Het verzonkene

Dinsdag, 21 juni, 2022

Geschreven door: Jeroen Brouwers
Artikel door: Nico van der Sijde

Het verzonken Atlantis van de voorkleuterse en voortalige droomtijd

[Recensie] Kort geleden las ik , mijn eerste en veel te late kennismaking met Jeroen Brouwers. Die kennismaking was dermate indringend dat ik meteen daarna Het verzonkene las, het eerste deel van Brouwers’ IndiĆ«-trilogie. Maar nu ik dat uit heb wil ik meteen verder met de volgende delen, Bezonken rood en De zondvloed. En ik denk niet dat het daarbij blijft. Want die Brouwers, die bevalt mij wel.

Waar Zonsopgangen boven zee mij overweldigde door zijn muzikale en obsessieve intensiteit, sleepte Het verzonkene mij mee door zijn schoonheid en weemoed. Daar moet ik wel bij zeggen dat ik een late editie van deze roman las: een editie waar Brouwers allerlei polemische passages uit heeft geschrapt, waarin hij zich op felle toon engageerde voor moeilijk toegankelijke schoonheid en waarin hij zich krachtig verzette tegen iedereen die hem van al te makkelijke nostalgie betichtte. Ik snap waarom Brouwers die passages in latere edities geschrapt heeft: de context van deze polemiek is helemaal in de vergetelheid geraakt, zodat de polemiek voor de huidige lezer moeilijk te volgen is. Toch had ik wel willen weten hoe deze roman er met deze passages uit had gezien. Maar ja, wie weet zoek ik dat later nog een keer uit. En ook van deze gesnoeide versie genoot ik volop.

De roman heeft, net als de andere twee delen van deze trilogie, een sterk autobiografische inslag. Het is echter geen conventionele biografie, maar een werk vol scheppende verbeelding. Het gaat over het IndiĆ« van Brouwers’ prille jeugd, “maar voor mij is dat ‘IndiĆ«’ een droomland geworden, een land waar ik in een vorig leven ben geweest. Soms rijst dat land nog achter mijn ogen op, steeds vager, de zee tussen mij en dat land wordt breder. Mijn vorige leven is: mijn vĆ³Ć³rkleuterse tijd, waarin ik nog geen besef had van taal”. Het gaat dus niet primair om IndiĆ« als een nog aanwijsbaar land, maar om een verloren kindertijd. Meer nog: om een vorig leven, dat nu alleen nog als droom aanwezig is, dat vooraf ging aan taal en denken, en dat zich niet meer in taal en denken laat vatten. Een droomtijd en droomregio waarvan de ik- figuur (Brouwers) door een steeds breder wordende zee van wordt gescheiden. En dat zelfs in de zee is verzonken, net als het mythische en schone Atlantis. Ja, soms herschept hij die droomtijd en dat droomland in heel pakkende bewoordingen, en met indringende directheid: “In deze geluiden is onbedreigdheid en vrede. Ik hoor het schijnen van de maan. Ik hoor het ontstaan van een ei in een vogel. Ik hoor het groeien van bomen. Soms regent het. Van de avondgeluiden maakt ook het vioolspel uit. Dat is mijn grootvader die op zijn Guarnieri speelt. Ik denk wel eens: dit mengsel van geluiden, dat ik hoorde tussen schemering en nacht, voordat ik onder zeil ging. vĆ³Ć³r mijn derde jaar, sluimergeluiden, droomgeluiden, de geluiden van de stilte, – dat is tempo dahoeloe. De geluiden van Goudland. Atlantis is nog niet verzonken”. Maar als volwassene is de ik- figuur vervuld van walging, levenshaat, afkeer en onvermogen, deels door het besef dat dit zo mythische Atlantis voor hem juist wĆ©l is verzonken. En volgens mij ook door het besef dat hij er nooit helemaal in slaagt dat mythische, verzonken Atlantis weer helemaal in zijn volle glans tot leven te roepen. Ook niet in zijn verbeelding, ook niet in zijn schrijven. Al is zijn schrijverij de enige plek waarin hij nog wil wonen, en is het schrijvend weer glimpen oproepen van die verzonken schoonheid het enige wat hem nog levensvreugde geeft. Zij het een levensvreugde vol kwellingen over het onherroepelijk verlies van het verzonkene.

Dat verlies, en dat onvermogen om die gedroomde kindertijd weer te bereiken, wordt naar mijn smaak mooi voelbaar gemaakt. Bijvoorbeeld in enkele passages waarin de ik- figuur, de romanfiguur Jeroen Brouwers zoals de schrijver Jeroen Brouwers hem in deze roman verbeeldt, op meeslepende wijze zijn levenshaat en walging ventileert. Maar ook in de structuur van de roman als geheel. Het verzonkene bestaat namelijk uit korte hoofdstukken die niet in elkaar doorlopen, vertelt dus geen lineair en sluitend verhaal, en demonstreert daarmee dat het Atlantis van de prille jeugd alleen nog in discontinue fragmenten kan worden naverteld en herinnerd. Die herinneringen zijn bovendien vol passages over mensen die in dampen vervagen, of over filmbeelden zonder geluid en met verkeerde belichting: filmbeelden waarin Brouwers’ grootvader bijvoorbeeld nog wel voortleeft, maar als geluidloos en bijna vormeloos spook. Wat omineus is, omdat tussen de regels door duidelijk wordt dat grootvader de Jappenkampen niet heeft overleefd, en ook omdat Brouwers’ grootvader het als twee druppels water gelijkende evenbeeld was van Brouwers. Eveneens veelzeggend zijn passages over andere filmbeelden van lang geleden, met daarin wuivende mensen die “zwaaien naar het voorbije”. Brouwers schrijft bovendien ook: “Mijn heimwee betreft niet ‘IndiĆ«’, maar de tijd dat ik leefde zonder te denken, ik heb heimwee naar wat in mijzelf is verloren geraakt en waarvan ik zelf niet precies meer weet wat het is geweest, – klaarte die is veranderd in troebelheid, water dat is veranderd in denken aan stikken en dood”. Dat laatste beeld rijmt wel heel pregnant met een latere passage, waarin de ik- figuur staart naar het “gouden water” dat vroeger zijn paradijs was, en dat nu van smerigheid is doordesemd. Waarbij precies die smerigheid, die troebelheid waardoor het water ook bijna letterlijk is veranderd in “denken aan stikken en dood”, het onherroepelijke verlies van zijn paradijs symboliseert. En tja, het verzonken Atlantis is door water verzwolgen, en ook dat rijmt in mijn beleving weer met het motief van “stikken en dood”.

Het verlies van die gedroomde kindertijd, het verzonken zijn ervan, komt dus in deze roman wel heel pregnant tot uiting. Tegelijk echter staat Het verzonkene ook vol met passages waarin Atlantis nog niet verzonken is, en waarin er mooie en ontroerende glimpen oplichten van die voorkleuterse droomtijd. Hierboven citeerde ik al zo’n passage. Heel mooi vind ik bovendien de scĆØne waarin de nog piepjonge, voorkleuterse ik- figuur zwemmen leert van zijn moeder. In die scĆØne is het water nog vol klaarte, die nog niet wordt verdrongen door troebelheid, stikken en dood. Ook is die scĆØne vol van een soort onderwaters communiceren en spreken dat vooraf lijkt te gaan aan de woorden, dus aan de taal van de volwassenen. Bijvoorbeeld: “Onder water zegt mijn moeder woorden, ik hoor de klanken ervan. Een waterwezen, niet mijn moeder, spreekt mij toe. Ik zie de woorden als bellen uit haar mond komen en overal om mij heen opstijgen en opspatten”. Of: “Er begint in mijn hoofd gegons te klinken: misschien is het onderwatertaal. Wat ik zie zijn de ogen van mijn moeder, maar niet het groen ervan, ze gaan dicht en sperren zich weer open, tjilepoek. Waar ik heen op weg ben is het zachte bewegen van klamboesluiers, ik zal er kunnen lezen, boeken vol schitter en van een treurigheid die toch gelukkig maakt. Ik steek mijn armen naar mijn moeder uit en ik ontdek: Ik begin in het water op te stijgen. Het allerdonkerst groen dat om mij heen is geweest verandert in lichter groen en dat verandert in goudgespetter”. Natuurlijk, de volwassen ik- figuur betreurt walgbrakend het verlies van deze gedroomde idylle, en treurt diep over de “klaarte die is veranderd in troebelheid, water dat is veranderd in denken aan stikken en dood”. Dat doet je als lezer beseffen dat ook de hier zo mooi beschreven klaarheldere waterwereld vertroebeld zal raken, en inmiddels zelfs al vertroebeld IS. Maar tegelijk bewonder ik de enorme schoonheid van die waterwereld, de virtuositeit waarmee Brouwers ons deze verloren waterwereld toch voortovert, de meeslepende wijze waarop hij ons toch glimpen laat zien van een vĆ³Ć³rkleuterse tijd, waarin de ik-figuur nog geen besef had van taal. Glimpen misschien zelfs van de voorgeboortelijke tijd, waarin het kind nog zwemt in het baarwater, en nog nauwelijks een gearticuleerd besef heeft van zijn binnenwereld en de buitenwereld. En dus nog niet weet hoe teleurgesteld hij in beide werelden zal raken.

Het verzonkene is vol van verlies en gemis, en ik bewonder de opmerkelijk eloquente verwoording daarvan. Maar ik bewonder nog meer de schoonheid van Brouwers’ taal, vooral in die passages waarin het verzonken en verloren Atlantis toch voor even oplicht. En ik ben uiterst benieuwd naar de volgende twee delen van Brouwers Indische trilogie.

ā€“

Eerder verschenen op Hebban

ScĆØnes