Lof van de combinatie

Zondag, 26 juni, 2022

Geschreven door: Carel Peeters
Artikel door: Arnold Heumakers

Carel Peeters wil de tegenstrijdige rijkdom van het leven vangen

Literair criticus Carel Peeters schreef een kloeke verzameling vlot geschreven en van onvermoeibare nieuwsgierigheid getuigende ‘kronieken en essays’.

[Recensie] Al meer dan vijftig jaar is Carel Peeters actief als literair criticus. Hij begon bij Elseviers Weekblad toen dat nog een heus Literair Supplement had, maar zijn bekendheid dankt hij vooral aan Vrij Nederland, waar hij jarenlang de legendarische Republiek der Letteren bestierde. Nog altijd schrijft hij voor Vrij Nederland. Elke week kunnen we zijn – grotendeels digitaal verspreide – literaire kroniek lezen. Bij niemand krijg je zozeer de indruk dat hij het allemaal ‘bijhoudt’ en wekelijks een parel uit de voorraad uitkiest. Ruim vijftig kronieken zijn nu gebundeld onder de titel Lof van de combinatie. Een kloeke verzameling vlot geschreven, informatieve en van onvermoeibare nieuwsgierigheid getuigende ‘kronieken en essays’.

Zo leer je iemand kennen. Aan de hand van deze bundel zou je Peeters’ ‘ideografie’ kunnen samenstellen – zíjn term voor het portret van iemands denkwereld. In die van Peeters heerst een opmerkelijke consistentie. Ditmaal staat de ‘combinatie’ centraal, direct afgeleid van de Ars Combinatoria die in de inleiding wordt omschreven als het ‘metier van de essayist’. In het verleden was het sleutelwoord de ‘paradox’ of ‘dit heerlijk zwalken’ of ook wel ‘het hoofd én het hart’. Steeds gaat het om de combinatie van tegengestelden. Alleen zo bestaat er een kans de tegenstrijdige rijkdom en diversiteit van het volle leven te vangen. Daar is het Peeters om te doen.

Postmoderne mannen
In Lof van de combinatie keert hij zich tegen de ‘man uit één stuk’. Inmiddels alweer dertig jaar geleden trok dezelfde Peeters in naam van het ‘karakter’ ten strijde tegen de postmoderne mannen en vrouwen ‘zonder eigenschappen’. Opnieuw een tegenstrijdigheid of op z’n minst een paradox? Ongetwijfeld. Deze criticus belichaamt wat hij betoogt. Maar dat karakter is intussen wel degelijk een realiteit; dat bewijzen de vaak zelfverzekerde standpunten die Peeters inneemt. Tot in de afdelingen van de bundel, met namen als ‘Affiniteiten’ en ‘Niet door één deur’, wordt duidelijk wat hij van de besproken personen en hun ideeën vindt.

Wordt Vervolgd

Onbekrompen is de lof voor Menno ter Braak, bij wie Peeters de speelse ‘puber’ in de serieuze essayist opzoekt. Dat hij weinig ziet in het conservatisme van Andreas Kinneging of Roger Scruton, hoeft niet te verbazen bij een medewerker van Vrij Nederland. Minder voor de hand ligt zijn afkeer van Roland Barthes’ ‘dood van de auteur’, het idee dat de schrijver en diens intenties er voor de interpretatie van literaire teksten niet toedoen – volgens Peeters “een literaire moord en een schande voor de geesteswetenschappen”. Maar hier spreekt het bedreigde ‘karakter’ vast een stevig woordje mee. Nietzsche daarentegen wordt wel erg vlot vrijgepleit van alles wat Peeters in zijn denken niet bevalt, volgens het opportunistische principe dat je je bij deze ‘radicale geest’ van diens ideeën moet “bedienen in zoverre het je uitkomt”. In een genereus essay over zijn vroegere pestkop Hugo Brandt Corstius laat hij niet na te vermelden dat deze “geen goede criticus” was – anders dan de auteur van dit essay, vult de lezer in gedachte aan.

Ook dat onthult iets over Peeters’ ideografie. Het is evident dat hij in het politieke spectrum ter linkerzijde staat, zij het niet aan extreem-linkse zijde, getuige zijn afwijzing van Willem Schinkel en diens “half krankzinnige hersenspinsels”. Zijn lof van de ‘combinatie’ zet hij bovendien uitdrukkelijk af tegen het modieuze en welhaast verplichte ‘verbinden’ – het eerste houdt de spanning in stand, het laatste wist die uit. Maar dat het ook weer niet te spannend mag worden, blijkt uit het laatste stuk van de bundel (dat onder meer de ‘collectieve dwang’ op de sociale media tot onderwerp heeft), want daarin keert Peeters zich tegen het ‘agressieve individualisme’ van de neoliberalen en tegen het ‘confessionele communitarisme’, terwijl hij zwijgt over de huidige woke-religie. Kennelijk geen zin om dit ideologische mijnenveld te betreden. Dat valt te begrijpen en het vloekt niet eens met het “echte individualisme à la Du Perron”, dat hij bepleit als alternatief voor het op internet welig tierende quasi-individuele conformisme.

Grote voorbeelden
Samen met Ter Braak behoort Du Perron tot Peeters’ grote voorbeelden. Zoals hij in een mooi empathisch essay schrijft over dichteres Hanny Michaelis (een van de vier vrouwelijke auteurs die worden besproken in de afdeling Het poëtisch beginsel) is ook hijzelf een “zuiver product van de Forum-generatie”. Hoogstens kunnen we bij hem twisten over de mate van zuiverheid. De onafhankelijke, intellectuele, karaktervolle traditie van Ter Braak en Du Perron zet Peeters immers voort op een geheel eigen en juist daarom nog altijd vitale manier.

Eerder verschenen in NRC en op Arnold Heumakers