"Ik heb altijd gedacht dat het Paradijs een soort bibliotheek zou zijn" - Jorge Luis Borges

Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal & Stilte is mijn moedertaal

Vrijdag, 14 mei, 2021

Geschreven door: Mira Feticu
Artikel door: Marnix Verplancke

Taal en identiteit

Vijftien jaar geleden verhuisde Mira Feticu van Roemenië naar Nederland en nam ze zich voor alleen nog in het Nederlands te schrijven. In 2009 ruilde de Eritrees-Ethiopische vluchteling Sulaiman Addonia Londen in voor Brussel, waar hij een tweede Engelstalige roman schreef. Een dubbelinterview over taal, identiteit en thuiskomen in de literatuur.

[Dubbelinterview] “Ik was getrouwd met een Nederlandse man en we hadden een dochter van twee toen ik naar Nederland kwam,” vertelt Mira Feticu, de van geboorte Roemeense schrijfster die al vijftien jaar in Den Haag woont. “Ik zag hoe snel zij Nederlands leerde en ik werd bang dat ze zich later zou schamen over haar moeder. ’s Avonds las mijn man mijn dochter voor, wanneer ze naar bed ging. Ik hoorde haar lachen tot in de woonkamer en voelde het gewicht van de hele eerste verdieping van ons huis op mijn hoofd drukken. Wie ben ik wanneer ik de verhalen niet begrijp die mijn kind aan het lachen maken, vroeg ik me af. Ik voelde me dom. En dat terwijl ik juist wou tonen dat ik iets te vertellen had, dat ik in Roemenië schrijfster was geweest en dat ik dat in Nederland ook kon zijn. Dat was mijn belangrijkste drijfveer om Nederlands te leren. En het moest ook snel gaan. Ik wierp er me obsessioneel op. In die zin heeft Sulaiman een voordeel, denk ik. België heeft meerdere officiële talen. Meertaligheid is er normaal, terwijl Nederland maar een officiële taal heeft, en als je die taal niet spreekt, leef je in een bubbel.”

De Sulaiman waar Feticu het over heeft is Sulaiman Addonia, zoon van een Ethiopische vader en een Eritrese moeder. Hij was twee toen in Eritrea de vlam in de pan sloeg over wie het in het land voor het zeggen had. Zijn vader was toen al vermoord en zijn moeder nam haar kinderen mee naar Soedan, waar ze in een vluchtelingenkamp belandden. Later volgde Saoudi-Arabië en op zijn vijftiende belandde Addonia in Londen, waar hij studeerde, zijn eerste roman schreef en de Vlaamse Lies Craeynest ontmoette, de vrouw van zijn kinderen.

“Ik begrijp Mira volkomen,” reageert Addonia op Feticu’s verhaal wanneer we met ons drietjes voor de Zoom zitten. “Ik ben in 2009 naar Brussel gekomen, samen met Lies. Onze zoon is hier geboren. Aanvankelijk leerde ik hem Arabisch, met het idee in het achterhoofd dat we misschien ooit terug naar huis zouden gaan en hij dan met mijn moeder zou kunnen spreken, maar ik merkte dat hij dat niet wou. Nederlands leerde hij daarentegen wel, ook op school, en op een dag kwam het zo ver dat wanneer we samen winkelden, ik vreemden moest vragen om het Nederlands van mijn zoontje te vertalen voor mij. Dat was pijnlijk. Die dag hebben mijn vrouw en ik besloten om van het Engels onze familietaal te maken. Hij spreekt nu perfect Engels.”

Boekenkrant

Zowel Feticu als Addonia hebben net een boek uit. Zij heeft het in Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal over haar worsteling met het Nederlands en de Nederlandse cultuur. Addonia’s Stilte is mijn moedertaal speelt in een vluchtelingenkamp en toont dat er naast geweld en frustratie ook lust en liefde heersen. Waar er heel wat bruggen te slaan zijn tussen de twee boeken, is er ook een opvallend verschil. Zij wou van bij aanvang Nederlands schrijven, terwijl hij het bij Engels hield. “Ik leerde Engels voor ik begon te schrijven,” legt Addonia zijn drijfveren uit “Ik was vijftien toen ik in Groot-Brittannië belandde en sprak die taal dus al jaren voor ik begon te schrijven. In mijn hoofd had het Engels mijn vroegere talen al weggedrukt, het Tigrinya van mijn moeder, het Amhaars van mijn vader en het Arabisch dat nadien mijn moedertaal werd. Pas nadat ik in Londen mijn master had afgewerkt besliste ik om schrijver te worden. Om dat in een andere taal te doen dan het Engels zou gewoon niet goed aangevoeld hebben. Je moet schrijven in de taal die je het best beheerst, en dat was het Engels.”

Feticu: “Dat doet me denken aan Joseph Conrad, van geboorte Pools, maar schrijvend in het Engels. Ook hij zei dat het geen keuze was geweest, maar dat de situatie die taal aan hem had opgedrongen. Voor mij was het anders. Ik heb er echt voor gekozen om in het Nederlands te schrijven. Ik herinner me zelfs nog precies wanneer ik dat besliste. Het was de dag nadat ik een lezing van Kader Abdolah had bijgewoond. Binnen het half uur maakte hij een hele zaal vrouwen gelukkig, wat hun man nooit gelukt was, en ik zei tegen mezelf: dat kan ik ook, en misschien nog wel beter. Ik wou de magie vangen. Ik kon niet beweren dat mijn voorouders keizers waren, zoals Abdolah deed, want de mijne zijn arme boeren, maar ik kon de magie wel opwekken, en dat zou ik in Nederland alleen in het Nederlands kunnen. En dus ging ik zitten en schreef ik drie korte verhalen op een dag, in het Nederlands.”

Zie je je dat ook doen, Sulaiman?

Addonia: “We worden omringd door heel veel talen, of we nu in ons geboorteland blijven of verplicht zijn asiel te zoeken in een ander. Je existentie herleiden tot je taal is reductionistisch. Stilte is mijn moedertaal, zoals de titel van mijn boek luidt. Eens je je daarvan bewust bent, is het makkelijker om in een andere dan je moedertaal te gaan schrijven. Je kan het vergelijken met verliefd worden. Het maakt niet uit welke huidskleur, religie of taal de ander bezit. Mijn partner is Belgisch. Ik werd verliefd op haar en volgde haar naar Brussel. Het is zo gegaan, maar ik had ook verliefd kunnen worden op iemand anders, en dan was mijn leven helemaal anders verlopen. Zo is het ook met schrijven, dat is ook een uiting van liefde. Ik ben heel gelukkig dat ik in het Engels kan schrijven. Ik kan er zaken mee doen die Engelsen misschien niet zouden kunnen, omdat ze een heel andere achtergrond hebben. Ik zie betekenislagen die zij niet zien. Wanneer je een nieuwe taal leert is het alsof je in een nieuwe stad komt. Je kijkt rond, neemt bepaalde elementen op en je ziet details waar de lokale bevolking overkijkt, omdat ze die als vanzelfsprekend beschouwen.”

Feticu: “Ik ben opgegroeid onder de dictatuur in Roemenië. Het Roemeens werd besmet door de ideologie en de taal verloor haar onschuld. Na het verdwijnen van Ceausescu, toen duidelijk werd wat er gebeurd was met politieke tegenstanders van het regime, begreep ik pas hoe ingrijpend dit was geweest. Ik moest daarom vasten in de taal. Ik kon die niet meer onbevangen gebruiken. Mijn moedertaal was toen ook de stilte. Wellicht heeft dat ook meegespeeld in mijn beslissing om niet langer in het Roemeens te schrijven.”

Het Nederlands was dus ook een bevrijding?

Feticu: “En een daad van verraad, want ook wanneer je ontdekt dat je moeder een misdadigster is, hou je nog van haar.”

Addonia: “Mijn hele leven ben ik gedwongen geweest om mijn land te verlaten. En daarmee ook mijn taal. Fantastisch, zouden sommigen misschien denken, al die nieuwe talen, maar meertaligheid heeft ook een keerzijde. Wanneer je een nieuwe taal leert, verlies je een oude. Dat was ook zo toen ik van Londen naar Brussel verhuisde. Aanvankelijk weigerde ik daarom om Nederlands of Frans te leren. Ik was doodsbang dat ik mijn Engels zou verliezen in Brussel, en daarmee ook de mogelijkheid om te schrijven. Fysiek zat ik toen misschien wel in Brussel, maar mentaal was ik in Londen gebleven.”

En vandaag?

Addonia: “Vandaag denk ik dat mijn Engels sterk genoeg is om aan de druk van het Nederlands te weerstaan en ben ik Nederlandse les beginnen volgen. Het is fantastisch, al die mensen, jong en oud, van over de hele wereld, die weer even kind mogen zijn. Want dat is wat een nieuwe taal leren in feite is, opnieuw kind worden. We maken allemaal fouten en lachen er samen om. Dat is nieuw voor mij. Het leren van een taal ging in het verleden immers altijd gepaard met het trauma van het moeten vluchten en verhuizen.”

Feticu: “Dat ken ik, die fouten. Toen ik de bibliotheek van De Haag werkte kwam op een dag een collega op zijn werk met een wondje op de wang. “Daar moet je zalm op doen,” zei ik bezorgd. Ik bedoelde natuurlijk zalf, maar de man dacht dat het iets Roemeens was en dat hij echt zou genezen van een stuk zalm op zijn wang. Ik lachte daar wel mee, maar vond het vooral ook gênant.”

Had je ook het gevoel dat je samen met het Roemeens heel wat andere zaken achterliet?

Feticu: “Ik heb in Roemenië een onvoltooid leven achtergelaten. Je neemt gedichten mee die je wanneer je verdrietig bent in het Roemeens in je hoofd opzegt. Je neemt dromen mee. Ik ben de afgelopen week ziek geweest en ik heb iedere nacht over mijn kindertijd gedroomd. Je neemt veel mee, maar niets wat je kan troosten. Het is een pijn die je je hele leven met je meedraagt. Een groter offer bestaat in feite niet. En ik heb het gedaan voor de liefde van een man en een kind. We roeien met de riemen die we hebben, zeggen we in het Nederlands, en iets anders zit er inderdaad niet op. Zitten huilen heeft geen zin, ook al huil ik nog vaak. Ik heb mijn schaduw achtergelaten in Roemenië, en ik moet hier groter worden dan die schaduw, om het gevoel te krijgen dat ik het juiste heb gedaan.”

Addonia: “Ik heb mijn hele leven niets anders gedaan dan stukken van mezelf achterlaten. Mijn kindertijd, mijn vrienden, alles wat me ooit dierbaar was. Nog voor de leeftijd van vijftien was ik een vluchteling op drie verschillende continenten. Achterlaten is de kern van mijn bestaan. Vandaar dat mijn relatie met taal gebaseerd is op verliezen en winnen. Ik weet het, net zei ik nog dat ik denk dat mijn Engels sterk genoeg is om aan de druk van het Nederlands te weerstaan, maar een deel van me beseft dat dit misschien toch niet zo is, en dat ik ook dat Engels zal kwijtraken, maar wat dan nog? Door Nederlands te leren ontwikkel ik niet alleen inzicht in een nieuwe taal, maar ook in het leven van mijn zoon.”

Feticu: “Ik denk dat wij een soort daklozen zijn. Ik heb al in 42 huizen gewoond, en ik weet dat ik nooit een thuis zal vinden. Mijn dochter is ook een soort nomade aan het worden, merk ik, door mij, en dat vind ik jammer. Ik heb het leven geaccepteerd zoals het op me afkwam, maar ik heb dat ook aan mijn kind gegeven, en dat was niet de bedoeling. Voor een thuisloze kan een taal een thuis zijn. Zo zat ik ooit vast op een Roemeens vliegveld. Ik wilde terug naar mijn gezin. Rondom mij hoorde ik alleen Roemeens en Russisch, tot ik opeens iemand Nederlands hoorde praten in zijn gsm. Toen riep ik enthousiast: “Een Nederlander!” Die taal gaf me het gevoel alweer een beetje thuis te zijn.”

Addonia: “Mensen die niet ervaren hebben wat het betekent om van de ene taal op de andere te moeten overstappen beseffen onze liefde voor een bepaalde taal wellicht niet, zoals mijn liefde voor het Engels. Ik ken de geschiedenis van die taal die nauw verbonden is met het Britse imperialisme. Ik weet welke wreedheden er in het verleden begaan zijn door mensen die Engels spraken. Maar die imperiale geschiedenis heeft er ook voor gezorgd dat het Engels heel veel woorden overgenomen heeft uit andere talen, uit het Perzisch bijvoorbeeld, het Arabisch en wellicht zelfs het Roemeens. Engels is dus geen zuivere taal, het is de taal van de reiziger en de man die nooit thuiskomt, mijn taal dus.”

Wat denken jullie van overheden die migranten verplichten om de taal van hun nieuwe gastland te leren?

Feticu: “Ik vind het belangrijk dat migranten de taal van hun nieuwe land leren en niet in hun bubbel blijven zitten. Je moet begrijpen waar je bent, wat je buurvrouw te zeggen heeft en wat je rechten zijn. Dat weet je alleen als je de taal spreekt. Je moet de taal aan je zijde hebben, dus ik vind verplichting een goed idee. Als migrant moet je het trouwens eerder als een kans dan als een verplichting zien, vind ik.”

Addonia: “De grote meerderheid van de migranten leert de taal van hun nieuwe gastland sowieso. Alleen de oudere generaties hebben het er moeilijk mee, en sommigen zoals ik die een geschiedenis van meerdere migraties achter de rug hebben. Het is dus niet nodig om er een verplichting aan te verbinden. Ik ben in Brussel nog niemand tegengekomen die weigerde Frans of Nederlands te leren. Bovendien staat je ergens thuisvoelen los van de taal die je spreekt. Ik voel me Brussels, ook al ben ik nu pas Nederlands aan het leren. Ik woon en werk hier en ben met een eigen literair festival begonnen, het Asmara-Addis Literary Festival in Exile, dat door de stad erkend en gesubsidieerd wordt. Het doel van dat festival is tonen dat er in Brussel niet een dominante taal is. De laatste editie van het festival ging door in een stuk of tien talen. Ik ben Brussels omdat ik hier vrienden heb die Nederlands en Frans spreken, maar ook Engels, Arabisch of Portugees.”

In Stilte is mijn moedertaal zegt Saba dat ze gelooft dat je je land misschien wel achter je kunt laten, maar dat je tradities altijd bij je blijven. In hoeverre steunen die tradities op de taal van het verlaten land, denk je?

Addonia: “Ik denk dat er een constante wisselwerking gaande is. De taal bewaart de tradities, maar ze stelt ze ook in vraag en vernieuwt ze. Ik ben trots op mijn afkomst, maar ik zie me nog niet meteen de oude familiale tradities in ere houden. Ik leef in een andere tijd en op een andere plaats. Toen ik als tiener in Jeddah woonde, gaf mijn broer me gesmokkelde literatuur om te lezen. De boeken die je er toen kon lezen toonden stereotype beelden van de wereld, heel zwartwit. Mijn broer slaagde erin boeken van Victor Hugo, de Soedanese Tayeb Salih en de Egyptische feministe Nawal El Saadawi te bemachtigen. Door die te lezen begonnen mijn tradities te glijden. Ik las Kafka en bekeek de wereld als een jood. Daarna las ik Dickens en kreeg ik het perspectief van een negentiende-eeuwse Christen. Ik ben dus niet alleen gevoed door de Engelse literatuur, maar ook door de Duitse en de Italiaanse. Mensen die zich bezighouden met kunst zijn bereid hun tradities in vraag te stellen. Vandaar dat ik zo gek ben op literatuur, omdat ze me uitdaagt. De literatuur geeft me geen toegang tot een bepaalde traditie, maar tot heel veel verschillende tradities, en dat maakt haar zo waardevol.

Ik heb woonplekken verloren en ik heb talen verloren. Er was echter maar een zaak die onophoudelijk bij me bleef, en dat was de literatuur.”

Feticu: “Literatuur staat inderdaad boven alle talen. Wanneer ik binnenin een boek zit, weet ik ook niet meer in welke taal ik schrijf.”

Mira Feticu (1973, Breaza, Roemenië)

1993: debuteert met poëzie, later volgen een bundel korte verhalen en een roman.
2006: verlaat met haar Nederlandse man en haar dochtertje van twee Boekarest om voortaan in Den Haag te gaan wonen. Ze gaat er voor de stadsbibliotheek werken en beslist alleen nog in het Nederlands te zullen schrijven.
2012: Lief kind van mij verschijnt, haar eerste in het Nederlands geschreven boek. Nadien volgen er nog vijf.
2018: wordt het slachtoffer van een hoax waarbij ze samen met Frank Westerman naar een Roemeens bos gelokt wordt waar een gestolen Picasso verstopt zou zitten. Ze schrijft er Picasso’s keerzijde over.
2021: schrijft in Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal over emigratie, het ontdekken van een nieuw land en het leren van een nieuwe taal.

Sulaiman Addonia (1975, Om-Hajer, Eritrea)

1977: komt omwille van de oorlog in Eritrea samen met zijn grootouders, moeder, broer en zusje in een vluchtelingenkamp in Soedan terecht. Later verhuist hij naar Jeddah, in Saoedi-Arabië, waar zijn moeder een job heeft gevonden.
1990: emigreert samen met zijn twee jaar oudere broer naar Londen, waar hij economie en ontwikkelingsstudies volgt aan University College.
2008: debuteert met de roman The Consequences of Love, inmiddels vertaald in 20 talen.
2009: verhuist met zijn partner Lies Craeynest naar Brussel, waar ze nog steeds wonen, samen met hun zoon en dochtertje. In Brussel organiseert hij het Asmara-Addis Literary Festival in Exile en richt hij een schrijfacademie voor vluchtelingen en asielzoekers op.
2019: Publicatie van zijn tweede roman, Silence is my Mother Tongue, vertaald als Stilte is mijn moedertaal (2021). In 2023 verschijnt zijn derde boek, The Seers, dat hij tijdens de lockdown van maart vorig jaar op drie weken tijd zittend aan de grote vijver van Elsene op zijn iPhone schreef.

Eerder verschenen op Knack