Waar is Johny?

Woensdag, 25 januari, 2023

Geschreven door: Wannes Peremans
Artikel door: Jef Abbeel

De zoektocht naar een Congolese Belg in Dachau

[Recenie] Johny Vosté (1924-1993) werd geboren in Nizi, Belgisch-Congo. Hij verbleef tussen 1942 en 1945 in verschillende kampen van de nazi’s en leefde na de bevrijding verder In Mechelen, waar hij sinds 1927 gewoond had. Hij was één van de weinige zwarten of half-zwarten in Dachau. Daar zaten tussen 1933 en 1945 ca. 200.000 dwangarbeiders, van wie er 60.000 gestorven zijn.

De moeder van Johny was de Congolees, Fatuma, huishoudster van beroep en 18 jaar), zijn vader een Belgische timmerman van 41 jaar oud. Toen hij drie jaar oud was, nam zijn vader hem mee naar België. Zijn moeder werd achtergelaten en ze hebben elkaar nooit meer gezien.

De schrijver veronderstelt dat zijn moeder nog lang de vraag gesteld heeft: “Waar is Johny?” Idem voor de vader, toen Johny in een kamp zat. Vandaar de titel van het boek (p. 73).

Van 1930 tot 1942 zat Vosté op internaten in Brussel. Eerst op een Franstalige lagere school, dan op een middelbare. Hij kon dus nog geen piloot zijn, zoals de auteur even laat uitschijnen op p. 25, maar hij ontkent het zelf op het einde. Tegelijk zat hij in 1941-42 in Mechelen in het verzet, de reden voor zijn deportatie op 13 mei 1942.

Kookboeken Nieuws

Gevangene
Dankzij zijn talenkennis mocht hij er als tolk optreden. Hij slaagde erin zijn vriend Jean Volckaerts te redden van de gaskamer en anderen van de hongerdood. Johny was niet de enige half-zwarte in het kamp. Er was ook nog een Grieks-Eritrese gevangene (p. 135) en een paar andere niet-blanken van wie geen foto beschikbaar is (p. 157).

Peremans beschrijft hoe de gevangenen hun dagen moesten doorbrengen, hoe ze behandeld werden, hoe ze op zondag de mis vierden met een pastoor uit Laken en hoe ze op 29 april 1945 bevrijd werden.

Na de oorlog trouwde Johny met Rosa Hendrickx. Het koppel bleef kinderloos. Johny was vooral geliefd in het Mechelse uitgangsleven en aan de Costa Brava als vrolijke dandy, zanger en charmante danser. De auteur zegt niet hoe hij een appartement in Spanje kon kopen zonder veel te werken en ook niet waarom Johny nooit op zoek ging naar zijn moeder in Congo. Omdat hij leed aan tuberculose, moest hij veel tijd doorbrengen in sanatoria, maar desondanks bleef hij kettingroken.

Biografie
Wannes Peremans schrijft in de ik-vorm en citeert zijn dialogen letterlijk. Hij is een vlotte en aangename verteller. De volgorde is verre van chronologisch, maar eerder chaotisch: we vernemen zijn datum van overlijden op p. 28, zijn geboortedatum pas op p. 70 en zijn schooltijd wordt op p. 74 verhaald.

Ik mis ook een kaart van Congo (niet iedereen weet Ituri en Kilo-Moto liggen) en ook een kaart van de Duitse kampen die hier genoemd worden (Esterwegen, Mauthausen, Dachau e.a.).

De auteur legt wel goed uit wat het verschil was tussen concentratie- en vernietigingskampen, wat Nacht und Nebel-gevangenen waren, waarom Duitsland overging tot verplichte tewerkstelling.

De bibliografie achteraan is te beperkt. Interessante titels die in het boek voorkomen, staan niet vermeld. Enkele voorbeelden: Ward Adriaens, “Partizaan Storms”(p. 93); Bruno Furch, “Allen Gewalten zum Trotz” (p. 136); Clarence Lusane, “Hitler’s Black Victims” (p. 137); Edgar Kupfer-Koberwitz, “Dachauer Tagebücher” (p. 158-172). Deze laatste was Duitser, maar slachtoffer, geen dader.

Peremans heeft zijn zoektocht grondig uitgevoerd, ook in gespecialiseerde archieven in Duitsland en Amerika. Hij vertelt niet enkel over Johny, maar ook over het verzet, de kampen, het naoorlogse racisme in België. Hij heeft de bijna anonieme Johny uit de vergetelheid gehaald. Deze bleef, ondanks zijn lijden in de kampen, een vrolijk en optimistisch man die zonder wrok door het leven ging.

Voor het eerst verschenen op Jef Abbeel