Leven verboden!

Vrijdag, 15 juli, 2022

Geschreven door: Maria Lazar
Artikel door: Marjon Nooij

Hoe zal er over mij gesproken worden als ik dood ben?

[Recensie] Maria Lazar (1895-1948) was een Weense bohème van welgestelde Joodse afkomst. Ze groeide op met namen als Robert Musil en Stefan Zweig tussen de elite van de Oostenrijkse cultuur en publiceerde destijds in dezelfde bladen als Elias Cannetti’s vrouw Veza en Joseph Roth. Vanwege de oorlogsdreiging vluchtte ze naar het noorden, om in ballingschap te gaan op het Deense eiland Thurø, waar ze werk uitbracht onder het pseudoniem Esther Grenen. Zodoende overleefde ze de oorlog, maar in 1948 maakte ze een einde aan haar leven toen er een terminale ziekte bij haar was geconstateerd.

Leven verboden! speelt zich af in 1931. Het werd in 1934 in Engeland gepubliceerd door uitgeverij Wishart onder de titel No right to live. De uitgever echter was beducht voor de anti-nazi uitingen en haar openlijke beschrijvingen van de opkomst en ideologieën van het nationaalsocialisme aan het begin van de jaren dertig – het laat zien hoe het politieke klimaat steeds dreigender wordt – en schrapte destijds niet alleen passages, maar voegde ook er ook dingen aan toe. De Engelse versie las niet overal even vloeiend, daar er duidelijk te merken was dat er stukken misten en het verhaal onverwachte sprongen maakte in de tijd.

Lazars werk raakte in vergetelheid en pas in 2020 werd in Oostenrijk alsnog het ongecensureerde Duitstalige boek gepubliceerd. Uitgeverij van Maaskant Haunbracht deze versie in november 2021 uit in een vloeiend leesbare vertaling van Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen.

Vliegtuigongeluk
Leven verboden! is spannende literatuur en begint met een dramatische passage; een vliegtuig stort neer. Bankier Ernst von Ufermann is onderweg naar Frankfurt om te onderzoeken hoe hij zijn noodlijdende firma nieuw leven in kan blazen om derhalve zijn welgestelde leven veilig te stellen. Op het vliegveld concludeert hij dat zijn zakken zijn gerold, inclusief portefeuille met vliegticket, waardoor hij de fatale vlucht mist en iedereen denkt dat hij erin zit. Het onheuglijke nieuws van zijn vermeende ter aarde storten, bereikt hem pas later, als hij in het huis van zijn maîtresse de telefoon aanneemt zonder zich bekend te maken.

Wordt Vervolgd

“Hallo! Het is gewoon niet te geloven. Hallo! Je weet dus echt van niets. Stel je voor, Ufermann, je weet wel, die wilde vandaag naar Frankfurt vliegen, Ufermann, stel je voor, Ufermann is neergestort, met het vliegtuig natuurlijk, het hele vliegtuig is neergestort en uitgebrand. Ufermann is dood, joh, die is zo dood als een pier, die is zelfs geen lijk meer, alle inzittenden verkoold, staat in de kranten.”

Hij weet niet wat hij met deze situatie aan moet en besluit om niet meteen terug te gaan naar huis. Zodoende is hij ineens iemand die zich niet meer onder de levenden kan bewegen; een levende dode in een schemergebied tussen de wereld van de levenden en die van de doden.

Verdwijning
In verschillende verhaallijnen worden de hersenspinsels van de achterblijvers beschreven, maar de lezer volgt grotendeels de gedachtestroom Ufermann. Hij vraagt zich af hoe het zijn vrouw vergaat, of ze om hem rouwt en hoe ze haar leven zal vervolgen met het enorme bedrag dat zijn levensverzekering aan haar zal uitkeren. Ineens komt hij tot de ontdekking dat hij met zijn ‘overlijden’ ook zijn aanzien heeft verloren.

“[…] hij is immers dood, verkoold en neergestort, niet eens een lijk meer, niet eens een nog zo zielig hoopje botten meer. Hij heeft geen recht meer op zijn comfortabele bed, dat onaangeroerd in zijn kamer staat als in een grafkamer. Hij heeft geen recht meer op zijn huis, zijn thuis, wat heeft het voor zin daar nog gedachten aan te wijden, geen recht op zijn vrouw en op zichzelf. Als een indringer dwaalt hij rond in een stad die hem plotseling vreemd voorkomt, als iemand die hier niets te zoeken heeft. Weg met jou, verdwijn, we hebben je niet nodig.”

Een kans om te verdwijnen, tijdelijk of permanent, grijpt hij met beide handen aan. Als Edwin von Schmitz – geblondeerd kapsel, zwarte ulster – kan hij, ‘in dienst van een hogere zaak’, wat geld verdienen door per trein een pakje de grens met Oostenrijk over te smokkelen. Hij belandt in een rollercoaster van belevenissen, en zwijgzaam dolend door Wenen heeft hij de kans om het leven dat hij als Ufermann heeft geleid te overlopen. Hij lummelt wat rond, geeft ontwijkende antwoorden en moet spaarzaam met zijn geld omgaan, iets wat hij als rijke ondernemer allang was verleerd. Men begrijpt echter niet wat hem in Wenen houdt. ‘Er is iets niet pluis met die Pruis.’ Dit leidt er echter toe dat hij verstrikt raakt in zijn eigen leugen, waaraan hij niet meer kan ontsnappen. De fantasie en nieuwsgierigheid om zijn oude leven achter zich te laten, maken plaats voor een nachtmerrie; hij raakt gevangen in het dodenrijk.

Beklemmend
De beklemming en spanning worden steeds sterker; de spanningsboog wordt tot het einde vastgehouden. Doordat hij ‘dood’ is, wordt het niet meer geaccepteerd wanneer hij ineens weer opduikt. Hij kan praten tot hij een ons weegt, maar hij wordt door niemand meer gehoord.

Toch is het niet alléén dat beklemmende verhaal aan de oppervlakte; het is ook een gedachte-experiment en een parabel die mensen van alle tijden bezig kunnen houden. Lazar beschrijft een fantasie die veel mensen koesteren; hoe zal er over mij gesproken worden als ik dood ben? Gaat het gewone leven dan door? Word ik wel gemist en door wie?

Ufermann maakt gaandeweg een psychologische ontwikkeling door. Waar hij eerst leeft voor zijn succes en rijkdom en weinig oog heeft voor de zielenroerselen van de mensen om hem heen, wordt hij tegen wil en dank teruggeworpen op zichzelf en overdenkt hij zijn leven en relaties. De scherpe dialogen en gedachtestromen zitten vol ellipsen die het verhaal een ongekunstelde vorm en een levensechtheid hebben gegeven.

Gedachte-experiment
Een betekenisvol component van het verhaal is de setting in Duitsland en Wenen aan het begin van de jaren dertig. De opkomst van Hitler, het antisemitisme en de economische situatie na de beurskrach van 1929 vormen het decor van het verhaal. Tijdens het interbellum zindert de Grote Oorlog nog na, terwijl de volgende alweer in de startblokken staat. Het gedachte-experiment van de levende dode krijgt hiermee nog eens een extra laag, omdat het tegelijkertijd een metafoor wordt voor het leven van grote groepen mensen van wie het leven steeds moeilijker gemaakt zal worden en ook zullen ‘verdwijnen’. Op het moment het wij dit boek lezen, weten we natuurlijk dat WOII enkele jaren later zal uitbreken en dat de Holocaust in het verschiet ligt; dat te wéten maakt dat je dit boek niet meer ‘onbevangen’ als fictief verhaal kunt afdoen.

Er zijn veel ontwikkelingen in Leven verboden! en de afloop laat zich tot aan het einde toe niet raden. Het is een krachtig tijdsbeeld van de jaren dertig, beschreven door een maatschappijkritische, scherpe observator die niet oordeelt, maar toont.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken