Boeddhisme voor denkers

Zondag, 10 september, 2017

Geschreven door: Jeroen Hopster
Artikel door: Wolter Huttinga

Levenskunst op zijn Oosters

Recensie van Han de Wit en Jeroen Hopster: Boeddhisme voor denkers.  

De schrijvers

Han de Wit (1944) is psychologisch onderzoeker en diep ingewijd in Boeddhistische visies en meditatie. Met name over de combinatie van psychologie en Boeddhisme schreef hij vele boeken. Hij wordt wel de éminence grise van het Nederlandse Boeddhisme genoemd. Jeroen Hopster (1987) is filosoof en historicus. Hij schrijft als journalist onder andere voor Filosofie Magazine, Vrij Nederland en NRC Next.

Thematiek

Hereditas Nexus

Boeddhisme beschouwen we vaak onder het kopje ‘esoterie’ of ‘spiritualiteit’. Dit boek bekijkt de boeddhistische leer nu eens vanuit het perspectief van de filosofie. Dan blijken boeddhistische inzichten ineens heel verwant met tal van vraagstellingen én oplossingen uit de Westerse filosofische traditie. Het boek zoekt op deze manier het gesprek tussen boeddhistische en Westerse filosofische visies op het zelf, op kennis, op de vraag wat schijn en werkelijkheid is.

Heel slim leggen de auteurs de verbinding tussen boeddhisme en filosofie via het woord ‘levenskunst’: een woord dat in recente populaire filosofie veel wordt gebruikt en dat openheid belooft naar velden als spiritualiteit en zingeving.

Interessante vragen

Ondanks dat het boek een soort ‘gesprek’ tussen boeddhisme en Westers denken wil voeren, blijkt toch vooral dat het boeddhisme voortdurend de grenzen van het Westerse denken bevraagt. Wil je ‘boeddhistisch denken’, dan ontkom je er niet aan de armoe in te zien van een hoop strikt rationeel, analytisch Westers gedachtengoed dat vooral uit is op conceptuele verheldering. Vanuit een besef van de onzekerheid en de leegte van onze talige concepten schept het boeddhisme ruimte voor een vorm van kennis die veel meer aan ervaring verbonden is.

Het is natuurlijk de vraag of met deze kritiek ‘de’ Westerse denktraditie wordt weergegeven, of eerder een rationalistische karikatuur die het van zichzelf gemaakt heeft. Als dit boek het boeddhisme presenteert als fundamenteel twijfelend en onwetend over de essentie van dingen, maar wel met een intuïtieve, empirische kennis (heel goed toe te passen op de vraag: “weet jij wat liefde is?”), dan lijkt dit gewoon heel erg veel op de benadering van de negatieve of apofatische theologie, een niet te onderschatten context waarin toch ook gewoon het Westerse denken is geboren en getogen.

Mooiste zin

Prachtig is de zin, toegeschreven aan Dharmakirti, waarin ‘Westerse ratio’ en ‘Oosterse ervaring’ worden verzoend: “Conceptuele kennis kan spreken, maar is blind. Perceptuele kennis kan zien, maar is stom.” Een zin als deze kan symbool staan voor de stijl van het hele boek: beknopt, kraakhelder en tot nadenken stemmend.

Reden om dit boek niet te lezen

Het boek is wel heel erg bezig met al die tobberige epistemologische vragen: wat is kennen, hoe weet je zeker dat iets echt is, enzovoort. Nu is het zo dat de academische blik op de geschiedenis van de filosofie jarenlang door deze vragen is gevormd, maar is het nu juist niet een bevrijdend boeddhistisch inzicht dat we ons daar ‘niet zo druk over hoeven maken’? Of werp ik me dan te naïef in de schoot van de esoterie? Boeddhisme lijkt me in het Westen namelijk juist een sport voor denkers die het denken moe zijn. Die blij zijn dat ze even op een kussen mogen zitten en ervaren dat ze ademhalen en ‘in het hier en nu’ zijn, dat ze een lichaam hebben en dat het ‘zo goed is’. Dit boek zegt dan toch uiteindelijk: werp mij maar weg en ga mediteren.

Verder mis ik enkele usual suspects van de Westerse filosofie die er toch gewoon in hadden moeten staan: als het gaat om de onvolledigheid van talige concepten moet je toch de late Wittgenstein noemen met zijn ‘ladder van de taal’ die je uiteindelijk wegduwt. En waar het gaat over het ‘verdwijnende ik’ dat je in het boeddhisme kunt leren zien als een mentale constructie kan ik niet anders dan aan Foucault denken met zijn aankondiging van het ‘einde van de mens’.

Reden om dit boek wel te lezen

Oeps, nu zit u als religieus geïnteresseerde ineens aan de verkeerde kan van de scheidslijn: dit boek blijkt veel meer over filosofie te gaan dan over religie. Geen probleem, als u houdt van filosofische doordenking van het religieuze is dit een heerlijk werkje. Het is zeer prettig en helder geschreven en in al z’n beknoptheid roept het prachtige vragen op: wat geeft een religie als het boeddhisme precies ‘te denken’? Hoe ziet onze Westerse denktraditie er eigenlijk uit en wat zijn de grenzen van haar mogelijkheden?

Eerder verschenen in Trouw