Oases in de stad

Donderdag, 19 mei, 2022

Geschreven door: Willemijn Wilms Floet
Artikel door: Evert van der Veen

Verborgen charme

[Recensie] Willemijn Wilms Floet is docent architectuur aan de Technische Universiteit in Delft en heeft een sterke persoonlijke liefde voor hofjes in grote en kleine steden zoals blijkt uit deze woorden: “Het hofje heeft alles wat de stad zo intrigerend maakt. Het is het meest tot de verbeelding sprekende stukje stedelijke omgeving dat ik ken” (p. 7).

Historische ontwikkeling
In diverse inleidende hoofdstukken staat zij stil bij zes eeuwen bouwgeschiedenis van hofjes en vele verhelderende tekeningen, soms in fish-eye perspectief maken dit ook goed zichtbaar. Zo kan de lezer echt kennis maken met het fenomeen hofje en zijn karakteristieke bouw waarbij altijd openbare ruimte, een tuin, centraal staat. In de inleidende hoofdstukken is ook aandacht voor het onderzoek naar hofjes en de specifieke kenmerken van hun architectuur door de eeuwen heen. Interessant zijn ook de historische tekeningen, plattegronden en oude foto’s.

Sinds 1395 zijn er door mensen met een sociaal hart zo’n 200 hofjes in ons land gebouwd en daarvan zijn er 110 bewaard gebleven. De hofjes waren bedoeld voor minder draagkrachtige en kwetsbare bewoners, “… een van de wereld afgekeerde beschermde woongemeenschap” (p. 60). Zij krijgen in dit boek verder geen aandacht – dat zou een interessant onderwerp voor een ander boek zijn – want de architectuur staat in “Oases in de stad” centraal.

In het algemeen zijn de kleinere hofjes verdwenen. Toch mogen we dankbaar zijn dat er nog zoveel van deze hofjes zijn en tijdgebonden stadsvernieuwing hebben overleefd. Dat zal alles te maken hebben met de bijzondere bouw die altijd wel tot de verbeelding heeft gesproken: “De diepe culturele en maatschappelijke verankering van hofjes in de Hollandse steden, heet zo, in combinatie met de bijzondere kwaliteit van de architectuur, bijgedragen aan hun monumentale status” (p. 43).

Technisch Weekblad

Internationaal fenomeen
Interessant is ook de aandacht voor hofjes in het buitenland zoals in Istanbul, Londen en Buenos Aires. Daaruit blijkt: “Het hofje is niet alleen een culturele en architectonische bijzonderheid die zich beperkt tot de Lage Landen aan de Noordzee. Het kan zonder meer worden opgenomen in het rijke continuüm van de binnenbouwbloktypologie dat wereldwijd in alle tijden en culturen zijn eigen vormen heeft ontwikkeld” (p. 8).

De reeks van voorbeelden telt 22 hofjes en opent met misschien wel het meest spraakmakende hofje van Nederland, het Begijnhof in Amsterdam. Er zijn meer bekende hofjes opgenomen zoals het Pepergasthuis in Groningen en Teylers Hofje in Haarlem.

Minder bekend is wellicht dat het aloude hofje ook vandaag een inspiratiebron is voor architectuur. Het Linnaeushof in Amsterdam uit 1924 – 1930 en het Johan Enschedé hofje in Haarlem uit 2007 zijn daar mooie voorbeelden van. Ook in Berlijn en Kopenhagen zijn meerdere hofjes van jongere datum aanwezig.

Op een kaart van Nederland wordt zichtbaar in welke steden zich hofjes bevinden; van de in dit boek opgenomen steden zijn ook plattegronden opgenomen. Behalve Groningen en Zutphen concentreren de opgenomen 22 hofjes zich op het westen van ons land. Dat roept de vraag op waarom er zo weinig spreiding is. Daarin hadden wellicht verschil in regionale architectuur en de beschikbare financiële middelen die in de bouw zichtbaar worden naar voren kunnen komen.

Het fraaie en sfeervolle fotowerk in Oases in de stad is van Katja Effting. Dit boek is interessant en toegankelijk voor iedereen die belangstelling voor architectuur en bepaalt de lezer bij vaak verborgen en verstilde architectuur in steden zoals dat de bezoeker van de Begijnhof dat duidelijk ervaart. De rust en intimiteit vormt een scherp contrast met de stedelijke geluiden van het drukke verkeer. De lezer die zĂł is geboeid door het hofje kan aan de hand van dit boek een reis langs steden plannen om de verstilde schoonheid van hofjes zelf te ervaren.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles