Tovenaarsdochter

Zaterdag, 23 juli, 2022

Geschreven door: Maroesja Lacunes
Artikel door: Jan Stoel

Interview – Maroesja Lacunes over haar boek Tovenaarsdochter

“Ik vertel eindelijk meer over mezelf dan de geijkte antwoorden op de repeterende vraag: ‘Hoe is het toch met Maroesja Lacunes die Tika speelde.’” 

[Interview] De Nederlandse jeugd keek tussen 1972 en 1974 massaal naar het televisieprogramma Tita Tovenaar. Het was een dagelijkse serie. Iedere aflevering duurde ongeveer 5 minuten en werd uitgezonden om 18.45 of 18.55 uur vlak voor de bedtijd van de kinderen. Een bekende zin uit de serie is de tekst waarmee Tita Tovenaar elke aflevering afsloot: “Dat zien we morgen dan wel weer.” Haar vader, Tita Tovenaar, sloot de weekserie af met deze woorden. (In de herhalingen is Tika’s gezongen versie afgevallen). Tika (gespeeld door Maroesja Lacunes; 1945) woont samen met haar vader Tita Tovenaar (een rol van Ton Lensink) in een luchtkasteel hoog boven de wolken. Haar vader is een grote, verstrooide tovenaar en heeft een toverboek met spreuken. Tika leert ook toveren van haar vader, maar dat lukt maar gedeeltelijk door de verstrooidheid van haar vader. Wel kan ze als ze in haar handen klapt, alle mensen op Aarde stilzetten als een standbeeld. Als ze in haar vingers knipt, komen ze weer in beweging en denken ze dat ze hebben geslapen. De serie werd vaak herhaald en behoort tot de iconen van de televisiegeschiedenis. Maar wie is Maroesja Lacunes en wat is er daarna van haar geworden? De autobiografie De Tovenaarsdochter geeft daar antwoord op. Het boek toont de waarheid achter de spotlights. Het grote thema is ‘gezien worden’, ‘erkenning krijgen… Maroesja heeft van haar autobiografie een literair werk weten te maken. 

In 2016-2017 overleden snel na elkaar je broer, je zus en je vader en was je de laatste van het gezin Lacunes. Vijf jaar later verschijnt je autobiografie. Had je die afstand nodig?

“Mijn vader stierf in december 2017. Aan het begin van 2018 begon ik meteen aan deze autobiografie. Het was voor mij pure noodzaak. Ik bleef met zoveel vragen achter, ik wilde helderheid. Ik heb er – met onderbrekingen, onder meer door het zoeken van een uitgever – vier jaar over gedaan. De afstand om tot een afgewogen autobiografie te komen werd gecreëerd tijdens het schrijfproces zelf.”

TijdvoorTijdschriften

Kun je inzicht geven hoe je een en ander aangepakt hebt?

“Ik begon met een levenslijn uit te tekenen op een groot vel papier. Daarna heb ik al schrijvend gezocht in agenda’s, dagboeken, foto’s en ‘relikwieën’ – als bewaarder heb ik genoeg van dat alles – om aan die lijn te kunnen ophangen. Het was vaker zo dat ik me bij een scène foto’s of dagboekfragmenten herinnerde die ik dan opzocht. Dat heeft me geholpen met het terughalen van details en emoties uit een andere tijd. Soms werd ik door het zoeken in een dagboek een periode ingetrokken waar ik voor dit boek niets aan had. Lastiger was het echter de massa aan herinneringen in mijn brein te doseren. In het begin wilde ik zo veel laten meespelen, dat het zou uitdraaien op een boek van 350.000 pagina’s, zonder duidelijke lijn. Ofwel vijf boeken.”

Was je niet bevreesd om aan zo’n grote klus te beginnen? 

“Bang was ik niet, ik moest schrijven. Al vier jaar voor ik eraan begon, werkte ik hiernaartoe. Elke dag schreef ik (autobiografische) verhalen en overzichten met jaartallen en al. Om het gerichter aan te pakken heb ik cursussen gevolgd, online en fysiek. Op de Schrijversvakschool leerde ik Pauline Slot kennen als docente korte verhalen schrijven. Met nog vier schrijvers besloten we haar te vragen ons verder te begeleiden bij de grotere projecten die we ieder begonnen waren. Dat was vlak na Toby’s dood. Dit werd een hechte en vruchtbare schrijfclub. Schrijfwonderen noemen we ons hoopvol.”

En dan moet je nog een uitgever vinden. En de teksten moeten geredigeerd worden, stukken moeten herschreven en geschrapt worden. Hoe is dat gegaan?

“‘Wil je het publiceren’, vroeg Pauline aan me. Ik had drie redenen om daaraan te twijfelen: ‘De zoveelste BN-er te zijn die zo nodig haar levensverhaal publiek maakt’ en ‘Waarom weer Tita Tovenaar tevoorschijn halen?’. Dan de belangrijkste: ‘Ik wil mijn familie niet te kijk zetten’. ‘Dan doe je precies wat je je hele leven hebt gedaan, zwijgen om de anderen te beschermen,’ zei Pauline. Dat raakte me als een hamerslag. Vanaf dat moment wist ik dat ik mijn stem wilde laten klinken. Dat ik nog steeds bekend ben is al absurd en Tita Tovenaar is nu eenmaal op mij geplakt.

Je moet al vroeg in het proces een uitgever zien te interesseren. Mijn eerste ontmoeting was op een debutantenbal met Roel van Diepen van Lebowski. Verbaasd riep hij uit: ‘Wat doe jij hier, je kunt toch overal terecht?!’ Dat gaf moed, Lebowski vond echter toch niet dat mijn verhaal in hun fonds paste. De Arbeiderspers vond mijn verhaal niet literair genoeg. En zo bleef dat gaan, na twee jaar en tegen de dertig afwijzingen: “Goed geschreven maar niet geschikt voor ons fonds”, of “Niet commercieel genoeg”, besloot ik ze te vergeten en eerst mijn boek te voltooien. 

Op dat moment kwam ik via een vriendin in contact met Eus Wijnhoven en zijn uitgeverij GiST – voor schrijvers boven de vijftig met een vracht aan levenservaring. Ik vond dat een geweldig initiatief en bij onze eerste meeting op een zonnig terras in Amsterdam, bleek het meteen te klikken. Hij toonde me zijn werkmethode als redacteur, die ik wel kende, en ik had vertrouwen in hem. Toen Eus uiteindelijk de redactie deed, was ik het over het algemeen met z’n ‘killings’ en aanpassingen eens. Zijn verwachting dat we hierin nog met elkaar zouden botsen, is niet uitgekomen. “

Je hebt een aantal zeer sterke keuzes gemaakt als het gaat om de vorm van je autobiografie. Je schrijft in de tegenwoordige tijd en gebruikt de ik-vorm. Daardoor komt de lezer heel dicht bij je. Het boek bestaat uit vijf delen als ware het een klassiek drama (een vorm die je wellicht vertrouwd is als actrice, maar die tevens het verloop in het verhaal zo treffend karakteriseert). En ik vond het een vondst dat je vaak een hoofdstuk begint met een herinnering, soms een briefje of een foto en dat juist dat een bruggetje vormt naar het verleden. Is dat de invloed van auteur en docente Pauline Slot? Je noemt haar namelijk zo nadrukkelijk in je nawoord.

“De vorm was bij aanvang heel anders: vier hoofdstukken, voor elk gezinslid één. Daarin moest ik wel laveren in de tijd. Een prachtige formule, maar ik kwam er niet uit en de meelezers raakten de weg kwijt. Daarbij was het te vol met namen en details. Na drie jaar heb ik alles omgegooid en koos voor chronologie, tegenwoordige tijd en een manier van schrijven zoals je een verhaal zou vertellen, terug- en vooruitkijkend. Aan de klassieke drama-vorm heb ik niet gedacht, al speelt zich wel een Grieks drama af in mijn verhaal. De ‘literaire trucs’ zijn bewust en intuïtief gebruikt. Wie kent niet het terugblikken vanuit een voorwerp in het heden. Pauline bleek er een naam voor te hebben: vignets. Ik had er behoefte aan en zij knikte goedkeurend. In deze vorm lukte het me steeds intuïtiever te schrijven. Ik voelde me vrijer. Pauline heeft me geholpen mijn eigen stijl te vinden zonder er haar stempel op te drukken.”

Het interessante van een autobiografie is de persoonlijke toets van de auteur. Je bent er in geslaagd om gelaagdheid in je boek aan te brengen. Het centrale thema in je boek is: erkenning, ‘gezien worden’, de moeite waard gevonden worden door je ouders en anderen. Je schrijft op een gegeven moment, na een frustrerende ervaring met de producent van Tita Tovenaar: “Wat willen sommige mannen toch? Mij klein houden, mij van mijn identiteit beroven.” Je ouders hadden zelf last van traumatische gebeurtenissen in hun leven en van een geheim. Ook zij wilden gezien worden, evenals je broer en zus. Je tilt dit thema boven het persoonlijke uit. Het is alsof je mensen wil inspireren vooral nooit op te geven, door te zetten, maar ook elkaar te waarderen. Is dat ook de kern van je boek? Wilde je meer dan een persoonlijk verhaal schrijven?

“Dat hoopte ik zeker. Ik wist dat ik niet alleen schreef over een gezin dat ‘anders’ was, maar over universele, door ieder herkenbare thema’s. Over de ruimte en voedingsbodem die je nodig hebt om te groeien. De stimulerende erkenning van je omgeving. Ja, écht gezien worden dus.”

Het ‘niet gezien’ worden is ook iets van het hele gezin. Vader Toby Rix die met zijn toeterix veel succes had, maar wel altijd gezien werd als een variétéartiest en door collega’s beschouwd werd als ‘schnabbelaar’; die groot wilde zijn, maar eigenlijk nog kind was. Je moeder die artistiek was en graag zong en wilde optreden, maar aan wie die kans werd ontnomen. Bovendien hadden zij hun eigen onverwerkte trauma’s. Je broer die enerzijds succes had, maar anderzijds veel teleurstellingen kende. En je zus Inez waarmee niemand – en in het verhaal blijkt waarom – een relatie op mocht bouwen. Maar er is altijd toch warmte van jouw kant naar hen. Houd je de lezer daarmee een spiegel voor?

“Het raakt me als de lezer zichzelf herkent in mijn verhaal. Ik heb al ervaren dat lezers of mensen met wie ik erover praat, met hun eigen verhalen komen. Iets mooiers kan ik mij niet wensen.”

Je draagt je boek op aan Geertjan. Waarom juist aan hem? 

“Wij waren van jongs af aan elkaars getuigen. Vooral de laatste jaren hebben we eindeloos gedebatteerd over de perikelen in ons gezin. Daar kwamen we lang niet altijd uit. Ik kon hem niet altijd volgen in zijn nauwelijks bedaarde boosheid over zijn vader en hij begreep mijn complexe verhouding met m’n moeder niet goed. Ik zou hem dit graag willen laten lezen. Hij las zelden boeken, maar dit zou hij verslinden.”

Het verleden draag je altijd met je mee. Je hebt veel op eigen kracht moeten doen. In je relaties zocht je vaak bescherming, ben je gevoelig voor aanmoediging, zoek je misschien wel een vader (immers je vaste partners waren altijd ouder in leeftijd). Hoe heb je dat met al die tegenslagen en het uiteenvallen van het gezin kunnen opbrengen?

“Er zijn genoeg momenten in m’n leven geweest dat ik dacht het niet te zullen redden. Het gebrek aan support van een vader, en ook een moeder, heeft daaraan bijgedragen. Het zoeken naar een houvast, een aantal keer – niet altijd – in de vorm van een oudere partner kan daarmee te maken hebben. Het was duikelen, weer opkrabbelen en zelfs vliegen. Het theater, de kunst en ten slotte het schrijven gaven het echte houvast. Hierin voelde ik me gezien. Ook kon ik mijn emoties onder dak brengen en ermee spelen.”

Toch is je boek geen afrekening met het verleden. Je plaatst wat er gebeurt in de tijd. Je toont begrip, bent loyaal aan je ouders, respecteert ze, bent dichtbij hen aan het eind van hun leven. Een duidelijke verhaallijn voor mij is het proces dat je zelf doormaakt in het ‘kijken’, ‘beoordelen’ van je ouders, broer en zus. Het is alsof het werken aan de biografie voor jou een louterend proces is geweest. Kun je iets over die verandering vertellen. Kijk je nu anders naar hen?

“Het schrijven is inderdaad bevrijdend geweest. Dat m’n ouders overleden zijn heeft het afstand nemen ook makkelijker gemaakt. Ik fantaseerde over hun reacties op mijn verhaal als ze nog zouden leven.

Papa: ‘Nee lieverd, dat zie je helemaal verkeerd.’
Mama: ‘Hoe kom je daar nou bij?’
En dan Inez: ‘Ja ja…’
Geertjan: ‘Wat bedoel je daar nou precies mee?’

Het belangrijkst voor mij tijdens dit proces was te ontdekken dat ik mijn eigen ogen en voelsprieten durf te vertrouwen.”

Het viel me ook op dat je soms stevig uithaalt naar bekende mensen. Ik denk aan de zelfgenoegzaamheid van sommige acteurs en de alwetendheid van regisseurs en producers. Ze worden met naam en toenaam genoemd. Heb je hen voorgelegd dat je wat over hen zou publiceren?

“Er is er een die publiekelijk uitspraken heeft gedaan (zoals over mijn vader) zonder mij eerst te vragen wat ik ervan vond. En een die met zijn handelen opzettelijk geprobeerd heeft mijn carrière te verzieken. Daarover heb ik lang genoeg gezwegen.”

Ik vind De Tovenaarsdochter veel meer een autobiografische roman. Je strooit met mooie zinnen en legt mooie verbindingen. Zo komt Willeke Alberti regelmatig terug in de roman op cruciale momenten. Je vader vindt dat je alles op eigen kracht moet doen maar Willeke Alberti is – net als jij – veertien jaar als zij wel in mag vallen voor haar zieke vader. “Vader Alberti is blijkbaar helemaal niet ziek, maar geeft zijn dochter zo kansen om op te treden. Hij helpt haar het vak in. Hij wel.” Meer een roman dan een autobiografie?

“Ik heb een autobiografie geschreven met de intentie die zo goed mogelijk over het voetlicht te laten komen. Daarvoor zijn – ook alweer bewust en intuïtief – techniekjes gebruikt.”

Is het niet enorm frustrerend om steeds maar als Tika van Tita Tovenaar gezien te worden? Je bent toch zoveel meer. Heb je veel last gehad van – je noemt het ook in je boek – het ‘Swiebertje’-effect: geen rol kunnen krijgen omdat men je alleen maar als Tika zag?

“Het is vooral frustrerend geweest omdat ik niet als Swiebertje jarenlang dezelfde rol had gespeeld of bekend was om wat ik verder nog deed, maar om een rol die ik twee jaar in mijn carrière had gespeeld en daarna jaar in jaar uit werd herhaald. Het had niets meer met mij te maken. Die frustratie heb ik achter mij gelaten. Deels door het schrijven.”

Maar toch staat Tika op de cover van het boek. Waarom? Marketing-trucje?

“Ik had oorspronkelijk mijn twijfels. Maar Tika maakt nu eenmaal deel uit van m’n leven en daarover gaat het ook in mijn boek. Een lezeres schreef me: ‘ik ben op de helft met lezen en snap de cover met Tika nu helemaal.’ Tika heeft deuren voor me gesloten en geopend. Nu mag ze helpen een deur te openen naar het lezerspubliek, dat haar eerder zal herkennen dan de vrouw met het rode haar. Een beetje marketing dus.”

En de titel De Tovenaarsdochter? Het valt me op dat als ik naar de inleiding van dit interview kijk er een metaforische vergelijking is tussen Tita Tovenaar en jouw vader. Heeft de titel van je boek een meerledige betekenis? Een titel kies je immers niet zomaar.

“Zeker. Behalve Ton Lensink als mijn tovervader, was ook mijn echte vader, Toby Rix, een tovenaar op toeters. Schrijver Lo Hartog van Banda, ook een magiër met woorden, was Tika’s geestelijke vader. Tenslotte heb ik meerdere dochters gespeeld.”

“En dan doe ik dit [in de handen klappen] en alles staat stil” zei Tika. Jij doet in deze autobiografie het omgekeerde: je klapt (schrijft) en alles komt in beweging. Je speelt constant op een literaire manier met de tovenaarsdochter. Zijn er nog van deze ‘tovermomentjes’ waarop de lezer zou kunnen letten?

“Je brengt me op een idee. Ik klap in mijn handen en zet de boel in mijn atelier stil om te gaan schrijven. Dan had ik in m’n vingers moeten knippen om de boel weer in beweging te zetten, want zo deed die blonde met die vlechtjes dat. Bij de tweede druk dus?”

Je bent je steeds meer gaan richten op de beeldende kunst. Hoe zit het met het gevoel dat je als volgt beschrijft: “Het gevoel nooit te zijn geworden wat we hadden moeten zijn?” 

“Op dit moment gebeurt er beeldend niet veel, door dat schrijven. Ik popel wel om weer te beginnen. Toch zal er even weinig tijd voor zijn. Als kleine uitgever – GiST – en debuterende zeventig plusser, zullen we hard aan de weg moeten timmeren om aandacht te krijgen voor De Tovenaarsdochter. “Het gevoel nooit te zijn geworden wat we hadden moeten zijn” heeft te maken met het belang van succes in ons gezin. Het werd thuis niet hardop gezegd, maar succes, waar mijn vader zoveel van genoot, stond in hoog aanzien. Wij hadden het gevoel dat nooit te evenaren, het nooit ‘gemaakt te hebben’.”

Het eind van je boek is wonderschoon. “Uit een enorme brei aan gevoelens, angsten en herinneringen heb ik een omlijnd en bijna tastbaar beeld gevormd. Mijn beeld. Dat geeft een enorme rust, opluchting. Stabiliteit. Een bodem waarop ik stevig lopen kan in de nog komende jaren.” Opgelucht, gelouterd, acceptatie, reflectie op vroeger. Kijk je nu anders naar het gezin “waar de vruchtbare bodem vergiftigd werd?” Wat heb jij van dit boek geleerd? Kijk je anders naar het gezin waar je deel van uitmaakt?

“Dank je voor het compliment. Misschien kijk ik niet heel erg anders naar het gezin, ik zie het wel helderder omlijnd en vanaf een geruststellende afstand. De boosheid over grote stommiteiten is weg. Om met Annie M.G. te spreken: “Het had zo mooi kunnen zijn, en zo heerlijk en zo fijn, maar ’t is weer hommeles…” Het is fijn in mijn eigen laatste jaren geen last meer te hebben van de verstikkende emoties die onze hommeles opriep. Ook zijn er een paar raadsels opgelost.

En verder: een van de verschrikkelijkste vragen voor een introvert in een (nieuw) gezelschap is: “Vertel eens iets over jezelf.” Toch is iets over jezelf vertellen de beste weg om elkaar te leren kennen. Je geeft er iets mee. Ik vertel in De Tovenaarsdochter eindelijk meer over mijzelf dan de geijkte antwoorden op de repeterende vraag: “Hoe is het toch met Maroesja Lacunes die Tika speelde?” Nu al merk ik wat mijn verhaal losmaakt bij anderen. Ook dat is een cadeau.”

Voor het eerst gepubliceerd in Bazarow Magazine