De wilde vaart

Maandag, 6 juni, 2022

Geschreven door: Tessa Leuwsha
Artikel door: Michiel van Kempen

Het onheil trotseren

[Recensie] De titel van het nieuwe boek van Tessa Leuwsha, De wilde vaart, zou menig lezer nog wel eens op het verkeerde been kunnen zetten. Want met ‘de wilde vaart’ wordt normaal gesproken de vorm van vrachttransport bedoeld zonder een vooropgezette route: de schipper pikt vracht op waar die aangeboden wordt, transporteert die en vaart vervolgens weer naar elke andere bestemming die hem werk oplevert. In Tessa Leuwsha komt daarvan wel iets terug, maar er resoneert nog een heel andere betekenis mee: de Wilde Kust – de oude benaming voor het kustgebied van de Guyana’s, dat vanwege zijn mangrovebossen, zijn sterke Amazonestroming en het voortdurend aanslibben van zand eeuwenlang als gevaarlijk en onvoorspelbaar gold.

In dat kustgebied, en dan in het bijzonder dat van het stroomgebied van de Surinaamse rivieren Commewijne en Suriname, speelt Leuwsha’s De wilde vaart zich af. Het is een reisverslag, een non-fictieboek dus, na een aantal fictie- of half-fictie-boeken van de auteur. Het boek werd ons lezers geschonken door niemand minder dan Mister Corona himself. Wat was er gebeurd?

Corona
In de eerste maanden van 2020 werd een flink deel van de wereld overvallen door een compleet onbekend virus, waarvan de naam ons nu, twee jaar later, even vertrouwd is als de griep en de malaria: Covid-19 oftewel Corona. Ook in Suriname sloeg het virus toe, met dezelfde onberekenbare golfslag als in alle andere landen. Voor Tessa Leuwsha en haar man, kunstenaar en toerisme-ondernemer Sirano Zalman, bracht het grote zorgen. Zij hadden net een flink risico genomen door te investeren in twee toerismeprojecten: het eiland Danpaati diep in het Surinaamse binnenland aan de Boven-Suriname en de herbouwde plantage Frederiksdorp aan de Commewijnerivier. Maar van de ene dag op de andere sloten de grenzen, ging de samenleving in lock-down en droogde de toeristenstroom op.

Onder het motto: laten we eens iets geks doen nu het kan, besloot het echtpaar terug te gaan tot de basics van hun jongere jaren: een tocht met een eenvoudige garnalenvissersboot door de zwampen en rivieren van Suriname. Veel hoefde er niet mee: een buitenboordmotor en enkele kannen brandstof, enkele dekzeilen, twee hangmatten, wat mondvoorraad en blikjes bier, en nog zowat eenvoudige zaken. Het kon, nu er geen kleine kinderen meer waren om voor thuis te blijven. Het werd een terugkeer tot vóór het bestaan met alle zorgen rond een bedrijf met personeel, tot vóór het punt dat Sirano en Tessa zich langzaam voelden wegzakken in sleur en de strijd om de vervulling van de dagelijkse plichten. En de lezer mocht mee op reis met de ‘riviercowboys’.

TijdvoorTijdschriften

Gevecht met de elementen
Het werd geen lange reis, maar wel een intense, een reis in gevecht met de natuur en de elementen, met de verraderlijke oceaan- en rivierengetijden, met hoosbuien en niet al te grote beesten die in het tropisch regenwoud soms verdomd vervelend kunnen zijn. Eerst gaat het vanuit Paramaribo over de Surinamerivier tot aan de samenvloeiing met de Commewijne nabij Nieuw-Amsterdam, vervolgens tot aan de plantages Alliance en Bakkie, dan via de Warappakreek noordwaarts naar de oceaan, en dan buitenom weer de Surinamerivier in en langs tal van aanlegplaatsen stroomopwaarts tot aan de ruïnes van Jodensavanne, het inheemsendorp Redi Doti en de begraafplaats bij Cassipora.

Het mooie van de tocht is dat stuurman Sirano Zalman nergens kan aanleggen of hij kent er wel mensen, en wie mensen kent komt thuis met mooie levensgeschiedenissen, mooie verhalen over taai overleven en eenvoudig geluk. Zalman heeft verschillende van hen ook indrukwekkend op de foto gezet. Tessa Leuwsha vlecht virtuoos door haar verhaal ook haar eigen relaas over haar kwarteeuw leven in Suriname, over haar eigen Surinaamse vader – de jointjes rokende jazzliefhebber – en over de man van weinig woorden die haar naar Suriname wist te halen: Sirano, die in de wildernis al het Indianenbloed laat spreken dat voor een praktisch ondefinieerbaar percentage óók door zijn aderen vloeit. En met enkele Intermezzi worden ook plaatsen in beeld gebracht die niet op de vaarroute liggen, zoals het Saramakaner gebied rond Danpaati.

Door die persoonlijke verbondenheid tot in alle vezels met het land dat zij bereizen, verrijst er een ander beeld op dan in andere reisverslagen van Suriname. Zeker, de schrijfster licht – kennelijk met het oog op lezers die het land niet kennen – veel toe dat voor de doorgewinterde lezer over Suriname al lang gesneden koek is, maar het reisparcours is dat allerminst. De plantage Margarita, de Warappakreek, de sinaasappelplantage Laarwijk, de Surnaukreek naar de Kaimangrasizwamp met zijn bijna onzichtbare toegangspoort, vlekjes op de kaart als Toledo en Libanon: men zal ze tevergeefs zoeken in andere reisboeken. En Leuwsha schrijft voortreffelijk. Je leeft mee met de bijna-paniek in de zwamp als het getij zó plots verandert dat de mensen vast dreigen te raken en de nacht moeten doorbrengen in een vochtig en heet moerasgebied, lekgestoken door miljoenen muskieten. Zij heeft oog voor tal van details die de vreemde reiziger over het hoofd zal zien, en zij heeft ook een sterke drang om met de niet-rationele en vaak mythologische voorstellingen van de mensen mee te gaan. (Des te opvallender is het dat deze uitstekend geïnformeerde ‘reisleidster’ die in haar voorlaatste boek over de Hindostanen schreef en die ook een toeristengids van Suriname op haar naam heeft staan, op pagina 29 uitglijdt en het Sarnámi ‘een afgeleide van het Hindi’ noemt; er zijn inmiddels toch bronnen te over die uitleggen dat het Sarnámi is gebaseerd op Noord-Indiase talen als het Bhojpuri en het Avadhi, en juist níet op het Hindi).

Het enige hoofdstuk dat uit de toon valt in dit met vaart en verve geschreven boek, is merkwaardig genoeg dat over de opstandelingenleider Broos, die ons op pagina 154 even relaxt als waakzaam en zelfbewust aankijkt vanaf een foto van Selomoh del Castilho van ongeveer 1870. Dat hoofdstuk is opeens in een veel eenvoudiger taal geschreven, met nogal naïeve dialogen en kinderlijke zinnetjes; het lijkt wel alsof hier een tekst is ingevoegd die bestemd was voor het basisonderwijs.

Wat de zin is van die hele tocht, deze herneming van een jeugdavontuur? Dat leren hen de Inheemsen, zoals het bijna aan het einde van het boek staat opgetekend: ‘En nu heerste er dat onzichtbare en tegelijk verwoestende virus. De Inheemsen waren onder die lawine bedolven geraakt en ze hadden zich telkens weer opgericht. Buigen, niet barsten. Misschien moesten Sirano en ik het onheil gewoon trotseren, er niet voor weglopen. Het zou overwaaien, een andere vorm aannemen. Zoals alles uiteindelijk.’

En overgewaaid is het. Met dank aan Mister Corona voor dit mooie boek. Ik heb er misschien wel het meeste plezier aan beleefd van al Leuwsha’s boeken.

Eerder verschenen op Caraïbisch Uitzicht