dat is jammer. Wat een bijzonder goed geschreven populairwetenschappelijk werk over de antropologische achtergronden van de religie had kunnen zijn, schrompelt daardoor ineen tot een pamflet.

Leukemie

Al even pamflettair, maar dan in een heel andere richting, is Ali Rizvi’s De atheïstische moslim. Rizvi kent Aslan en hij haalt hem ook een paar keer aan in zijn boek, waar hij net geen schijtlaars wordt genoemd, want met verdedigers van de islam heeft Rizvi weinig geduld. Als zoon van financieel goed boerende liberale moslims had de kleine Ali al vlug door dat er iets niet klopte aan het verhaal van de islam. Waarom liet Allah zijn vijfjarige nichtje aan leukemie sterven? En waarom had iedereen het na het vliegtuigongeval waarbij in 1988 de Pakistaanse president Zia-al-Haq omkwam over het exemplaar van de Koran dat ongeschonden uit het wrak gehaald was en niet over de 32 doden die er waren gevallen? Het betrof hier toch een boek waarvan miljoenen exemplaren bestonden? Later raakte Rizvi in de ban van Carl Sagans Cosmos, de wetenschappelijke tv-reeks over de uitgestrektheid en de wonderen van het heelal, en vroeg hij zich af waarom Allah die de oneindige ruimte geschapen en onder zijn hoede had zich zou bekommeren om een nietige mens die een stukje varkensvlees at. Voor hem had god afgedaan.

En daarmee ook de islam die de wreedheid tijdens het leven zoals we dit in het Oude Testament lezen combineert met de wreedheid na de dood van het Nieuwe Testament, zoals dit in de Apocalyps beschreven staat. Dat kan alleen tot een gevaarlijke religie leiden, schrijft Rizvi, waarna hij een paar vergoelijkende clichés aanpakt. Dat je de islam moet losdenken van de politiek bijvoorbeeld. Onzin volgens Rizvi want de islam is politiek. Hij gaat over de wijze waarop mensen samenleven en hoe ze zich tegenover anderen positioneren. De islam is net zo politiek als de Israëlische nederzettingenpolitiek religieus is, voegt hij er nog fijntjes aan toe. En dan de stelling dat het niet de islam is die een loopje neemt met de mensenrechten, maar wel de cultuur waarin deze voorkomt. De profeet trouwde met Aisja toen ze zes was en het huwelijk werd drie jaar later geconsumeerd, schrijft Rizvi. Het maakt dus geen staat kindhuwelijken als cultureel te zien en niet als inherent aan de islam.

Zoals de titel al laat vermoeden, roept Rizvi in zijn boek op de islam als een culturele traditie te zien en niet als een religie. Hij wil moslims aanzetten om atheïsten te worden, of toch ten minste de Koran niet langer te lezen als het letterlijke woord gods. Op zich niets mis mee natuurlijk, alleen ondermijnt hij zijn hele opzet door zich aan de kant van de westerse roepkelen te scharen die met hun rabiate islamhaat meer vijanden dan vrienden hebben gemaakt: Richard Dawkins, Sam Harris en wijlen Christopher Hitchens. Het levert hem een lovende quote op van Dawkins op de cover, maar ook een stempel dat hem voor veel potentiële lezers meteen in een bepaald kamp zal onderbrengen, waarna ze zijn boek ongemoeid zullen laten.

Twee pamfletten dus, die boeken van Reza Aslan en Ali Rizvi, en dat is doodjammer, want in feite zijn beiden uit op hetzelfde: de ziel van de hedendaagse moslim. Jakkes, denkt u nu misschien, wat een archaïsch begrip. Het doet ons denken aan pastoors in een lang kleed en ijskoude kerkbanken. Maar de ziel is veel meer dan dat, schrijft Ole Martin Høystad in zijn grandioze De ziel, een cultuurgeschiedenis. Veel ongrijpbaarder dan de ziel kun je het niet krijgen, geeft hij vanaf de eerste bladzijde van zijn boek toe. René Descartes dacht dat de ziel ergens in de pijnappelklier zat, maar niemand heeft ze daar ooit gevonden. Duncan MacDougall ging nog een stap verder toen hij in 1902 bekendmaakte dat hij de ziel gewogen had en dat een mens op het moment van zijn sterven zo’n 21 gram lichter werd. Een scheet in een fles, dacht ieder weldenkend mens meteen.

Homerus

En toch is ze er, die ziel. In religieuze, filosofische, psychologische en ethische zin heeft ze onze geschiedenis getekend, toont Høystad aan, die haar definieert als “niet iets waar je mee geboren wordt, niet iets wat door god gegeven wordt, maar iets wat gevormd en gecreëerd wordt als een samengestelde mentale eenheid, een dicht net van gevoelens en houdingen, een stel geïnternaliseerde waarden en normen waar het bewustzijn drager van is.”

Ook al wijdt Høystadt afzonderlijke hoofdstukken aan het boeddhisme en de islam, zijn cultuurgeschiedenis van de ziel is toch vooral een westerse, die begint bij Homerus, voor wie de ziel vooral werelds was. “Liever was ik een dagloner op het veld van een arme meester die karig moest leven, dan een koning over alle schimmen in het dodenrijk,” laat hij Achilles bijvoorbeeld zeggen in de Odyssee. Pas met de intrede van de filosofen kwam de ziel echt op het voorplan terecht. Plato plaatste haar tegenover het lichaam en stelde dat ze bestond uit drie delen, de rede (logos) en de lichte hartstochten (thymos) die samen de donkere hartstochten (epithymia) in bedwang probeerden te houden. Bij de dood wordt de onsterfelijke ziel bevrijd uit het lichaam, zei hij. Aristoteles stelde daar tegenover dat de ziel de rede is die in haar hoogste toestand in staat is tot zelfreflectie en dat ze niet te scheiden is van het lichaam. Het zijn de twee strekkingen die het westerse denken nadien zouden gaan bepalen, aldus Høystad. Tijdens de Middeleeuwen zou Plato’s dualisme overheersen, maar ook Freud greep terug op zijn driedeling van de ziel. Sporen van Aristoteles zijn terug te vinden bij Montaigne, Nietzsche en Hegel.

De geschiedenis van de ziel vertoont veel gelijkenissen met die van de filosofie. Het is het verhaal van de taart waar wetenschap en psychologie eeuw na eeuw aan knabbelen tot er niet veel meer rest dan wat kruimels. Vandaag is de ziel praktisch verdwenen, al wijst het succes van new age, fantasy en mindfulness er misschien wel op dat we nog steeds naar haar verlangen. “Zorg er vooral voor dat je zin blijft houden in wandelen,” schreef de Deense individualist en existentialist Søren Kierkegaard aan zijn zus. Volgens hem was dat de ideale manier om de ziel te ontwikkelen en zuiver te houden, want zo kon alle somberte achtergelaten worden. “En hou daarbij in gedachten dat je nooit een ander wordt dan je tevoren al was, maar alleen meer jezelf.”

Eerder verschenen in De Morgen