De ontdekking van de aarde

Zondag, 23 oktober, 2022

Geschreven door: Huub Oosterhuis
Artikel door: Bert Altena

Verzamelde essays van Huub Oosterhuis

[Recensie] Toen Huub Oosterhuis nog op het jezuïetennoviciaat zat, dichtte hij als drieëntwintig jarige een ‘hymne aan de kerk’, waaruit hij zelf citeert in zijn onlangs uitgekomen Verzamelde Essays: “Zolang de wereld nog bestaat / zolang de zee nog stroomt, de wind waait / zijt gij onze moeder, milde heilige / stammoeder van het leven, wij danken u / omdat wij in u bestaan” (p. 333). Het werd op voorspraak van Willem Barnard gepubliceerd in Wending, toenmalig maandblad voor evangelie en cultuur.
Enkele jaren later schreef Oosterhuis zijn eerste echte kerklied, Zolang er mensen zijn op aarde, dat zich al in deze vroege kerkhymne aankondigt. De liefde voor de kerk is gebleven, maar kreeg in het leven en werk van Oosterhuis een bredere oriëntatie, op de wereld, op het verhaal van bevrijding, in de teksten van de joodse geschriften, in het leven en de inspiratie van Jezus, de mens vol hartstocht voor gerechtigheid. De titel “De ontdekking van de aarde” voor zijn verzamelde essays is daarom goedgekozen, overigens met een knipoog naar de bekende roman van Harry Mulisch.

In deze fraai uitgegeven bundel, onderdeel van zijn verzameld werk, zijn enkele essays samengebracht die hij tussen 1950 en 2020 publiceerde. Ze zijn geschreven in de typische Oosterhuis stijl. Tastend, zoekend, associërend laat hij zich leiden door ontmoetingen, inspiraties, gedichten, verhalen en probeert in de toevalligheden van het leven draden van verbinding te spinnen. Hij haalt herinneringen op en vertelt over ontmoetingen die hem hebben gevormd, over hoe hij zich zijn leven heeft toegeëigend, of zoals hij het zelf formuleert ‘hoe mijn leven mijn leven werd’. Al wordt dat meteen weer gerelativeerd met een observatie als deze: 

“Je kunt ook denken dat er geen ‘ik’ bestaat, geen vaste ‘kern’. Je denkt dan bijvoorbeeld dat je niet meer dan een kortstondige combinatie ben van toevalligheden, ‘dingen’ die je overkomen, mensen die je ontmoet – een nevel van belevenissen, indrukken, raadsels; vandaag is er dit en morgen is er dat, en nooit zie je meer dan flarden, fragmenten. Zou ‘ik’ niet een illusie zijn?” (p. 102).

Vele namen passeren de revue, van dichters en schrijvers, die Oosterhuis hebben geïnspireerd. Het uitgebreide personenregister getuigt daarvan. Maar ook zijn vriendschappen met prins Claus en Abel Herzberg worden gememoreerd. Er klinkt hier en daar de oude mannen heimwee in door, naar de verloren tijden. De thema’s van sociale gerechtigheid, waar Oosterhuis zich zo fel aan heeft gecommitteerd, is in deze bundel niet afwezig, maar toch minder prominent als je zou verwachten. Al is dan wel weer één van de langste opgenomen essays aan de zaak van het socialisme gewijd (O nieuw getijde, dat is nu).

Foodlog

Het is altijd inspirerend om Oosterhuis te lezen. Niet in het minst vanwege zijn verzorgde taal. Zijn essays geven een mooi inzicht in de dragende ideeën van zijn leven, zijn liefde voor de poëzie en zijn niet aflatende fascinatie voor de Bijbel: 

“De Bijbel is groot in zijn eerbied voor mensen en groot in zijn illusieloos realisme. Hij kent alle schakeringen van onrecht, alle mechanismen van kwaad tot erger (…) Toch houdt hij vol dat mensen niet gedoemd zijn tot vijandschap, maar kunnen groeien tot ‘heelheid’, betrouwbaarheid (…) Tegen alle feiten in houdt hij vast aan het visioen van een gelukkig en vervuld leven hier op aarde” (p. 39),

waarbij je in de laatste zin het ‘hij’ niet alleen op de Bijbel kunt laten slaan, maar evengoed op Oosterhuis zelf. Uiteindelijk is het die hoop die door alle verschillende essays de dragende grond blijft en die de brandstof voor Oosterhuis’ engagement vormt.

Wat een omissie is, zeker in een deel van het verzameld werk, is een verwijzing naar de oorsprong van deze essays. Het wordt niet duidelijk waar ze voor het eerst verschenen zijn of bij welke gelegenheid ze zijn ontstaan. Ook wordt niet duidelijk welke criteria de selectie hebben bepaald. Sommige essays zijn door Oosterhuis herschreven, vermeldt de flaptekst, maar welke dat zijn en in welke mate ze zijn herschreven dan wel geredigeerd, ook daarover worden we niet geïnformeerd. Jammer, want met een uitgebreidere verantwoording had er wellicht een beter inzicht kunnen ontstaan in de ontwikkelingsgang van Oosterhuis’ visie. Nu moeten we het doen met een willekeurige greep uit zijn oeuvre. Of geldt hier ook, wat hij zelf schreef, dat er niet zo iets bestaat als een ‘vaste kern’?

Eerder gepubliceerd op nieuwwij en bertaltena

Boeken van deze Auteur: