Joséphine

Zaterdag, 23 juli, 2022

Geschreven door: Anne-Laure van Neer
Artikel door: Jan Stoel

Anne-Laure van Neer over haar boek Josésphine: ”Is het een thriller? Ik denk het niet”

Anne-Laure Van Neer (Antwerpen, 1975) debuteerde in 2015 met de misdaadkomedie JustineDaarna volgden Maurice en LouiseDeze boeken werden stuk voor stuk genomineerd voor de Knack Hercule Poirotprijs.

[Interview] Joséphine heet de nieuwste ‘thriller’ van Anne-Laure Van Neer (1975). Een cover met een muffin daarop en op de ‘i’ van de titel een bloeddruppel. Korte, flitsende hoofdstukken. Ieder hoofdstuk begint met een muffin waaruit een stukje genomen is. Recepten met blauwe bessen zijn in het boek opgenomen. Maar de ene blauwe bes is de andere niet! Ik las het boek en kwam in een verhaal terecht dat over je heen raast als een wervelwind. Steeds denk je dat het niet gekker kan, maar dan toch weet de auteur nog net iets verder te gaan. Het verhaal is absurd, de humor dolkomisch, de lading onder het verhaal bloedserieus. Heerlijk lichtvoetig van stijl. Wat smaakt die muffin lekker! Maar is dit een thriller? Reden om Anne-Laure eens aan u voor te stellen.

Je bent pas later gaan schrijven. Hoe is dat zo begonnen? 

“Een jaar of vijftien geleden kampte ik met een burn-out en volgde ik loopbaanbegeleiding. Daar werd de vraag gesteld ‘wat zou je doen als je nog vijf jaar, vijf maanden, vijf dagen te leven had’. Ik antwoordde dat ik graag een boek zou willen schrijven. Ik verkeerde nog in de illusie dat je wel even snel een boek zou kunnen schrijven in vijf maanden tijd. Het idee om te schrijven werd toen geboren. De deadlines van vijf dagen en vijf maanden sneuvelden snel. Ik ben een ‘trage’ schrijfster, dus ben ik blij als ik om de paar jaar een boek kan uitbrengen.” 

Foodlog

En dan moet het moment komen dat je echt met een publicatie naar buiten treedt. Hoe ging dat? Je werd meteen genomineerd voor de Hercule Poirotprijs. Gaf dat druk naar je volgende publicaties?

“Toen Justine genomineerd werd voor de prijs, wist ik eigenlijk zelf niet zo goed wat dat betekende. Ik was uiteraard wel blij, maar ik kon niet goed inschatten wat de impact hiervan zou zijn. Ik ging van ‘onbekend debutantje’ naar plots wel veel meer aandacht dan ik verwacht had. Dat gaf wel druk voor het volgende boek. Maurice werd dan ook een ezelsdracht.”

Het valt me op dat in al je boeken een naam de titel vormt en dat het altijd om wat oudere mensen gaat. Wat is de achtergrond daarvan?

“Als schrijver spendeer je toch wel makkelijk een jaar, anderhalf jaar met een fictief personage in je hoofd. Je praat ermee, speculeert over hoe ze/hij in bepaalde situaties zou reageren, welke karaktertrekken noodzakelijk zijn om in het verhaal te passen, et cetera. Het personage gaat hierdoor ook ‘levend’ worden. Het is dan ook fijn om na anderhalf jaar ‘samenzijn’ samen ‘naar buiten’ te treden. 

Het schrijven over oudere mensen is ook bevrijdend. Hun optiek op het leven is totaal anders dan die van een zoekende adolescent. Ze hebben alles al meegemaakt. De doelen die ze zich stelden als jongere hebben ze al dan niet bereikt. Het is wat het is. Daaruit vloeit voort dat ze zich niet meer zo laten beïnvloeden door de buitenwereld, dat ze minder rekening houden met wat anderen van hen denken, wat de maatschappij van hen verwacht. Ze hebben een groot ‘je m’en fous’-gehalte. Het is zeer bevrijdend als schrijver om vanuit zulk perspectief te schrijven.”

Joséphine wordt geafficheerd als thriller. Maar ik vind het allerminst een thriller, eerder een spannende roman. Voor mij gaat het meer in de richting van de literatuur. Wat denk jij hiervan?

“Ik beschouw mezelf niet als een ‘pur sang’ thrillerschrijfster. Darmen aan de kroonluchter of beangstigende ‘psycho’-scènes zijn niet voor me weggelegd. Wat ik tracht (met de nadruk op tracht) te schrijven, zijn boeken met een thema waar iedereen zich wel op een gegeven moment in kan herkennen. De ingrediënten: een universeel thema (iets wat je aan een oermens zou kunnen uitleggen), een ‘ongelukje’ – of lijkje- hier en daar en daarbovenop een laagje humor. Dat is wat ik zelf ook graag zie in films en series. Zo ben ik grote fan van Tarantino, de Coen Brothers en de reeks Breaking bad. Het is grappig, over the top, maar tegelijkertijd kan het zoals in Breaking bad ook een mooi thema bevatten. Een terminaal zieke man start een drugslabo op om zijn vrouw en kind na zijn dood iets achter te laten.  

Omdat ik dus een ‘cross-over’ genre schrijf (een mix van literaire thema’s, misdaad en humor), is het moeilijk om een ‘etiket’ te plakken op mijn werk. Het is geen thriller, nee, daar ben ik me van bewust. Wat is het wel? Dat is de hamvraag. 

Het probleem dat zich dan stelt is dat de boekenwereld in ‘vakjes’ werkt. Je schrijft iets, dus moet het in een vak op het schap in de boekenwinkel passen. Het boek moet een ‘nur’-code hebben en dus in een hok passen. ’Misdaadkomedies’ bestaat niet in de ‘nur’-codes. Dus wordt er gekozen om het als ‘thriller’ te verkopen, want ja, er komen her en der wel eens ‘ongelukjes’ in voor. 

Is het een thriller? Ik denk het niet.”

Ieder boek heeft ergens zijn oorsprong. Waar ligt de kiem van Joséphine?

Joséphine is geboren vanuit een artikel dat ik in de krant las. Een koppel bejaarde mensen besloot om naar het woonzorgcentrum te verhuizen omdat zelfstandig wonen moeilijk werd. Af en toe gingen ze tijdens de weekends terug naar hun flat, omdat ze niet goed konden aarden in het rusthuis. Dat ging van kwaad naar erger. Ze besloten tijdens een weekend om de lift te nemen naar het dak van het appartementsgebouw en zijn samen gesprongen. 

Ik begreep het niet. 

Waarom was er geen optie voor deze mensen om rustig, samen, thuis in bed in te slapen? Dus ging ik me verdiepen in de euthanasiemogelijkheden. Die blijken tamelijk beperkt als je gewoon fit en wilsbekwaam oud wordt. Ik wilde dus een alternatief einde bedenken voor deze mensen. Iets wat hen terug de teugels in handen gaf. 

Ik vermoed dat er een ‘wereldverbeteraar’ in mij schuilt, een dwangmatige happy end-zoeker of zoiets. Al is het maar in een fictieve wereld.”

Ik vind het ontzettend knap dat je ogenschijnlijk in dit boek helemaal ‘los’ gaat, maar anderzijds toch nauwkeurig alle verhaallijntjes en ‘draadjes’ die er lopen bij elkaar weet te houden. Gebeurt dat ‘los’ gaan tijdens het schrijven of is dat allemaal van tevoren uitgekiend?

“Ik leerde van collega/mentor Rudy Soetewey (ook auteur bij Uitgeverij Vrijdag), tijdens een workshop de kneepjes van het vak. 

Een verhaal schrijven is als een grote puzzel leggen, zonder dat je over het voorbeeldprentje beschikt. Ik plan erg veel op voorhand om te weten waar ik naartoe wil, wat er in elke verhaallijn gebeurt, wat er noodzakelijk is om er vaart in te krijgen en waar ik ook even moet ‘rusten’ om te reflecteren. Dat is een onderdeel van de structuur van een verhaal. Ik zou kunnen zeggen dat het allemaal ‘organisch’ groeit, en dat is deels ook zo. Maar als ik eerlijk ben, is dit ook zeer gecalculeerd. Wanneer er een plotwending komt, wanneer er een antagonist verschijnt, dat is allemaal vastgelegd. In ieder verhaal komen er bepaalde elementen of scènes automatisch terug. Indien je dat als schrijver overboord gooit, klopt het verhaal niet meer. Je kan dus de wetten van de structuur niet zomaar naast je neerleggen. Je moet ze door en door kennen, je mag ze ook overhoop gooien, maar overboord, dat is dan weer een brug te ver.

Tijdens de ‘puzzel’-fase stel ik mezelf vragen. Ik een voorkeur heb voor toestanden die escaleren naar een punt dat je niet verwacht. Stel: er ligt een lijk in je woonkamer. Wat doe je ermee? Het eerste idee:  de politie bellen. Wat als dat niet kan? In de tuin begraven? In een container dumpen? 

Dat voelt vaak als ‘been there, done that’ (figuurlijk, bedoel ik dan. Ik heb nooit een lijk in de woonkamer gehad, voor alle duidelijkheid). 

Ik schrap dus de eerste tien oplossingen die ik hiervoor kan bedenken, want die resulteren onvermijdelijk in een cliché. Waar brengt je geest je naartoe wanneer je die tien eerste ideeën voorbij bent? Dat scherpt je creatieve geest aan. Dus… kleine oefening: wat zou je doen als er een lijk in je woonkamer ligt?  Schrap vervolgens de eerste tien ideeën die je bedenkt en wees welkom in mijn wereld. 

Tijdens het schrijven wijk ik doorgaans van het plan af, omdat er nieuwe situaties in me opkomen. Al blijf ik wel bij de grote lijnen die ik op voorhand heb vastgelegd.”

Je kiest voor de ik-vorm. Joséphine is je hoofdpersonage, degene die het verhaal vertelt. In het verhaal komen veel meer markante figuren voor: de Kolonel met zijn militaire achtergrond, Brigitte de femme fatale op leeftijd, Ida die alles wat eetbaar is naar binnenwerkt, Tim van Kerkhoven de op eigen gewin uit zijnde directeur van het rusthuis, zijn vrouw Mina (“haar humeur was even labiel als een Belgische zomer”). Eigenlijk allemaal figuren met een zwak punt, soms een trauma net als iedereen. Het zijn volgens mij een beetje archetypen. Kun je iets vertellen waarom je juist deze figuren kiest?

“Conflict ontstaat vanuit het karakter van je personages. Als iedereen hetzelfde zou denken, zou er geen conflict zijn. Het is dus fijn om verschillende karakters en personages lijnrecht tegenover elkaar te zetten. Joséphine met haar ‘doeners’-mentaliteit en boerenkennis, de Kolonel die zich profileert als strategisch denker. Iedereen kent ook die ‘Bardot’-figuren, femmes fatales die niet aanvaarden dat de tijd hun jeugdigheid zal inhalen (dat is niet hetzelfde als schoonheid, voor alle duidelijkheid). Het zijn inderdaad archetypes, die kom je ook in ieder verhaal tegen, onvermijdelijk.” 

Je bezit de kwaliteit om in een paar zinnen een personage overtuigend neer te zetten, te karakteriseren. Je personages hebben vaak twee kanten, hebben iets in hun leven meegemaakt dat hen achtervolgt. Ik denk aan Joséphine van wie de moeder in een rusthuis zat, op een gesloten afdeling. Daar heeft Joséphine spijt van. Ze wil dat zelf nooit. Ze gaat regelmatig naar het kerkhof om met haar moeder ‘te praten.’ Hoe bouw je je personages op?

“Ik vertrek meestal vanuit een ‘probleem’ dat zich stelt en ga vervolgens zoeken naar menselijke ‘eigenschappen’ die het probleem vergroten. Joséphine houdt graag de teugels in handen. Iemand neemt de teugels af. Dat is conflict. 

Dat is inherent aan het  probleem dat ik opbouw voor haar. Als ze een ‘mak schaap’ was, zou ze het gevecht niet aangaan. Het is dus uiterst belangrijk om het karakter van je hoofdpersonages goed uit te werken. 

Ik gebruik hiervoor vaak het ‘kwadrant van Ofman’. Je geeft een personage een ‘kwaliteit’. Die staat lijnrecht tegenover een valkuil, die op zijn beurt weer een uitdaging vormt. Als je een kwaliteit hoog in het vaandel houdt, heb je ook een allergie aan mensen die deze kwaliteit niet bezitten. Als je antagonist die (anti-)kwaliteit dan in zich heeft, heb je een perfect recept voor conflict. Ik weet niet of iemand deze uitleg kan volgen, maar het is perfect logisch.  In mijn hoofd dan toch.”

Het valt me op dat je je goed rekenschap geeft van het perspectief van ouderen: relativeren, anders naar de dingen kijken. De manier bijvoorbeeld waarop ze zelf kijken naar hun levenseinde. Ze hebben de Thanatosclub, hebben een eigen simpele procedure ontwikkeld om het leven te beëindigen, willen een eigen keuze maken. Eigenlijk wel het hoofdthema van het boek. Heb je daar onderzoek naar gedaan? 

“Ik observeer vaak en graag. Dat is soms lastig voor de mensen om me heen omdat ik op een ‘terrasje’ kan zitten en urenlang kan zwijgen en kijken. Het valt me op dat oudere mensen heel erg veel relativeren als het ‘grote’ levensvragen betreft. Anderzijds kunnen ze ook assertief reageren op een koekje dat werd vergeten bij de koffie. Ze leven voor de ‘kleine gelukskes’ zoals we dat in Antwerpen en omstreken noemen. Ze zijn erg ‘mindfull’, zonder dat ze het beseffen. Dat is prachtig om te observeren. Wij volgen cursussen en workshops om ‘mindfull’ te worden. We mediteren ons suf om eigenlijk het niveau van ouderen te bereiken. Zij hebben het losgelaten, die grote doelen, de ratrace, de eisen van de maatschappij. Ze focussen zich op het koekje bij de koffie. Daar kunnen we veel van leren, denk ik.” 

Wat ik zo knap vind aan je verhaal is hoe je ogenschijnlijk achteloos gelaagdheid in je verhaal aanbrengt. Voor mij overstijgt je boek daardoor het predikaat ‘hilarisch verhaal.’ De lezer kan het op verschillende niveaus lezen: een spannend verhaal vol absurde, dolkomische ontwikkelingen. In het verhaal zit ook een diepere laag. Het gaat over de betuttelende manier waarop ouderen tegemoet getreden worden, alsof ze zelf niet zouden weten wat ze willen. Je stelt de keuzevrijheid om te sterven aan de orde, als mensen vinden dat het leven voltooid is. Van een andere orde is de scoringsdrang van eigenaren van woonzorgcomplexen: economie is belangrijker dan welzijn van de mensen; er kan gerust een tuintje opgeofferd worden om meer kamers bij een complex te bouwen onder het motto van ‘we kunnen meer mensen helpen.’ Zo wordt Joséphine tussen de regels door een protestboek met als andere motieven als de arrogantie van de macht, grensoverschrijdend gedrag, onrecht dat mensen aangedaan wordt, lust versus echte liefde, respect voor ouderen Daardoor wordt het boek voor mij meer literatuur. Heb je dat allemaal willen vertellen met dit boek?

“Ik ben oprecht blij dat je dit opmerkt. Ik spendeer veel tijd met het zoeken van een ‘universeel’ thema in mijn boeken. Iets waar iedereen zich wel met kan vereenzelvigen. Justine vecht om niet naar het rusthuis afgevoerd te worden. Maurice vormt een ‘eenmansverzet’ tegen alfa’s die het rad steeds sneller en sneller laten draaien waardoor mensen uit de boot vallen. Louise vertelt dan weer over het moederschap en hoe ver een moeder wil gaan voor haar kind. Joséphine vecht voor het recht om haar einde zelf te bepalen. Dat zijn niet bepaald vrolijke onderwerpen, maar alles hangt af van hoe je het brengt.” 

Die onvervalste humor met zinnen als “zonder onze tuin gaan we allemaal dood” en “wij houden van de tuin: het houdt ons in leven” en “wij zullen de rest van ons leven over de schouder moeten kijken. En met die artrose is dat niet altijd even makkelijk.” Waarom is die humor zo belangrijk in je verhaal?

“Humor is uiteindelijk de enige manier die ik ken om met ellende om te gaan. We hebben in onze familie al wat moeilijkheden meegemaakt, wat maakt dat we ondertussen ook wel heel wat gaan relativeren. We lachen met veel, ook met de dood, ook met ellende.

Het leven is niet makkelijk, soms mooi, soms erg lelijk. De keuze is dan simpel: depressie of relativeren met wat humor.

Als je een droevig literair oeuvre leest, klap je het boek toe en denk je: ‘oef, die hebben het erger dan ik.’ Dat resulteert in een soort bizarre opluchting, omdat je het in vergelijking met anderen goed hebt. 

Je  kan hetzelfde verhaal schrijven vanuit een andere optiek. Een humoristische, relativerende invalshoek kan mensen op een andere manier naar het leven laten kijken. Het mag een schrijnend thema zijn, maar als je dat op een luchtige manier brengt is het resultaat anders ‘Het is wel erg, maar vooral ook grappig.’ Dat verzacht de boodschap.

Het is niet eigen aan de mens om zo te denken, dus zwem ik wat tegen de stroom in. Ik denk dat er een kleine rebel in mij schuilt.”

Je hebt een heel beeldende manier van schrijven. Je hanteert het principe show don’t tell. Zo beschrijf je de gemeenschappelijke ruimte van het rusthuis als “Tafels in melamine en stoelen in skaileder, dat was makkelijk afwasbaar wanneer er ‘ongelukjes’ gebeurden. In de hoek van de kamer stond de televisie aan. Niemand keek.” Meteen is de setting helder. Je doet dat ook met je personages. Vind je dat belangrijk en waarom?

Wanneer ik een boek in de winkel kies, lees ik de eerste alinea. Als daar een beschrijving in voorkomt, leg ik het boek weer weg. Ik erger me als een auteur me wil dicteren hoe ik een personage moet ‘zien’, hoe ik iets moet interpreteren. 

Als ik schrijf: ’Er staat een paard in de wei’. Welk soort paard komt er dan in je op? Ik denk aan een witte hengst. En jij? Misschien had je een zwart of bruin paard voor ogen. Een merrie of een veulen? Als het er niet toe doet voor het verhaal, moet je dat paard ook niet beschrijven. Dat is bladvulling om aan het aantal woorden te komen die nodig zijn. Ik schrap adjectieven, beschrijvingen en laat enkel het hoogstnodige over zodat je je als lezer wel een beeld kan vormen, zonder dat ik het voor jou schets. Ik trigger liever de creativiteit van de lezer dan dat ik hem een voorgekauwde maaltijd voorschotel. ‘Less is more’. Als je weet dat de broekspijpen van de Kolonel zo strak staan dat je er een varken mee kan kelen, dat zegt dat veel meer dan dat ik je vertel dat de Kolonel blauwe ogen en witte haren heeft, nietwaar? Die broekspijpen geven meteen ook weer welk type mens hij is. Dus helder, geen onnodige adjectieven of beschrijvingen en de lezer zelf creatief laten wezen, dat is een toffe cocktail.”

Ook valt me de subtiliteit op in je verhaal. Tim van Kerkhoven die directeur is van rusthuis De Groenen Hof. Alsof de Groenen Hof een kerkhof is. Brigitte de ‘vamp’ verwijst naar Brigitte Bardot? De Kolonel die de acties die ondernomen worden allemaal een naam geeft, bijvoorbeeld Operatie Overlord, ontleend aan de codenaam voor de grootse landing van de geallieerden in Normandië in 1944; en Operatie Fortitude, een afleidingsmanoeuvre voor de landing van Normandië. Je verbindt die operaties – en er zijn meer – perfect met wat er in het verhaal speelt. Zo hebben alle namen een betekenis, volgens mij. Hoe zit dat met Joséphine?

“Joséphine is de naam van mijn overgrootmoeder aan moederszijde. ‘Josépina Monserrat’, een Spaanse vrouw die het regime van Franco is ontvlucht en samen met haar man Séraphin Rupert naar Zuid-Frankrijk is gevlucht. Josépina, mijn overgrootmoeder, kende veel over kruiden, en liep, volgens wat mijn moeder me vertelde, ‘ s ochtends voor dag en dauw de ‘garrigue’ in om kruiden te plukken waarmee ze kwaaltjes verzorgde. Voor zo ver ik weet, gebruikte ze het enkel om mensen te genezen.” 

Wat zit er van je zelf in de roman?

“Mijn rebels kantje. Een lichte afkeer tegen autoriteit. Je lot niet zelf kunnen bepalen dat lijkt me de hel. Iemand die beslist wanneer je opstaat, eet, slaapt, je wast … Ik weet niet of ik ooit in dergelijk regime zou kunnen leven. Anderzijds hoop ik dat ik het tegen dan kan relativeren. Als in: dit is een all-inn vakantie waar je zelf nooit moet koken of je bed moet opmaken. 

Of ik richt een Thanatosclub op, dat kan ook.”

Voor het eerst gepubliceerd in Bazarow Magazine