Onvoltooid

Dinsdag, 19 juli, 2022

Geschreven door: Gie Bogaert
Artikel door: Jan Stoel

Gie Bogaert over zijn boek Onvoltooid: “Mijn personages zijn voortdurend op zoek. Het is nooit af…”

[Interview] Gie Bogaert debuteerde in 1987 met de verhalenbundel Klein Berlijns drama. Drie jaar later volgde zijn eerste roman Wat kwaad doen de tovenaars? Later verschenen achtereenvolgens Keizer Doede (1992), Wat we met de liefde doen (1995), De liefdeverzamelaar (1998), Nathan Meyer, vrouwenwandelaar (2000) en de Trilogie van het haalbare: Hemelstof (2004), Opklaringen (2006) en Luchtgezichten (2010).  Begin 2013  publiceerde Bogaert bij De Bezige Bij een nieuwe roman: Noora’s dwaling. Voorjaar 2016 verscheen bij dezelfde uitgever de mozaïekroman Rooseveltzes jaar later de roman Onvoltooid bij Uitgeverij Vrijdag. Gie Bogaert is germanist. Hij werkte onder meer als docent proza aan de SchrijversAcademie te Antwerpen. Liefde, verlies en eenzaamheid zijn de centrale thema’s in zijn werk. 

Wat heb ik enorm genoten van Onvoltooid van Gie Bogaert (1958). Ik heb een zwak voor auteurs die met weinig woorden een hele wereld voor je openen, die je verbeeldingskracht aan het werk zetten door suggestief te schrijven, die zeer zorgvuldig formuleren en erin slagen levensechte personages te creëren én die een universeel verhaal weten te vertellen. Ik kwam dat allemaal tegen in deze roman. 

In Onvoltooid speelt het fenomeen tijd (herinnering en geschiedenis) een bijzondere rol. Eenzaamheid, verlangen, liefde en gemis vormen de centrale thema’s. Het verhaal gaat ook over het stellen van vragen over hoe het leven zo is kunnen lopen, over het zoeken naar houvast, contact en geborgenheid. Ik constateerde dat de mens ‘onvoltooid’, onaf is en dat elk ideaal onbereikbaar blijft. Ik werd meegezogen in het verhaal, las en herlas, genoot van het fijnzinnige, de beheerste taal die zoveel betekenis in zich draagt. Reden om de spotlight eens op Gie Bogaert te richten.

Je gebruikt als motto: “Een onvoltooide vrouw. Een man die thuis wil komen.” Een citaat van Henk van Woerden uit Ultramarijn. Goed gekozen, vind ik. Het dekt meteen de lading van de roman, zonder al te veel van het verhaal prijs te geven. Hoe werkt dat bij jou, dat kiezen van een motto voor een roman? 

Bergen

“Ik ben een nauwgezette voorbereider van mijn romans. De keuze van de thematiek en het bepalen van de verhaallijn markeren het begin van het proces. Het motto is daar altijd de meest beknopte samenvatting van. Het helpt me focussen op de essentie van het boek tijdens het lange, trage schrijfproces. Het eerste deel van het motto voor Onvoltooid geldt voor zowel Hennie als Toni, de twee vrouwelijke hoofdpersonages; het tweede deel slaat op Bernard Houtman, de verteller, die zowel zijn verhaal als dat van de twee vrouwen op basis van zijn herinneringen reconstrueert.”

Toni is de dochter van Marit, een vriendin die vroeger in hetzelfde studentenhuis woonde als Bernard. Met Marit bedreef hij een keer de liefde. Marit vertelt, veertig jaar later, dat haar dochter Toni het resultaat is van die ene keer. Bernard gaat op zoek naar haar. Een dochter? Dat haalt hem meteen uit zijn eenzaamheid. Een dochter is het kostbaarste wat hij heeft. Je maakt ook een mooie verbinding met de Oscar winnende animatiefilm Vader en dochter van Michael Dudok de Wit. Het zegt alles over de verhouding van de dochter ten opzichte van de vader, maar ook van de vader tegenover zijn dochter. Hoe zit dat met die relatie tussen vader en dochter?

“Zowel Onvoltooid als Opklaringen – een eerdere roman – zijn schatplichtig aan een onverwachte vraag die een vrouw mij ooit stelde: of ik een andere vader zou zijn wanneer ik twee dochters had in plaats van twee zonen. Ik vond die vraag zowel boeiend als confronterend, maar ik heb er eerlijk gezegd nog steeds geen antwoord op. Beide boeken kunnen worden gezien als een zoektocht naar een mogelijke voorstelling daarvan. Wat doet het met een man wanneer die een dochter terugvindt of er plots een blijkt te hebben? Onvoltooid is onder meer een poging tot beantwoording van die vraag. De mogelijkheden  van de verbeelding in een literaire roman boden mij daar de ruimte toe. Al gaat het boek ook over veel meer dan dat.”    

Ik kwam nog andere verbindingen tegen, zoals die van de seizoenen met de gemoedsgesteldheid van de personages. Bijvoorbeeld wanneer Toni en Bernard op een bank zitten: “We bevonden ons op de dunne breuklijn tussen winter en lente, waarin vriesmist en ochtendkou al plaats hadden gemaakt voor de heldere tinten van de krokussen, narcissen en forsythia [….] en de beukenhagen hun gespaarde dorre blaren alsnog zouden afwerpen om ruimte te bieden aan nieuw, fris en beloftevol loof. Toni en ik, we konden allebei verwachten.” Alsof het suggesties zijn om het streven naar verbondenheid aan te geven. Het weer komt ook nogal eens voor: regen, zonneschijn, kou. Een metafoor voor het leven?

Onvoltooid is vooral een boek over een zoektocht naar verwantschap en intimiteit, maar ook naar houvast en evenwicht als middel om overeind te blijven. Het is een verhaal van zoeken en vinden. De natuurbeschrijvingen – de seizoenen en het weer – vormen daar het canvas voor en illustreren vaak de gemoedsstemmingen van de personages. Ze variëren volgens de situaties waarin Bernard, Toni en Hennie zich bevinden: of ze zoeken, (terug)vinden of weer verliezen. Daarnaast gebruik ik de seizoenen als chronologische onderbouwing van de tijdslijn bij de gebeurtenissen en ontwikkelingen en karakteriseren ze ook de aard daarvan. Ik heb vooral geprobeerd een mooi verhaal te schrijven, al is de schoonheid van de tragische soort.”  

In je roman gaat het om mensen die vervreemd zijn van het dagelijks leven. Ze zijn eenzaam geworden, mede als gevolg van het onvermogen om met elkaar te communiceren. Dit is een thema in je oeuvre. Ook in Onvoltooid is dat prominent aanwezig. Wat is het dat je zo door dat thema geïntrigeerd wordt?  

“Ik denk wel eens dat de eenzaamheid in mijn boek teruggaat naar mijn kindertijd. Ik was een nakomertje en dus altijd en overal de jongste: thuis, in de familie en op school. Er werd nauwelijks rekening met me gehouden. Ik leerde zo vooral zwijgen en observeren – er zat niet veel anders op. Het maakte een luisteraar van me. Het was de opstap naar een latere voorzichtige en bedachtzame volwassenheid. (Dat ik een stille schrijver wordt genoemd heeft wellicht ook daarmee te maken.) In die kindertijd ligt trouwens ook de basis van het overkoepelende thema van het verlies in mijn werk, denk ik. Ik had als kind een vreselijke verlatingsangst. Ik was ervan overtuigd dat mijn ouders voortdurend een goede gelegenheid zochten om me achter te laten. Het maakte alle vakanties en het wekelijks bezoek met mijn vader aan het zwembad een verschrikking. Ik was er elke zondagochtend van overtuigd dat hij zou verdwijnen terwijl ik in het kleedhokje was. Ik werd een kampioen in het snelle omkleden. In een wip stond ik weer buiten en ging ik op zoek naar de voeten van mijn vader in de openingen onder de driekwart deurtjes van die hokjes. Ik zou die voeten vandaag nog moeiteloos uit honderden andere herkennen en heb nog steeds nare herinneringen uit die tijd – ten onrechte overigens, want het zat ook toen al alleen maar in mijn hoofd: ik heb, zo weet ik al heel lang, lieve ouders gehad.”

Zouden we jou een geëngageerd schrijver kunnen noemen? Je hebt het over de tragiek van de gewone mens, die zich verzoent met zijn situatie en zich aanpast. Hij is het meest kwetsbaar. Niet na geprobeerd te hebben zich aan het uitzichtloze te ontworstelen.

“Mijn engagement schuilt in het verlenen van een stem aan wie die niet of nauwelijks verheft. Mijn personages zijn geen rebellen – daar zit te veel agressie in – maar ze zijn ook niet lijdzaam, zoals soms verkeerdelijk wordt beweerd. Ze proberen het hoofd boven water te houden en zo goed en zo kwaad als het kan te leven met de soms verkeerde keuzes die ze hebben gemaakt en met wat hen in de loop van hun leven overkomt. Ze willen ook in het reine komen met de  liefdes die er niet zijn geweest, de minnaars die ze niet hebben gehad, de keuzes die ze niet hebben kunnen maken en de levens die ze niet hebben geleid, niet dus vanwege een sluimerend verlangen naar wat ze zijn kwijtgeraakt, maar als gevolg van een hunkering naar wat ze nooit hebben gehad. Daar schuilt wat mij betreft en even grote heldhaftigheid in als in die van de revolutionair, al is ze van een andere aard. Ik bewonder mijn personages erom. Het is een reden om ook van hen te houden. Vaak hebben hun beschouwende terugblikken en hun herinneringen hen in verschillende maten en manieren weemoedig gemaakt. Maar dat is naar mijn gevoel geen gebrek.  Ik beschouw melancholie als een deugd. Ze valt hooglijk boven cynisme te prefereren.”

Bernard is journalist en schrijft alleen nog maar artikelen over mensen die eenzaam zijn voor de enige kwaliteitskrant die er nog is, Metropool. Hij schrijft die voor de bijlage Mens en Maatschappij. De rubriek heet ‘La Solitudine’. Bovendien ontmoet hij de mensen voor het interview, maar in het verleden ook zijn vrouw en Marit, de moeder van Toni, in Café Le Royal op het Centraal Station in Antwerpen. Het zorgt voor een sfeer van troosteloosheid. Je schrijft het allemaal niet, maar je suggereert. Is dat wat we suggestieve stijl kunnen noemen? 

“Het lijkt alleen maar op troosteloosheid, want precies in het vertellen van hun verhaal vinden bijna alle personages troost. ‘Ze mochten honderduit vertellen over hun klein verdriet, verkeerde keuzes en grote ongeluk,’ staat in het boek. ‘Ze zochten naar woorden, probeerden er zinnen mee te bouwen die hen verluchting brachten en af en toe ook dichter bij zichzelf, en na afloop lieten ze graag verstaan dat ze er geen spijt van hadden dat ze een onbekende buitenstaander die alleen maar sporadisch knikte en wat onduidelijke aantekeningen maakte in vertrouwen hadden genomen. Soms was ik ervan overtuigd dat ze hun relaas in de krant wilden zien verschijnen als een ultieme poging om het eindelijk definitief achter zich te kunnen laten.’ En wat de stijl betreft: de meeste personages vertellen ook niet alles. Veel tragiek wordt verzwegen. Het invullen daarvan is het privilege van de lezer. Ook zijn of haar verbeeldingskracht is van belang. Daar probeer ik ruimte voor te laten met suggestief te schrijven en tegelijk te pogen het onzegbare te benoemen.” 

Terwijl ik Onvoltooid las, flitste deze gedachte door mijn hoofd: zou Gie Bogaert misschien bedoelen dat je als mens onaf bent, niet voltooid, en dat je ondanks alle inspanningen je ideaal nooit bereikt? Dat laatste zie je bij bijna alle personages terugkomen: mensen die het geluk vergeefs proberen te vinden, scheiden, iets missen. Dat onaf zijn kwam ik tegen bij Jaan, de dove zoon van Hennie, maar ook bij Hennie zelf die als kunstenares asymmetrische en disproportionele figuren boetseert. Een van haar beelden heeft als titel ‘Woman Unfinished.’ En bij Bernard die op zoek gaat naar Toni, op zoek naar het volmaakt maken van zijn leven door het vaderschap. Ook aan het einde van het roman zie ik dat terugkomen.

“Dat klopt. De personages in Onvoltooid zijn voortdurend op zoek, zelfs wanneer ze vinden of terugvinden blijkt dat gewonnen geluk bijzonder broos en is er meteen de mogelijkheid van nieuw verlies. Het is nooit af. Toni zegt letterlijk dat ze zich altijd op een of andere manier uitgesloten voelde, alsof er iets wezenlijks ontbrak, iets dat voor haar troebel en onduidelijk bleef en ze om redenen die ze niet kende altijd min of meer onaf bleef. En Hennie beweert dat ze, hoewel ze heeft teruggevonden, nog altijd zoekt. Overigens zijn ook alle herinneringen onaf. Bernard schrijft dat ze nooit helemaal betrouwbaar zijn. Ze veranderen voortdurend en zetten zich nooit in ons geheugen vast; ze vervagen of verflauwen en lichten later onaangekondigd en dus altijd onverwacht weer op. Ook hij is een zoeker.”

Ik kwam op You Tube dit filmpje tegen over je werkwijze. Ben je op dezelfde manier bij Onvoltooid te werk gegaan? https://www.youtube.com/watch?v=EhRFiw-RZOY

“Mijn werkproces is voor elke roman hetzelfde. Ik maak mijn boek af voor ik begin te schrijven, dat wil zeggen: het geconcipieerd verhaal in woorden, zinnen en alinea’s omzetten. Ik bouw eerst zorgvuldig het concept uit met personages, situatie, decor, thema’s, verteller,  begin en slot. Daarna structureer ik dat concept in hoofdstukken en plotlijnen. Pas wanneer dat helemaal klaar is, start ik het ver-talen, het in taal omzetten van wat ik heb bedacht en verzameld. Ik weet niet of dat de beste manier is om een roman te schrijven, ik weet alleen dat het de enige manier is die voor mij werkt, omdat ze me een aantal voordelen oplevert: ik heb nooit een writer’s block en wanneer ik schrijf, kan ik me vooral met stijl bezighouden, met de beste manier om het verhaal te vertellen. Ook voor Onvoltooid werkte ik zo. Ik ben met mijn slotzin begonnen en heb daar naartoe geschreven. Ik wilde opnieuw het mooiste verhaal schrijven. Dat poog ik altijd. Ik weet dat dat een illusie is, dat het me nooit zal lukken, maar het schenkt me zo’n voldoening – en vaak ook troost – om het elke keer weer te proberen.” 

Volgens mij is het verhaal dat Hennie Zeeger vertelt het kernverhaal. Ze zegt immers in het begin van de roman: “Jij mag mijn verhaal schrijven.” Ze vertelt haar hele verhaal aan de luisterende journalist Bernard. Opvallend is dat Hennie pas op het laatst naar het leven van Bernard vraagt. Een tweede verhaallijn betreft de zoektocht van Bernard naar houvast, perspectief, geluk. Want ook hij is eenzaam. Daar tussendoor spelen allerlei andere verhalen. Hoe ben je te werk gegaan om de structuur van je verhaal vorm te geven?

“Ik plande vooraf om retrospectief twee hoofdverhalen te reconstrueren, dat van Bernard en Toni enerzijds  en dat van Hennie anderzijds, die chronologisch in die volgorde zijn geschied. Maar omdat het schaduwverhalen zijn van elkaar en ze ook invloed hebben op de wijze waarmee Bernard ermee omgaat, wisselt het perspectief in het boek van de ene vrouw naar de andere en dus ook van het ene verhaal naar het andere. Toch heb ik geprobeerd daar een regelmatig afwisseling in te brengen, zodat de plotlijn overzichtelijk en relatief eenvoudig blijft voor de lezer, zelfs met nog een aantal andere verhalen daar bovenop.” 

“Dit verhaal is gebaseerd op ware gebeurtenissen” staat voorin het boek. Zit er wat van Gie Bogaert in het personage van Bernard? Die schrijft het verhaal namelijk ook op in de ik-persoon?

“Het boek is een verzameling van verhalen die me in de loop van de afgelopen jaren werden verteld, met dezelfde grootste gemene deler: de zoektocht naar verlossing. Natuurlijk heb ik die vertellingen gefictionaliseerd en naar mijn hand gezet: het boek is een roman, niet alleen over afkomst en verwantschap, hoop en teleurstelling, maar nadrukkelijk ook over waarheid en leugen. Liever laat ik in het midden wat waar is en wat niet. Ik gun de lezer de vrijheid zelf in te vullen wat hij of zij gelooft van wat Bernard vertelt en wat niet.” 

Je romans spelen zich voornamelijk af in Antwerpen en Oostende. Heeft dat een reden?

“Ik hou ervan mijn verhalen te situeren in mij vertrouwde omgevingen. Het geeft ze voor mij – en naar ik hoop ook wel voor de lezer – een grotere herkenbaarheid en maakt ze ook meer plausibel. Anderzijds wilde ik het contrast laten spelen tussen de wervelende stad en de stilte van de kust ook als metafoor voor de ambiguïteit van de gevoelens van de personages, zoals dat perfect wordt geïllustreerd door de suggestiviteit in de coverafbeelding.”

De cover is van de hand van Quint Buchholz en heeft als titel Fenster Bei Nacht (2009). Een wat surrealistische cover: twee vensters waarachter het licht brandt, een donker venster met daarop het woord ‘ciel’ en een roeiboot die in de wolken vaart. Mooie tegenstelling: dat wat aards moet zijn hangt in de wolken en de hemel/lucht op aarde. Dromen van iets wat onbereikbaar is?  De cover van Luchtgezichten (2013) was ook van Buchholz. Hoe ben je zo bij hem terechtgekomen?

“Ik volg Bucholz al jaren, nog voor hij de omslagillustratie leverde voor Jostein Gardners De wereld van Sofie. Ik raak steeds weer geboeid door zijn nieuwe tekeningen en schilderijen. Ook voor de cover van Opklaringen koos ik een beeld van hem: een man die op een touw waarvan hij zelf het uiteinde in handen heeft op weg naar de maan het evenwicht probeert te bewaren.  Ik hou van de bijzondere, zachte magie van Buchholz’ werk.” 

Ik kwam surfend op internet tegen dat je samen met Peter Terrin en Yves Petry hoort bij een stille generatie auteurs die de schaduwkant van het leven laten oplichten. Is dat zo? 

“Schrijvers worden al te gemakkelijk gegroepeerd of in categorieën ondergebracht, terwijl ze net verschillen van elkaar omdat ze ieder hun eigen, authentieke stem willen hebben. Anderzijds   onderschrijf ik graag het pleidooi van Lukas De Vos voor het stille schrijverschap in zijn recensie van Onvoltooid in Knack. Ik ben geen tafelspringer. Ik ben een verhalenmaker in de luwte. Zoals ik eerder zei: ik ben van jongs af aan altijd al een luisteraar geweest. Ik heb geleerd met weinig woorden veel te zeggen in een beperkte tijd. Het is altijd zo geweest. Het kind is de vader van de man.”     

We begonnen dit interview met het thema eenzaamheid? Ben je pessimistisch gestemd over de wereld? Of is er hoop? 

“Eerlijk gezegd kijk ik met toenemende bezorgdheid naar de ontwikkelingen in de wereld. ‘De wereld is slecht,’ schreef Heinrich Böll al in 1959 in Biljarten om halftien, ‘er zijn zo weinig zuivere zielen’. We zijn nog altijd veel minder goed dan we in onze zelfingenomenheid en aanmatiging vaak aannemen. Ook Bernard heeft daar in Onvoltooid zo zijn ideeën over. Hij spreekt zich uit tegen het neoliberalisme en de groei-economie, maar ook tegen het ethische verval in de journalistiek en de media, tegen commercialisering en vervlakking. De opheffing van de buitenlandredactie bij de kwaliteitskrant waarvoor hij jarenlang heeft gewerkt is daar een exponent van. In veel gevallen treed ik Bernard in zijn groeiende teleurstelling bij. Maar er is altijd hoop. Dat is wat ik blijf geloven. Het is en blijft de mooiste troost. Want het is niet omdat je verliest, dat je overwonnen bent. We zijn in onze kwetsbaarheid nog altijd weerbaar. Schrijven is daar voor mij het allerbeste middel toe. Het blijft een langzame manier van liefhebben – hoe dan ook.” 

Voor het eerst gepubliceerd in Bazarow Magazine