IJzeren Koninkrijk

Woensdag, 1 februari, 2017

Geschreven door: Christopher Clark
Artikel door: Liesbeth van de Grift

Een frisse blik op Pruisen

Pruisen… de eerste associaties met dit woord zijn kadaverdiscipline en militarisme. Dit was vroeger ook al zo. Geen wonder dat tijdens de Tweede Wereldoorlog volgens velen juist in Pruisen de sleutel lag voor de zogeheten Duitse kwestie: hoe er na de overwinning op Duitsland voor te zorgen dat het machtige land in het midden van Europa niet weer een oorlog zou ontketenen. Een nieuw boek maakt echter korte metten met deze eenzijdige voorstelling van Pruisen als reactionair en fanatiek strijdlustig.

[Recensie] Eigentijdse drukte rond 1900 in de Pruisische hoofdstad Berlijn. In zijn nieuwe boek bestrijdt Christopher Clark het clichébeeld dat de Pruisische samenleving slechts een anti-moderne voedingsbodem voor het nazisme was.

Ernest Bevin, de Britse minister van Arbeid, sprak  in 1941: “Wat we in Europa voor altijd kwijt moeten zien te raken, is het Pruisisch militarisme en zijn vreselijke  filosofie.” Een eind maken aan het nationaalsocialistische bewind was niet voldoende, ook het Pruisische ethos van blinde gehoorzaamheid en serviliteit, dat tijdgenoten in verband brachten met het nazisme, zou met wortel en al uitgeroeid moeten worden. In 1947 besloten de geallieerden dan ook om Pruisen als staatkundige eenheid op te heffen. Grote delen waren na 1945 al aan Polen en de Sovjet-Unie afgestaan; de Pruisische provincies die overbleven, werden vervangen door nieuwe deelstaten (Länder) en maakten eerst deel uit van de geallieerde bezettingszones en daarna van de beide naoorlogse staten.

Zo’n vierhonderd jaar had Pruisen bestaan. Zijn geschiedenis begon in de Mark Brandenburg, het weinig welvarende gebied rondom de stad Berlijn dat in 1417 door Frederik van Hohenzollern gekocht werd. Niets duidde er toen op dat dit het centrum van het machtige Pruisen zou worden. Wel maakte de koop Frederik tot keurvorst in het Heilige Roomse Rijk, de lappendeken van staatjes en vorstendommen in het midden van Europa. Als gevolg van een slimme huwelijkspolitiek, erfopvolging, wisselende bondgenootschappen en oorlogvoering slaagde het vorstenhuis van de Hohenzollern erin om het gebied waarover het heerste, in de 16de en 17de eeuw in zowel het oosten als het westen substantieel uit te breiden.

Boekenkrant

In de eeuw daarop lukte het de dynastie om van Pruisen een heuse Europese grootmacht te maken. De opmars van Pruisen leidde internationaal tot ongerustheid en zorgde er zelfs voor dat er een bondgenootschap tussen de aartsvijanden Frankrijk en Oostenrijk tot stand kwam. Samen met Rusland stelden zij zich tot doel om de nieuweling zijn plaats te wijzen. Hun pogingen bleken vergeefs; de legers van de Pruisische koning Frederik de Grote hielden stand en Oostenrijk zag zich gedwongen Pruisen als tweede machtscentrum naast zich in Midden-Europa te accepteren, een plaats die Pruisen niet meer zou prijsgeven.

Gedeeltelijke modernisering

Wat is de betekenis van Pruisen in de Duitse geschiedenis? Hier denken historici verschillend over. In de 19de eeuw stond de positieve rol van Pruisen centraal, als Europese grootmacht of als drijvende kracht achter de klein-Duitse eenwording (dus zonder Oostenrijk) die in 1871 onder de Pruisische minister-president Otto von Bismarck tot stand kwam. Vanaf 1960, toen een nieuwe generatie historici zich in toenemende mate kritisch tegenover de bestaande geschiedschrijving ging op- stellen, werd een andere interpretatie dominant. Deze legt de nadruk op de Sonderweg of de bijzondere eigen weg die Duitsland had afgelegd,  die zou verklaren waarom het nationaalsocialisme juist in Duitsland aan de macht kon komen.

Historici van deze school betoogden dat Duitsland slechts een gedeeltelijk moderniseringsproces had doorgemaakt: weliswaar vonden grootscheepse economische veranderingen plaats, maar de politieke liberalisering die andere West-Europese landen in de 19de eeuw kenmerkte, bleef hier uit. Omdat de macht in handen bleef van ‘premoderne’ elites, slaagde de Duitse burgerlijke middenklasse er niet in als de motor van democratische vernieuwing te fungeren, een rol die de middenklasse elders wel vervuld had. Pruisen was bij uitstek het toneel van deze gedeeltelijke modernisering. Hier hadden traditionele elites zoals de adellijke grootgrondbezitters (de Junker) en militaire officieren het voor het zeggen, voerde militarisme de boventoon en was loyaliteit aan vorst en staat het hoogste goed.

Ook moderne Junker

De Australische historicus Christopher Clark laat in zijn zojuist vertaalde geschiedenis van Pruisen, IJzeren Koninkrijk. Opkomst en ondergang van Pruisen, echter zien dat de werkelijkheid genuanceerder was. Hij bestrijdt vooral dat de modernisering nauwelijks doordrong in Pruisen. Clark, bekend van zijn goed ontvangen boek De slaapwandelaars over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, erkent bijvoorbeeld de sterke positie de drijvende kracht achter de Duitse eenwording van de conservatieve Junker, maar laat ook zien dat ze niet almachtig waren, noch alleen maar ouderwets. Hij beschrijft dat veel boeren helemaal geen onderdaan waren van deze landheren en dat sommige grootgrondbezitters complexe moderne bedrijven runden. Ook bewijst hij dat er voortdurend sprake was van wrijvingen  tussen de aristocratie en de staat. Dit staat lijnrecht tegenover het stereotiepe beeld van het stabiele Herr-schaftskompromiss dat Junker en staat sloten,  en van oerconservatieve Junker die slechts uit waren op behoud van het oude en kleine boeren onderdrukten.

Een ander voorbeeld van de verfrissende blik van Clark is zijn behandeling van de in Duitsland als ‘mislukt’ te boek staande revolutie van 1848. Elders in West-Europa was deze omwenteling een belangrijke mijlpaal in het democratiseringsproces. Nadat overal opstanden uitbraken, werden in veel landen grondwetten aangenomen waarin burgerlijke vrijheden waren vastgelegd. In Duitsland bleef deze formele politieke liberalisering echter uit. De beweging die zich hard maakte voor verandering, was diep verdeeld over de vraag wat belangrijker was: de vorming van een Duitse natiestaat of democratische hervormingen. Een andere splijtzwam vormde de vraag of een verenigd Duitsland onder leiding van Pruisen of Oostenrijk zou moeten komen te staan. Daar kwam bovenop dat de Pruisische koning Frederik Willem IV weigerde de keizerlijke kroon uit handen van de volksvertegenwoordigers uit Frankfurt am Main aan te nemen, die “van modder en klei gebakken ring” zoals hij schamper zei. De reden: het volk matigde zich iets aan, het was niet aan het volk om hem iets aan te bieden. De koning had een broertje dood aan volkssoevereiniteit; was hem de kroon door de Habsburgers en andere Duitse vorsten aangeboden, dan had hij hem mogelijk wel geaccepteerd. Maar nu? “Messieurs!” brieste hij, “jullie hebben helemaal niet het recht mij zelfs maar het allerminste aan te bieden. Vraag zoveel u wilt, maar geven – nee – want daartoe zou je in het bezit moeten zijn van iets dat je kúnt geven en dat is niet het geval!”

Een veelgehoorde deterministische uitleg ziet deze episode als een gemiste kans op Duitse eenwording en politieke liberalisering en trekt een rechte lijn tussen ‘1848’ en Hitler. Rode draad is het autoritaire leiderschap dat alleen het Pruisische eigenbelang najaagt. Clark bestrijdt dit. Hij laat ten eerste zien dat Frederik Willem niet alleen oog had voor de belangen van Pruisen en uit was op een klein-Duitse staat, maar bereid was om zich samen met Oostenrijk aan het hoofd van een verenigd Duitsland te stellen. De ‘mislukking’ van 1848 betekende volgens Clark bovendien geenszins een terugkeer naar het conservatieve tijdperk: Pruisen werd na 1848 wel degelijk een constitutionele staat met een gekozen  parlement, ook al kreeg slechts  een zeer klein deel van de bevolking het stemrecht. De politieke dominantie van grootgrondbezitters nam af, de censuur werd versoepeld en het belastingstelsel hervormd. Na de Duitse eenwording in 1871 ontstond er tenslotte in het westen van het land en in de grote steden een door de middenklasse gedragen krachtige politieke cultuur; liberalisme en socialisme werden hierin belangrijke stromingen. De politieke modernisering kreeg dus ook in Pruisen gestalte.

Geen snel oordeel

Clark nuanceert stereotiepe beelden, maar behandelt ook gewoon uitvoerig  en helder de kenmerkende episodes van de Pruisische geschiedenis, zoals de economische en militaire hervormingen die Frederik Willem i in de 18de eeuw doorvoerde en de getroebleerde verhouding tussen deze ‘soldatenkoning’ en zijn zoon Frederik II, die de interesses van zijn vader niet deelde en als straf voor zijn poging naar Engeland te vluchten moest toezien hoe zijn jeugdvriend onthoofd werd. Uitgebreid aan bod komt ook hoe Frederik II middels oorlogvoering van Pruisen een Europese grootmacht maakt en als Frederik de Grote bekend kwam te staan. Oorlogen vormen een constante in de Pruisische geschiedenis; niet verwonderlijk, betoogt Clark, die goed laat zien hoe precair de geopolitieke situatie van deze staat was.

Dit illustreert ook Bismarcks  politiek van Blut und Eisen – het ‘bloed’ en ‘ijzer’ verwijzen naar de oorlogen die hij voerde tegen Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk – die de eenwording van Duitsland in 1871 tot gevolg had.

De toegevoegde waarde van dit werk zit hem vooral in de benadering. De schrijver stelt zich tot doel de ontwikkeling van Pruisen te analyseren zonder dat de kennis van de gebeurtenissen in de 20ste eeuw het verhaal te sterk kleurt. Heel consequent past Clark ervoor om een snel oordeel te vellen. Hij gaat niet terug in de Duitse geschiedenis om te kijken waar het ‘fout’ liep, maar plaatst Pruisen waar het hoort: in de eigen tijd.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

Boeken van deze Auteur: